Zinnenjacht

Intieme zinnen van een breekbaar genie: Wittgenstein

Intieme zinnen van een breekbaar genie: Wittgenstein

De intieme zinnen van een breekbaar genie:
Ludwig Wittgenstein

Es gibt Menschen die zu schwach zum Brechen sind. Zu denen gehöre auch ich.

Je hebt mensen die te zwak zijn om te breken. Tot die mensen behoor ik ook.

Ludwig Wittgenstein, vert. Wilfred Oranje

Als ik aan Wittgenstein denk, moet ik altijd een beetje grinniken. Ergens in mijn tienerjaren vertelde mijn moeder me over een boek dat zó moeilijk was dat bijna niemand het begreep: de Tractatus logico-philosophicus van Ludwig Wittgenstein. Dat wou ik wel eens lezen. Kijken of ik het zou begrijpen. Ik moet bekennen: dat selecte groepje van mensen die de Tractatus volledig begrepen, ze hoefden geen rode loper of trompetten te pakken, want er was niet gelijk reden om mij met open armen in hun schare te ontvangen…

Los van alle voor mij onbegrijpelijk logische symbolen en toespelingen op Frege en Russell, was er nog iets wat me afschrikte in Wittgensteins Tractatus. Dat was de vorm van de tekst. Het was geen verhaal, dialoog of lezing, maar een verzameling genummerde stellingen. Dat stond me toen tegen. Het had iets kils. En die strenge kop van Wittgenstein, met die altijd wat bozige blik, bevestigde dat.

Maar één bladzijde van de dagboeken van Wittgenstein zet het beeld van een kille, starre logicus volledig op z’n kop. 

Denkbewegingen

Onlangs las ik Denkbewegingen, Wittgensteins dagboeken uit 1930-32 en 1936-37, in vertaling van Wilfred Oranje. Op de achterflap wordt het boek zo aangeprezen: ‘In prachtige taal legt hij in deze dagboeken de diepte van zijn denken bloot.’ Dat vind ik al intrigerend. Want hoe bepaal je de diepte van je denken? Wanneer is een gedachte dan precies diep

Maar het eerste dat opvalt als je deze notities leest – want een dagboek is het eigenlijk niet, het is een verzameling aantekeningen; soms schreef Wittgenstein een paar regels, dan weer een tijdje helemaal niks – is hoe enorm persoonlijk deze opmerkingen zijn. En hoe enorm slecht Wittgenstein zich voelde toen hij ze opschreef. 

Wittgensteins aantekeningen beginnen op 26 april 1930 als volgt:

‘Zonder een beetje durf kun je niet eens iets verstandigs over jezelf schrijven. 

Ik geloof soms dat ik lijd onder een soort geestelijke verstopping. Of is dat maar inbeelding, zoals wanneer je het gevoel hebt dat je moet braken terwijl er in feite niets meer in je maag zit? 

Ik ben zeer vaak of bijna altijd doodsbang. 

Mijn hersenen zijn zeer prikkelbaar.’

Dat greep mij meteen bij de strot. 

Wittgenstein schreef dit in principe voor zichzelf. In andere dagboeken van hem, die eerder werden gepubliceerd, schreef Wittgenstein geregeld in een soort geheimschrift om zijn gedachtes te verbergen. Hier niet, maar waarschijnlijk had hij zelf evengoed niet gewild en verwacht dat iemand anders dit zou lezen. Misschien dat hij daarom zo direct en eerlijk durfde te schrijven. 

Het aangrijpende zit ’m in eerste plaats in de treurige, persoonlijke boodschap, maar ook in de simpele bewoording. Hier geen genummerde stellingen, hier geen logische symbolen, niks kils of koels. 

Spannend zijn alle tegenstellingen die je in dit stukje kunt ontdekken. In de eerste zin lijkt Wittgenstein zichzelf moed in te spreken met een stellige algemene uitspraak. Alsof hij ademhaalt voor hij van een duikplank springt. In de tweede zin is die stelligheid al minder (‘Ik geloof soms…’). In de derde heeft ze plaatsgemaakt voor uitgesproken twijfel. Dus: stelligheid/twijfel, maar ook durf/angst, geest/lichaam, onpersoonlijk/persoonlijk en algemeen/concreet. Misschien zijn er zo nog wel meer tegenstellingen in te vinden. 

Te zwak om te breken

Iets verderop vinden we weer zo’n notitie met een contrast tussen een algemene stelling en een persoonlijke constatering:

Je hebt mensen die te zwak zijn om te breken. Tot die mensen behoor ik ook.

Die eerste zin – ‘Je hebt mensen die te zwak zijn om te breken’ – is alsof Wittgenstein je kin zachtjes omhoog duwt. Hij stelt iets algemeens, een tikje abstract, waardoor je je afvraagt wat voor schrijnende wezens dat zijn, mensen die te zwak zijn om te breken. 

De tweede – ‘Tot die mensen behoor ik ook’ – is alsof hij je vervolgens met een vlakke hand op je wang petst. (Ik denk trouwens dat Oranje had moeten kiezen voor ‘Tot die mensen behoor ook ik’, dan zit het venijn helemaal in de staart.) 

Wittgenstein had ook kunnen schrijven: ‘Ik ben te zwak om te breken’. Wat een verschil! Dat was veel minder opmerkelijk en aangrijpend geweest, hoewel de boodschap in principe dezelfde is. Die zin had misschien wel gewerkt in een soortgelijke constructie, zeg: ‘Je hebt mensen die na jarenlang ploeteren uiteindelijk toch breken. Ik ben te zwak om te breken.’ Kin omhoog, pets erop. 

Twijfel op papier

Tot nu toe hebben we alleen tamelijk simpele, gestileerde zinnen gezien. Maar niet alle aantekeningen zijn zo precies geformuleerd. Er zitten ook notities bij die wat rommeliger zijn, waarin je Wittgenstein ziet twijfelen en tasten. Neem dit stukje, dat direct voorafgaat aan onze zin van zonet:

Vaak heb ik het gevoel dat iets in mij is als een klomp die, als hij smolt, mij aan het huilen zou maken, of ik zou dan de juiste woorden (of misschien zelfs een melodie) vinden. Maar dit iets (is het mijn hart?) voelt bij mij aan als leer & kan niet smelten. Of is het dat ik alleen maar te laf ben om de temperatuur voldoende te laten stijgen?

Nou die eerste zin loopt al niet echt lekker, ook niet in het Duits. Het smelten van die klomp zou hem aan het huilen maken óf hij zou de juiste woorden of een melodie vinden: gek is dat. Dan zijn er die bijzinnetjes tussen haakjes, er is die ampersand waar je oog naartoe trekt en op een foto van het dagboek zie je dat Wittgenstein zelfs een woordje doorstreepte. Snel neergepend, waarschijnlijk. Maar ook dit werkt. Dit talige rommeltje weerspiegelt Wittgenstein prachtig als een emotioneel rommeltje.

Uit dit fragment spreekt stiekem ook wat hoop, of in elk geval de belofte of mogelijkheid van iets positiefs. Die geestelijke verstopping van eerder en die klomp hier keren vaker terug. Maar we zien hier ook een uitweg: als die klomp eindelijk smelt, levert het waarschijnlijk een waardevolle tekst of melodie op. Wittgenstein wist dat hij zich door dit soort periodes en gevoelens heen kon worstelen, en dat er dan weer iets goeds zou komen.


Facsimile van Wittgensteins aantekeningen.
Transcript van die aantekeningen.
Denkbewegingen. Dagboeken 1930-32 / 1936-37 – Ludwig Wittgenstein, vertaald door Wilfred Oranje, Uitgeverij Boom 1999.

Lees ook:

Posted by Thomas in Zinnenjacht
Strepen in boeken

Strepen in boeken

Mag je strepen in boeken?

‘Ik wil kunnen zien dat het jóúw boek is.’

Tekendocent Joke

Tijd om vals te spelen. Dit keer bespreek ik (niet echt) een zin, maar een leesgewoonte. Een leesgewoonte die blijkbaar allerlei emoties losmaakt en waar iedereen wat van vindt. 

De aanleiding is dat deze week bij mij een boek van Diderot werd bezorgd, een deeltje uit de luxueuze Franse reeks ‘La bibliothèque de la Pléiade’. Die Pléiade-deeltjes zijn klassieke teksten, mooi gebonden, met een leren omslag, vaak nog een beschermende plastic kaft eromheen en soms zelfs een cassette. Met zorg uitgegeven dus én vaak tweedehands nog in goede staat.

Maar toen ik wat zat te bladeren en de dundruk bladzijdes voorzichtig omsloeg, zag ik dat een voorganger flink had zitten strepen in dit boek. Met dikke, rommelige potloodstrepen. En zelfs met een vlekkerige balpen, al waren die strepen netjes langs een lineaaltje of boekenlegger getrokken. Maar met een balpen… Dat voelde toch een beetje alsof ik een gedragen onderbroek had ontvangen. 

Wat doe je met zulke frustratie? Op naar Twitter!

Lijfstraf of gebruiksvoorwerp?

Wat vinden we van mensen die met een balpen in boeken strepen? Zoals wel vaker, bleken er twee kampen te zijn. Plus natuurlijk dat gebruikelijke clubje verhevenen die elk oordeel hierover überhaupt belachelijk vonden.

Het ene kamp: schande! misdaad! doodzonde! Bijbehorende oplossingen: cancellen, celstraf, lijfstraf of het meer in met een gewicht aan de voeten. Over het gebruik van een lineaaltje of boekenlegger lopen de meningen in dit kamp uiteen. Penstrepen zijn nog verwerpelijker dan potloodstrepen.

Het andere kamp: prima! doe ik ook! zet je naam er dan ook bij! Umberto Eco en Stephen Fry moedigen het aan. Zelfs strepen met zo’n felgele marker zijn prima. Sommige boeken worden zelfs in stukken gesneden of gescheurd, om gewicht te sparen op reis. Uitgangspunt is dat een boek een gereedschap of op z’n minst een gebruiksvoorwerp is.

De streper: de ander

Zelf voel ik voor beide kampen. In mijn Diderot-boek had ik die strepen en vlekken toch liever niet gezien. Nog los van de esthetische overweging: het gaat mij afleiden bij het lezen. Al zou het natuurlijk kunnen dat die streper veel meer van de tekst begrijpt dan ik. Dan zou ik er mijn voordeel mee kunnen doen. Maar toch: dat anderen in boeken strepen, dat vind ik meestal maar niks als ik ze zelf nog wil lezen.

Uitzonderingen daargelaten. Marginalia in historische werken vind ik prachtig. Toen ik voor mijn vertaling van De stralende wereld van Margaret Cavendish in de Leidsche universiteitsbibliotheek een kijkje nam in een 17e-eeuwse uitgave, vond ik daarin handgeschreven correcties en zelfs een vingerafdruk van Cavendish zelf. Met inkt. Geweldig!

Zelf strepen

Zélf strepen trekken in mijn eigen boeken, ja dat is ook weer een heel ander verhaal. Ik zou haast zeggen: als je niet hebt gestreept en gekrabbeld, heb je een boek niet echt gelezen. Twitteraars die het hiermee eens zijn, noemen grappig genoeg vaak iemand van wie ze dat hebben geleerd. 

Voor mij was die leraar tekendocent Joke op mijn middelbare school. Zij moedigde ons aan het eindexamencahier goed toe te takelen. Streep, maak (aan)tekeningen, stop er plakkertjes in; maakt niet uit hoe, maar verhoud je tot de tekst, maak hem je eigen, denk er zelf over na. Aan het eind van de periode mag hij er niet meer nieuw uitzien. ‘Ik wil kunnen zien dat het jóúw boek is.’ Het idee erachter is vast dat je daardoor actiever leest en waarschijnlijk ook beter leest en leert.

Persoonlijke voorkeuren

Elke lezer heeft daarbij zijn eigen voorkeuren en maniertjes. Zo streep ik zelf graag met potlood, want dan kun je altijd nog iets weghalen dat later toch niet klopte of belangrijk bleek. En omdat ik vaak lees in de trein, ben ik eraan gewend om mijn strepen te trekken langs een boekenlegger: ik wil een simpele streep, geen seismograaf. (Dus niet denken dat ik een psychopaat of seriemoordenaar ben a.u.b.) 

Ik heb wel m’n eigen symbooltjes voor in de kantlijn, maar ben nog best een brave streper. Mocht een ander mijn boeken na mij lezen, dan kan hij in principe al die streepjes en symbooltjes uitgummen. Het is misschien een illusie te denken dat iemand ooit daadwerkelijk die moeite gaat nemen, maar het idee helpt me minder terughoudend te zijn met krabbelen. Zo zadel ik niemand ongevraagd op met mijn persoonlijke voorkeuren.

In mijn Pléiade-editie van Diderot zitten trouwens ook twee leeslinten. Die verraden soms ook een voorkeur van de vorige lezer. Maar dan veel subtieler, want ik hoef maar een lintje te verplaatsen of die persoonlijke touch is voor eeuwig weg. Het tweede leeslint zit nu bij het begin van Sur les femmes en dat verhaal begint met de volgende woorden ‘J’aime Thomas’ – ik houd van Thomas. Vorige lezer: alles vergeven.


De bewuste tweet en alle reacties erop.
• Meer over van De stralende wereld van Margaret Cavendish en specifiek over mijn vertaling van deze wonderlijke utopie.

Lees ook:

Posted by Thomas in Zinnenjacht
Olga Tokarczuk: Kille ironie is een laffe houding

Olga Tokarczuk: Kille ironie is een laffe houding

Kille ironie is een laffe houding:
Olga Tokarczuk

‘Het is een heel laffe houding om alles belachelijk te maken, op alles neer te kijken, je nergens betrokken bij te voelen, je nergens mee verbonden te voelen.’

Olga Tokarczuk, vert. Charlotte Pothuizen en Dirk Zijlstra

De hoofdpersoon van Jaag je ploeg over de botten van de doden van Nobelprijswinnaar Olga Tokarczuk is, net als die titel, een tikje eigenaardig. Janina Duszejko is een vrouw op leeftijd, woont op het platteland van Zuid-Polen, geeft enorm om de dieren in het gebied en is ervan overtuigd dat de plaatselijke politiechef haar ziet als ‘gek wijf’ of ‘gestoorde ouwe taart’. 

Niet geheel zonder reden. De titel is ontleend aan een gedicht van William Blake, wiens bizarre spreuken te pas en te onpas door Duszejko worden aangehaald. Daarnaast is ze voortdurend in de weer met astrologie. Nou, dat zijn zomaar een paar mooie ingrediënten om haar te zien als misschien niet gestoord, maar toch op z’n minst zonderling figuur. 

En er gebeuren vreemde dingen. Meerdere mannen uit de omgeving worden dood aangetroffen. Raadselachtige moorden. Hoewel ik het geen thriller vind (niet eng genoeg), is het wel een (sfeervolle, mooi aangeklede) whodunit. Met de ontknoping pas aan het eind, omdat de politie het onderzoek op een laag pitje zet, ondanks aandringen van Duszejko – de chef ziet haar immers als gestoorde ouwe taart.

Hoofd vol hoofdletters

Maar het leuke van dit boek is dat nou juist deze vreemde dame de verteller is. We zitten steeds in haar hoofd, beleven de gebeurtenissen vanuit haar en kennen haar gevoelens (grotendeels). Ze heeft steeds weer kleine Hypothesen of Theorieën, waarvan je denkt: creatief, aardig bedacht, maar zo zal het toch niet zitten. 

Die hoofdletters zijn trouwens een leuke vondst van Tokarczuk: zelfs de schrijfstijl van Duszejko is eigenaardig. Ze schrijft woorden voor dingen die haar aan het hart gaan steeds met hoofdletters, dus dus ‘Hypothese’ en ‘Theorie’ maar ook ‘Reeën’, ‘Dieren’, etc. Alsof ze het hoofdlettergebruik van Blake heeft overgenomen.

Onder die Theorietjes en Gedachtes zit zo nu en dan een opmerking die eigenlijk zo gek nog niet is. Ik heb Tokarczuk op mijn werk persoonlijk ontmoet en mocht twee non-fictieteksen van haar redigeren, en ik denk dat sommige van de uitspraken van de gekke Duszejko zo maar eens uitspraken van Tokarczuk zelf zouden kunnen zijn. (Er zit ook een bijpersonage in, de Schrijfster, dat ten minste deels een alterego van Tokarczuk moet zijn.) Al blijft het altijd riskant om een verteller of personage gelijk te stellen met een auteur. 

Kille ironie

Een van de mooiste gedachtes van Duszejko zette me aan het denken over de hele opzet van het verhaal. Op een dag komt de postbode langs, die Duszejko sowieso al niet mag vanwege diens afkeer voor haar geliefde hondjes. De postbode schampert en dan horen we wat Duszejko denkt:

‘Nou, hoe is het wonen in een ivoren toren, boven de hoofden van de gewone stervelingen, met je neus in de sterren?’ vroeg hij.

Daar heb ik de grootste hekel aan bij mensen: kille ironie. Het is een heel laffe houding om alles belachelijk te maken, op alles neer te kijken, je nergens betrokken bij te voelen, je nergens mee verbonden te voelen. Als een impotente die zelf nooit geniet, maar er alles aan doet om het voor anderen te verpesten. Kille ironie is het basiswapen van Urizen. Een wapen van onvermogen. Bovendien hebben ironici altijd een wereldbeeld waarmee ze triomfantelijk te koop lopen, hoewel dat, als je doorvraagt en naar de details informeert, uit trivia en banaliteiten blijkt te bestaan.

Goed, misschien een beetje overdreven als reactie op zo’n onbenullige opmerking van een postbode. Maar toch zijn dat goede opmerkingen over kille ironie. Qua stijl vind ik vooral dat ‘alles… alles… nergens… nergens…’ mooi. Eerst wat hij doet, dan wat hij níét doet. Vier keer benadrukt dat het een laffe houding is. 

Het zijn ook serieuze zinnen. Het enige dat verraadt dat ze van een vreemd typje zijn, is het zinnetje over het ‘basiswapen van Urizen’. Urizen is een figuur uit de mythologie van Blake die symbool staat voor de rede, het gezond verstand, alledaagse conventies. Zo’n opvallende, gekke uitspraak tussendoor brengt wat lucht in de zaak.

Warme ironie

Wat Tokarczuk erg goed lukt in Jaag je ploeg is de lezer (althans, mij) mee te nemen in de wereld zoals Duszejko hem ziet. Duszejko vertelt op een redelijk opgewekte, innemende toon, met liefde voor dieren en begrijpelijke woede als hun iets wordt aangedaan. Je kunt je inleven in haar frustraties.

Toch komt steeds die astrologie weer om de hoek kijken. Daar kan ik haar dan niet meer volgen en ontstaat er afstand tot de verteller. Dan wordt ze weer die vreemde oude vrouw, zoals andere personages haar zien. Maar dat blijft een empathische houding, geen afkeer, geen kille ironie, maar met een glimlach, met warme ironie. Tokarczuk laat je met warme ironie kijken naar haar hoofdpersoon.


Jaag je ploeg over de botten van de doden – Olga Tokarczuk, vertaald door Charlotte Pothuizen en Dirk Zijlstra, De Geus, 2021.

Het huwelijk van hemel en hel – William Blake, vertaald door Sylvia Koetsier, Bijleveld 2001.

• Afbeelding: uit Potok / Spoor (2017), Agnieszka Holland, de verfilming van Jaag je ploeg.

Lees ook:

Posted by Thomas in Zinnenjacht
Lachen met Gerard Reve

Lachen met Gerard Reve

Lachen met Reve

‘Zijn vader mengde de sla door persen met de vork met de aardappelen en moeste alles met de uien samen.’

Gerard Reve

Het moest er toch maar eens van komen. Dit jaar zag ik precies op tijd dat De avonden van Gerard Reve op 22 december begint en dat is het startschot voor veel mensen om het boek nog eens te lezen. Elke dag een hoofdstuk. Na een paar dagen lezen, had ik de hoop op een spannend avontuur wel opgegeven. Dat is ook niet de insteek van het boek. Wist ik eigenlijk wel. 

Reve zei zelf ooit: 

‘Het is de verveling en eentonigheid zo ingedeeld dat die verveling zelf zich niet alleen van de lezer meester maakt, maar ook een soort spanning oproept van “wat gaat er nou gebeuren?”, en er is toch wel een bepaalde ontwikkeling, een psychische ontwikkeling.’

Toch zijn de hoofdstukken net behapbaar genoeg om steeds weer een dagje door te lezen.

Maar ik begon me wel af te vragen wat er nou precies zo goed is aan de stijl van het boek. Dus los van de insteek, sfeer, herkenbaarheid, etc. Kenners noemen latere boeken van Reve (met name Nader tot U) nog beter geschreven, maar De avonden was Reves doorbraak en ook dit boek wordt geprezen om de stijl. Wat maakt die zinnen van Reve dan zo goed? 

Sobere techniek

Op het eerste gezicht zijn het namelijk vooral heel saaie, droge zinnen. Beschrijvend, doorgaans kort, geen opvallende beeldspraken, geen al te gekke woorden. Hoogstens hier en daar wat afwijkende spelling, zoals ‘bioskoop’, ‘intellektueel’, ‘Kastrikum’, ‘snachts’ en ‘bizonder’. Maar ‘bizonder’ gebruikte bijvoorbeeld Nescio ook, dus dat is niet typisch Reve. 

Reve zelf omschreef zijn stijl als een ‘heel sobere techniek’. Ook Simon Vestdijk (die zelf vaak in een haast tegenovergestelde stijl schreef) omschreef zo de stijl van De avonden:

‘​​Sobere stijl, zin voor détaillerende karakteristiek, reële en welverzorgde dialoog […] zouden niet voldoende zijn deze roman de renommée te verschaffen, die hij reeds in kleine kring verwierf.’

Vestdijk prees het boek vooral om het slot en de bevrijdende humor: 

‘Twee elementen zijn het, die Van het Reve glansrijk hebben behoed voor een afglijden in grauwe alledaagsheid: zijn bevrijdende humor, die, van een zeer persoonlijk cachet, vooral op de lange baan werkzaam is (de eindeloos herhaalde gesprekken over kaalhoofdigheid b.v., maar er zouden fijnere voorbeelden te geven zijn), en de religieuze apotheose aan het slot’

Mompelen in hoog register

Naast de grapjes – niet alleen over kaalhoofdigheid, maar ook meer morbide anekdotes over kinderen die op gruwelijke wijze aan hun einde komen die Frits vertelt onder het motto ‘lekker zielig’ – zit er nog een andere vorm van humor in De avonden. En die heeft dan weer te maken met de schrijfstijl.

Hoofdpersoon Frits Egters voorziet zijn eigen observaties van commentaar. Soms in gedachte, soms hardop, vaak mompelend. Soms als een weerbericht, soms een zelfbedacht quasi-filosofisch aforisme, vaak iets uit de Bijbel of wat daar op lijkt. Dat commentaar komt dan in een hoog register, in gezwollen taal, bombastisch. Het contrast met de sobere, zakelijke beschrijvingen van de meest onbenullige gebeurtenissen is geestig. 

Vaders praktijken

Neem een van de beschrijvingen van het avondeten met zijn ouders. Frits woont nog bij zijn ouders in huis en ergert zich voortdurend aan hen. Aan grotere dingen (de ruzies die ze hebben) maar ook aan kleine maniertjes (slurpen bij het drinken, smakken bij het eten). Bij een van die maaltijden lezen we dit:

‘Zijn vader mengde de sla door persen met de vork met de aardappelen en moeste alles met de uien samen. “God, almachtige, zie onze daden en beproevingen,” zei Frits bij zichzelf, naar de hand kijkend, die de vork gestaag op en neer bewoog.’ 

Prozaïsch en dan bombastisch. 

Die eerste zin lijkt zelfs een beetje extra klungelig geformuleerd. Er staat bijvoorbeeld niet ‘Vader prakte de sla, aardappels en uien’, wat in feite op het zelfde neerkomt. Reve kiest voor ‘persen met de vork’ – dan krijg je dus drie keer ‘met de’ – en hij kiest voor ‘moesen’, wat ook een beetje vies klinkt. (Volgens Van Dale is het trouwens ‘moezen: tot moes ma­ken, prak­ken, iets door el­kaar moe­zen’.) 

Eigenlijk niet heel gek, aardappels met uien mengen. (Ik zou persoonlijk die sla erbuiten houden.) Alleen als je het zo opschrijft, voel je iets van de walging van Frits. Toch is de beschrijving nog best zakelijk: er staat niet bijvoorbeeld ‘luid smakkend plette vader met zijn vettige vork de lauwwarme aardappels en aangebrande uien tot een viesbruine, weerzinwekkende drek’. 

Maar al het zakelijke verdwijnt in de tweede zin. Een plechtig aanroepen van de almachtige God. Wie haalt het nou in z’n hoofd om het over ‘onze daden en beproevingen’ te hebben als iemand gewoon zijn aardappels zit te prakken? Een absurde uitspraak, een botsing van registers, een grappig contrast.

Bevrijding?

Frits neemt het vervolgens op voor zijn moeder, die de maaltijd heeft bereid. Tevergeefs, want zijn dovige vader verstaat het niet. Er zit dus weldegelijk betekenis in deze op het oog onbeduidende scène (nog even los van alle associaties en symboliek bij ‘vader’ en ‘God’). 

Die gezwollen taal heeft dus iets grappigs, maar ook iets heel treurigs. Als een situatie Frits te veel wordt, grijpt hij erop terug. In dit geval lijkt het een enorme overdrijving van de afkeer die hij voor (de praktijken van) zijn vader voelt. Zo gaat het steeds met de humor in De avonden. Er valt wel wat te lachen, maar luchtig is het niet. Ik vraag me af hoe bevrijdend dat is.


De avonden. Een winterverhaal – Gerard Reve, De Bezige Bij 1947/2004.

• Gerard Reve leest De avonden, mp3 via Internet Archive.

Interview met Reve, ‘De Creatie’, RVU, 20 december 1988.

Vestdijk over Gerard Reve.

• Afbeelding: uit De avonden, verfilming Rudolf van den Berg, 1989.

Lees ook:

Posted by Thomas in Zinnenjacht
Peter Freuchen: schrijven als een zeebonk

Peter Freuchen: schrijven als een zeebonk

Schrijven als een zeebonk:
Peter Freuchen

‘Onmiddellijk daarop wordt de vredige, rustige grot veranderd in een rumoerig krankzinnigengesticht – het gebrul van de mannetjes klinkt op in donkere golven van geluid.’

– Peter Freuchen, vert. H.P. van den Aardweg en F.E. Breitenstein.

Peter Freuchen (1886-1957) was een Deense avonturier en ontdekkingsreiziger. Hij nam deel aan expedities naar Groenland, Noord-Canada, Alaska en Siberië, ontsnapte uit een ijsgrot door zijn eigen uitwerpselen te gebruiken en moest zijn voet amputeren om te overleven. Daarna schreef hij boeken, krantenartikelen en een toneelstuk, acteerde hij in een film, en hield hij lezingen over zijn reizen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog streed hij voor de sociaaldemocratie en tegen de nazi’s, en ontvluchtte hij de Deense bezetting in een houten kist. In Amerika won hij ooit 64.000 dollar in een tv-quiz – het onderwerp was ‘de zeven zeeën’.

Kortom, iemand die met recht aanspraak kon maken op de bijnamen ‘de zwervende viking’ en ‘de interessantste man op aarde’. Kijk nou naar deze foto van hem en zijn vrouw Dagmar. Echt een beeld dat tot de verbeelding spreekt van iemand die vroeger ontdekkingsreiziger wilde worden. En zo iemand ben ik.

Spannende verhalen

Een paar jaar geleden kocht ik een van Freuchens boeken, Peter Freuchen’s Boek van de Zeven Zeeën, in 1959 vertaald door H.P. van den Aardweg en F.E. Breitenstein. Ik hoopte de spannende avonturen uit zijn levensschets in even spannende verhalen terug te lezen. 

Om het vuistdikke boek dat met de post kwam, zit nog een gehavende stofomslag met daarop een foto van Freuchen die (met zijn jaloersmakende witte, wollen trui en zijn even jaloersmakende witgrijze baard) als een soort kapitein Iglo over een enorme globe hangt. De bladzijdes zijn van mooi dik papier, en de letters en kleine illustraties zijn kraakhelder gedrukt. So far, so good. 

Al snel bleek dat dit geen verslag is van bloedstollende expedities, geen heldenverhaal met beproevingen. Eerder een soort encyclopedie met feitjes over verschillende typen golven, zeedieren en schepen, inclusief nauwkeurige beschrijvingen van lengte, breedte, hoogte en diepgang. Non-fictie, geen meeslepende vertelling.

Maar erger nog was de schrijfstijl. Allerhande feiten opgediend op quasi-poëtische, persoonlijke toon. Neem dit stukje uit het begin:

‘Iedereen gevoelt zich zwak en onmachtig wanneer hij de kracht der zeeën aanschouwt. […] Wij weten veel meer van de zee af dan die oude volken, maar wij staan nog altijd aan de kusten, deemoedig in onze onwetendheid, als wij de golven van een onstuimige oceaan zien aanrollen.’ 

Ugh. Was dit nu die stoere avonturier die nota bene journalist en schrijver werd? Freuchens boek belandde gauw onderin de kast. En dat was een vergissing.

Een zeebonk vertelt

Toen ik laatst het stof van het boek afblies en er wat in zat te bladeren, bleek er toch wat te genieten. Niet dat al die afmetingen van schepen me nu ineens wel intereseren, maar die schrijfstijl wel. Want is dit niet precies wat je verwacht van zo’n oude zeebonk?

Hier schrijft iemand die weliswaar de barste omstandigheden heeft overleefd, maar ook iemand die enorm zit te keuvelen. Een man van zeventig die de raarste dingen heeft meegemaakt en ervoor is gaan zitten dat naar hartelust op papier te zetten. Het Boek van de zeven zeeën is zijn laatste boek: sterker nog, drie dagen nadat hij het voorwoord voltooide, overleed Freuchen.

Er spreekt rust uit de tekst. Het tempo ligt laag. Freuchen vertelt een beetje als een opa aan zijn kleinzoon: hij legt uit hoe de wereld en het hele zeegebeuren werkt, tot in de kleinste details, met zekerheid, autoriteit en af en toe een verhaaltje of eigenaardigheid. 

De Geschilderde Grot

Die quasi-poëtische toon kan ik nog steeds niet serieus nemen, maar ik kan er nu wel van genieten. Freuchen vertelt met plezier en probeert het vaak net wat mooier te vertellen dan nodig is. En hij heeft zo zijn stokpaardjes. 

Bijvoorbeeld zijn favoriete grot:

‘De grotten verschaffen een geheimzinnig en wonderbaarlijk vertoon van de werking van de zee. Een van de grootste en door mij meest geliefde grotten – hoewel zij voor de toeristen niet die attractie is, welke zij verdient te zijn – is aan de noordkust van het eiland Santa Cruz.’

Zo gaat hij nog een alinea door over deze ‘Cueva Pintada of Geschilderde Grot’, ‘ontdekt in het jaar 1542 door een koene spaanse zeevaarder, Juan Rodriquez Cabillo’ enzovoort en zo verder. Maar dát hij een favoriete grot heeft… En toegegeven, het is een wonderlijke grot, als we de plaatjes op internet moeten geloven.

Zeeleeuwenseks in Californië

Freuchen vermeldt ook dat ‘de mensen deze grot niet zo goed kennen als zij behoren te doen’ door de vele zeeleeuwen die er bivakkeren.

Verderop in het boek komt Freuchen daarop terug, in het hoofdstukje ‘Hofmakerij in de zee’ – een titel precies in de brave, beheerste maar toch ook enthousiaste stijl van Freuchen. En let op wat hij dan schrijft over zeeleeuwen:

‘Zeeleeuwen zijn werkelijk typische dieren. […] Een van hun geliefkoosde paaigronden is de donkere, inwendige kamer van de Geschilderde Grot in Californië. Elke lente komen honderden mannelijke zeeleeuwen in deze kamer – die in de andere jaargetijden alleen bezocht worden door menselijke toeristen – en elk van hen zoekt voor zichzelf een speciale plaats. Daar blijven zij liggen tot de vrouwtjes komen. Onmiddellijk daarop wordt de vredige, rustige grot veranderd in een rumoerig krankzinnigengesticht – het gebrul van de mannetjes klinkt op in donkere golven van geluid.’ 

Weer datzelfde knipoogje over toeristen, waaruit zijn enthousiasme voor die wonderlijke grotten klinkt.  

En daar is dan onze zin. ‘De vrede wordt verstoord’: ik denk dat er geen natuurdocumentaire te vinden is waarin er niet op enige moment een vrede wordt verstoord. Typisch trucje om een beetje spanning in het natuurgedoe te krijgen. De rust verandert in rumoer; de grot verandert in een krankzinnigengesticht. 

In de tweede helft van de zin lezen we wat er echt aan de hand is: de mannetjes brullen. In feite zouden die drie woordjes volstaan als beschrijving. Maar in deze zin begint Freuchen weer poëtisch te worden, dus klinkt het gebrul op in ‘donkere golven van geluid’. Eerlijk gezegd vind ik dat niet eens zo’n lelijke beeldspraak. Beter dan die van het krankzinnigengesticht die niet alleen een beetje afgezaagd is, maar sowieso dubieus. En ‘donkere golven’, dat is helemaal niet zo gek als het om een grot in zee gaat. 

Hoe meer ik erin lees, hoe meer ik ervan overtuigd raak dat de aanprijzing op de flap ergens toch wel klopt: ‘Als resultaat van vele jaren van navorsing en onderzoekingen is dit waarlijk een schitterend boek!’


Boek van de zeven zeeën – Peter Freuchen en David Loth, vertaald door H.P. van den Aardweg en F.E. Bretenstein, A.J.G. Strengholt, 1959.
• Peter Freuchen in de quiz The $64,000 Question (video).

Lees ook:

Posted by Thomas in Zinnenjacht
Mary Shelley: topzin in een over de top alinea

Mary Shelley: topzin in een over de top alinea

Een topzin in een over de top alinea
Mary Shelley

‘We are told by the wisest philosophers of the dangers of the world, the deceits of men, and the treason of our own hearts: but not less fearlessly does each put off his frail bark from the port, spread the sail, and strain his oar, to attain the multitudinous streams of the sea of life.’

We worden door de wijste filosofen gewaarschuwd voor de gevaren in de wereld, de listen der mensen en het verraad van ons eigen hart; maar eenieder duwt niet minder onbevreesd zijn kwetsbare scheepje af uit de haven, hijst de zeilen en heft de riemen, om de vele stromen van de zee des levens te bereiken.

Mary Shelley, eigen vertaling

Van alle romans die je kunt lezen tijdens de coronapandemie is The Last Man (1826) van Mary Shelley niet bepaald de vrolijkste. Het verhaal in een notendop: een geheimzinnig en enorm besmettelijke infectieziekte duikt op in het Oosten en raast binnen no time over de wereld om vele levens te eisen. Klinkt bekend? 

Maar The Last Man gaat niet echt over de ziekte. Het draait eerder om verlies, hoop, eenzaamheid en overleven. Shelley schreef het verhaal nadat ze haar man Percy Shelley, meerdere kinderen en vrienden was verloren. Ze voelde zich daardoor zo alleen als de laatste mens op aarde. Het boek is een sleutelroman: haar man stond model voor Adrian, vriend Lord Byron stond model voor Lord Raymond, en met hoofdpersoon Lionel Verney schiep Shelley een alter ego.

De gevaren van varen

In de zomer van 1822 verbleven Mary en Percy aan de Italiaanse kust en besloot Percy, ondanks slechte weersverwachtingen, te gaan zeilen in de baai van La Spezia. Hij belandde in een storm en verdronk. Tien dagen later spoelde zijn lichaam aan op het strand. Aan het eind van The Last Man, in een aangrijpende scène, komt ook Adrian om het leven in een storm op zee.

Ook in onze zin duikt het varen op, nu als iets ruimere metafoor voor het leven. Hij komt uit het begin van het verhaal. Lionel, een eenvoudige jongen van het platteland, is opgeklommen in de Engelse elite en staat op het punt een echte functie te krijgen als ambassadeur in Wenen. Een spannend en vrolijk moment dus.

Over de top

Zoals vaker gaat Shelley (net als andere Romantische auteurs) bij emoties vol op het orgel. Soms werkt dat goed, bijvoorbeeld in de scène waarin Raymond in een brandend Constantinopel aan zijn einde komt. Hier niet. Na onze zin volgt dit:

How few in youth’s prime, moor their vessels on the ‘golden sands’, and collect the painted shells that strew them. But all at close of day, with rive planks and rent canvas make for shore, and either wrecked ere they reach it, or find some wave-beaten haven, some desart strand, whereon to cast themselves and die unmourned. A truce to philosophy! – Life is before me, and I rush into possession. Hope, glory, love, and blameless ambition are my guides, and my soul knows no dread.

Hoe weinigen in de bloei van hun jeugd meren hun schepen af op de ‘gulden stranden’ om de gekleurde schelpen waarmee die bezaaid zijn te verzamelen. Maar allen proberen aan het eind van de dag met gespleten planken en gescheurde zeilen de kust te bereiken, en leiden schipbreuk voor ze hem bereiken of belanden in een baai waar de golven tegen de kust beuken, een verlaten strand waarop ze zich neerwerpen en sterven zonder dat iemand om ze rouwt. Laat de filosofie nu met vrede! – Het leven ligt voor me en ik haast me het in bezit te nemen. Hoop, glorie, liefde en schaamteloze ambitie zijn mijn leidsels, en mijn ziel kent geen schrik. (eigen vertaling)

En dat gaat zo nog een paar zinnen door, met citaten van Euripides, de Bijbel en Horatius. Naar mijn smaak over de top en te vertellerig.

Contrast en balans

Wat Shelley hier wél mooi doet, is het contrast schetsen tussen wijze waarschuwingen van filosofen enerzijds en anderzijds de jeugdige overmoed en de zee des levens. Dat past heel goed op dit punt van het verhaal. Lionel weet dat er gevaren op de loer liggen in zijn nieuwe leven, maar staat toch te popelen.

De zin valt uiteen in twee helften, met de dubbelepunt als scheiding. Aan beide kanten vinden we een opsomming van drie onderdelen: ‘dangers’, ‘deceits’, ‘treason’ tegenover ‘put off his bark’, ‘spread the sail’, ‘strain his oar’. Mooi in balans.

Echt goed wordt de zin wat mij betreft door de metafoor van het varen en dan vooral vanwege de persoonlijke betekenis die dat had voor Shelley. Als het zomaar een metafoor was geweest voor het leven dan was het misschien een cliché, maar nu verwijst hij (denk ik) naar een concreet drama. Die voorbode van onheil juist op zo’n jubelmoment maakt het extra wrang.

Iets met riemen

Maar hoe werkt het beeld precies en wat beschrijft Shelley hier letterlijk? Wat is een ‘frail bark’ en wat betekent ‘strain his oar’? 

Als mijn interpretatie klopt en we deze zin kunnen associëren met de dood van Percy Shelley, hebben we misschien een aanknopingspunt voor het vaartuig. Mary schreef in een brief aan een vriendin dat het scheepje van Percy een prachtig exemplaar was. Ze schatte het op iets meer dan 7 meter lang en 2,5 meter breed. Een beste zeilboot dus, maar in een storm op zee toch een kwetsbaar scheepje.

Zo’n boot kun je afduwen, dan trek je het zeil omhoog en dan doe je iets met de roeispanen. Alleen wat precies? Als het zeil omhoog is, hoef je niet meer te roeien, zou ik zeggen. Inhalen dus? Of wegleggen? Binnenboord halen? Maar volgens vriend J betekent ‘to strain an oar’ ergens je best voor doen, spanning op de riemen zetten. Dus juist het tegenovergestelde van wegleggen.

Hier schiet mijn nautische kennis tekort, maar De scheepsjongens van Bontekoe biedt een paar mogelijkheden: pak de riemen, grijp de riemen, trek aan de riemen en, de mooiste, hef de riemen. Volgens Van Dale betekent ‘hef de riemen’ niet alleen ‘drink je bier op’, maar is het ook een ‘uit­roep van bal­da­dig­heid, over­moe­dig­heid’. Past perfect bij de situatie van Lionel in onze zin!

Uiteindelijk is het Adrian die verdrinkt en niet Lionel. Op de laatste bladzijde zien we Lionel, alleen als de laatste mens op aarde maar op zoek naar andere mogelijke overlevenden, in een ‘tiny bark’ wegvaren. Hoe eenzaam dat ook lijkt, niet alle hoop is verloren.


The Last Man – Mary Shelley, Oxford UP, 1994. 
The Sinking of the “Don Juan” Revisited – Donald B. Prell in Keats-Shelley Journal, 2007. 
De scheepsjongens van Bontekoe – Johan Fabricius via dbnl.org. 
• Afbeelding: A Sailing Boat at Sea – J.M.W. Turner, via Tate.

Lees ook:

Dit profiel over Mary Shelley dat ik schreef.

Posted by Thomas in Zinnenjacht
Briefjesruzie

Briefjesruzie

Een briefjesruzie achter het raam

DE NIEUWE EIGENAAR
IS NIET VERANTWOORDELIJK
VAN HAAR OP–––––
PRAKTIJKEN

Steed Ramjiawan

Mijn blogberichten gingen tot nu toe over literatuur, hoogstaande zinnen uit klassiekers. Voor de verandering leek het me leuk om eens een zin te pakken uit de ‘echte wereld’. Er gaat qua taal van alles fout in deze zinnetjes, maar wel goed fout: ze zijn eigenaardig, hilarisch, lijken authentiek en tonen veel over het karakter van de schrijver, kortom, ze passen hier perfect. Zo gebruiken echte mensen echte taal. Goed fout.

Totale uitverkoop

In de Korte Poten in Den Haag zat jarenlang het curieuze winkeltje Galerie Boeddha. In de schaduw van twee zware, zwarte luifels stonden steevast houten Boeddhabeelden, vogelkooitjes, manden, trommels en wierookhouders uitgestald. Binnen waren tientallen glazen stellingkasten volgestouwd met zilveren ringen en kettinkjes en oorbellen en broches, en nog meer wierookhouders en nog meer Boeddhabeelden, en spiegels die deze exotische verzameling sieraden en snuisterijen leken te vermenigvuldigen tot in het oneindige. 

Afgelopen jaar hingen er grote, felgekleurde banners op de zwarte luifels, met in kapitalen de onheilspellende woorden: ‘Totale – uitverkoop Alles moet weg’. Typisch zo’n verlokkelijk bedoelde boodschap om ook permanent Perzische tapijten mee aan te prijzen. Vaak gaat die totale uitverkoop jarenlang vrolijk door. Het zal zo’n vaart wel niet lopen met Galerie Boeddha, dacht ik dus.

Maar sinds een paar weken zijn de luifels ineens opgetrokken en de stellingkasten verborgen achter bruin pakpapier op de ramen. En tussen het pakpapier en het raam heeft iemand een paar handgeschreven briefjes geplakt, met een paar korte zinnen die samen een mysterieus en – voor de nietsvermoedende voorbijganger – geestig verhaal vormen.

Geachte klanten

Met onze zin bovenaan heb ik natuurlijk al verklapt waar dit heen gaat. Maar als je alleen het eerste briefje leest, is er nog niks geks aan de hand:

Geachte klanten
i.v.m. verbouwing zijn
wij tijdelijk gesloten
Ik hoop u snel weer te
ontmoeten.
Silvia Limpens en het team
          van Galerie Boeddha
              Namasté

Generieke zinnen met die quasi-vriendelijke toon die bedrijven wel vaker voor hun geachte klanten gebruiken. Iedere willekeurige winkel zou dit in principe kunnen ophangen. Pas bij ‘Galerie Boeddha’ en vooral ‘Namasté’ krijgen de zinnen ineens kleur. ‘Ontmoeten’ krijgt plots een zweverige bijklank. 

Een net bericht vraagt om wat correcties: komma achter ‘klanten’; ‘i.v.m.’ uitschrijven of vervangen door ‘wegens’; en een punt achter ‘gesloten’. En je zou kunnen zeuren over het inconsequente gebruik van enerzijds ‘wij’ en ‘het team’, en anderzijds ‘Ik’ en ‘Silvia Limpens’. Het briefje lijkt toch vooral een persoonlijke boodschap van Limpens te zijn en ik vraag me af of er überhaupt een team is. Verder prima.

Het team

Vlak daaronder hangen echter twee briefjes die de zaak in een heel ander daglicht plaatsen. Eerst het korte, maar duidelijke statement ‘STEED RAMJIAWAN IS AAN HET VERBOUWEN’. Dat vind ik op zich al grappig. Doordat Steed Ramjiawan over zichzelf schrijft in derde persoon ontstaat er een vreemde afstand tot de toch serieus bedoelde boodschap. En nu ik er nog eens goed naar kijk, verwijst Ramjiawan naar het briefje van Limpens, die al schreef over een verbouwing: laat duidelijk zijn wíé die verbouwing eigenlijk aan het doen is!

Ook is een passieve constructie in zo’n geval veel gepaster, iets als ‘Dit pand wordt verbouwd door…’, ‘Deze locatie wordt beheerd door…’, ‘Deze winkel wordt bewaakt door…’. Nu ligt de nadruk niet op het pand maar op dat wat Ramjiawan aan het doen is. Soms kan dat handig zijn (‘Ben aan het lunchen, zo terug’) maar hier klinkt het raar. Je vraagt je af: nou en? dus? wat nu?

Sowieso vind ik het van een fantastische kinderachtigheid getuigen dat Ramjiawan ervoor heeft gekozen het briefje van Limpens te laten hangen en in het volle zicht van alle voorbijgangers met haar de strijd aan te gaan via eigen briefjes. Had niet gehoeven. Als hij de zeggenschap heeft over het pand, waarom heeft hij dan dat briefje van Limpens niet gewoon weggehaald?

En dan komt het mooiste. In kapitalen, die waarschijnlijk enige woede van de auteur op het moment van schrijven verraden, staat op het tweede briefje van Ramjiawan:

BENT U BENADEELD
DOOR SILVIA LIMPENS
OF HEEFT U EEN
TEGOEDBON
BEL: 06––––––
DE NIEUWE EIGENAAR
IS NIET VERANTWOORDELIJK
VAN HAAR OP––––––
PRAKTIJKEN
STEED RAMJIAWAN

Zou Ramjiawan eerst ook deel hebben uitgemaakt van ‘het team Galerie Boeddha’? De site van de galerie is offline, maar nog wel terug te vinden. Daarop staat: ‘De eigenaren bezochten ruim 35 jaar geleden het Aziatische continent en raakten geïnspireerd door de levenswijze van de boeddhisten en de Aziatische cultuur.’ Waren Silvia en Steed soms samen die eigenaren? Of misschien wel meer dan dat? En wat is er eigenlijk nog over van die boeddhistische inspiratie…

Briefjesruzie

Bij ‘benadeeld’ is er ineens spanning. Hier is sprake van een briefjesruzie. Ik weet niet of Ramjiawan gelijk heeft in dezen (het telefoonnummer laat ik dus weg). Maar lees het briefje van Limpens nu nog eens terug: dat moet in zijn ogen een soort Newspeak zijn. Als Limpens haar klanten inderdaad moedwillig benadeelde, klinkt die vrolijk-vriendelijke toon en dat ‘namasté’ – ‘ik buig voor jou’ – toch een stuk minder oprecht.

Maar de laatste zin vind ik het mooist. In de verschrijving ‘verantwoordelijk van’ in plaats van ‘voor’ lees ik opnieuw woede van de auteur. Als je boos bent en snel een briefje schrijft om op het raam te plakken, natuurlijk schrijf je dan geen correct zin!

Tot slot lezen we waar de ruzie waarschijnlijk om draait. Althans, we lezen het eigenlijk net niet, want (het kan nóg kinderachtiger! heerlijk!) er zit een bonnetje geplakt over het briefje van Ramjiawan. Er stond ‘oplichtingspraktijken’ en een uitroepteken. Dat ging iemand kennelijk te ver. Maar als Steed Ramjiawan hier verbouwt en het laatste woord heeft, wie heeft dan dit censurerende bonnetje opgeplakt?!


Lees ook:

Posted by Thomas in Zinnenjacht
Europees wandelen volgens George Steiner

Europees wandelen volgens George Steiner

Wandelen met George Steiner

Maar het zijn deze zwerftochten, met hun zijpaden, hun abrupte verandering van route en tred, die we weerspiegeld zien in de syncopen van zijn proza.

But it is these rambles, with their diversions, their abrupt changes of itinerary and gait which are reflected in the syncopations of his prose.

George Steiner, vertaling Peter Bergsma

Binnenkort verschijnt er een herdruk van De idee Europa, een geliefd essay van George Steiner (1929–2020). Steiner groeide op in Parijs als zoon van Joodse Oostenrijkers, vluchtte naar de VS voor de Tweede Wereldoorlog, en werd beroemd als erudiet literatuurwetenschapper en criticus. De tekst is de weerslag van een lezing die hij in november 2003 gaf speciaal voor het Nexus Instituut, waar ik nu werk als eindredacteur. De herdruk is een mooie gelegenheid om de tekst nog eens na te lopen.

Te voet door Europa

Een van de mooiste ideeën in het essay is dat Europa zich onderscheidt van andere continenten door de menselijke maat. Waar de landschappen van bijvoorbeeld Amerika, Azië en Australië te wijds en groot waren om te voet door te trekken, deden we dat in Europa wel, en dat had invloed op onze cultuur. Of zoals we in het hoge register van Steiner, in vertaling van Peter Bergsma lezen: ‘Bepaalde integrale componenten van het Europese denken en bewustzijn zijn qua cadans en sequentie die van de voetganger.’

Bezig met verwerken …
Gelukt! Je staat op de lijst.

Er zijn vast tegenvoorbeelden te vinden van voetreizigers op andere continenten. Maar vergelijk je Europese stadscentra met die van Amerika, dan zie je inderdaad vaak dat de Europese steden op voetgangers en de Amerikaanse steden op de auto zijn ingericht. Steiner merkt terecht op dat je als voetganger ziet dat de straten en pleinen hier in Europa vaak vernoemd zijn naar belangrijke personen en gebeurtenissen uit het verleden. (Steiner denkt hierbij aan zijn jeugd in Parijs, waar de straatnaambordjes met elkaar haast een heel geschiedenisboek vormen.) In de VS daarentegen zoef je langs boulevards en avenues die worden aangeduid met een nummer of hoogstens een generieke naam. 

Zoals vaker in zijn teksten, benoemt Steiner ook hier de zwartste kanten van Europa. Want het Europees continent werd ook ‘bewandeld’ door de legers van Alexander de Grote, in de napoleontische oorlogen en door de troepen van de Wehrmacht. Wat dat betreft onderscheidt Europa zich misschien niet fundamenteel van andere continenten, waar door de eeuwen heen volgens mij toch ook behoorlijk wat legers door het landschap hebben gemarcheerd.

Wandelend denken en schrijven

Los van de grotere culturele claims, vind ik dit een prachtig idee: het idee dat gedachtes worden beïnvloed door het landschap en dat je het wandelen echt terugvindt in teksten. Steiner noemt daarvan een aantal specifieke voorbeelden. Zo trok Wordsworth te voet door het Europese continent, waarover hij dichtte in zijn Prelude. Beroemd zijn daarnaast Immanuel Kant, die elke dag stipt op tijd zijn rondje door Koningsbergen liep, en Jean-Jacques Rousseau, die juist door de natuur trok als eenzame wandelaar.

Bij Kierkegaard wordt Steiner nog iets concreter:

‘De langdurige zwerftochten van Kierkegaard door Kopenhagen en zijn buitenwijken ontpopten zich als een openbaar spektakel en het voorwerp voor karikaturen. Maar het zijn deze zwerftochten, met hun zijpaden, hun abrupte verandering van route en tred, die we weerspiegeld zien in de syncopen van zijn proza.’

Je kunt tijdens het wandelen op goede ideeën komen, maar volgens Steiner zien we bij Kierkegaard het wandelen dus zelfs terug in zijn schrijfstijl. Fascinerend! Zou het echt?

Schrijden met Steiner

In Steiners eigen proza kun je, denk ik, ook een bepaalde manier van wandelen herkennen. Hij heeft bepaald geen schroom voor Griekse, Latijnse en Franse leenwoorden, grote statements of het noemen van allerlei namen en ideeën. Het zijn zinnen die je gemakkelijk kunt uitspreken – het gaat tenslotte om een lezing – maar wel in een rustig tempo. Als lezer word je door al die referenties ook uitgenodigd om niet al te snel te lezen, gedwongen soms een paar zinnen terug te lezen en uitgedaagd om verwijzingen na te zoeken. Ik denk dus aan rustig, elegant flaneren of langzaam, statig schrijden. Een oude heer die tijdens een loopje zijn eruditie tentoonspreidt. 

Onze zin is misschien zelf al een klein voorbeeld van de kwaliteit die Steiner signaleert in het proza van Kierkegaard. Met het stukje ‘met hun zijpaden, hun abrupte verandering van route en tred’ onderbreekt Steiner namelijk de hoofdboodschap ‘het zijn deze zwerftochten die we weerspiegeld zien in de syncopen van zijn proza’. Je kunt die bijzin dus zien als een zijpaadje; een klein zijpaadje en niet echt een abrupte verandering van route, maar toch.

Ritmisch ratelen 

Twee woorden vallen me vooral op: ramble en syncopation. Het Engelse werkwoord ‘to ramble’ betekent ‘doelloos van de ene naar de andere plek gaan’ – ronddolen in een stad, om zomaar, voor de lol te kijken wat er allemaal gebeurt, zoals Kierkegaard dus deed in de buitenwijken van Kopenhagen. Maar het betekent ook ‘ratelen’, praten of schrijven zonder duidelijk doel. In het Engels dus een perfect woord voor wat Steiner over Kierkegaard wil zeggen.

Van ‘syncopation’ is sprake als een ritme wordt verstoord; in muziek, maar ook in het ritme van een tekst. Een syncope is het weglaten van een klinker – zoals in ‘dapp’re strijders, fier en koen’ – maar ook het verschuiven van een accent in bredere zin. Ik denk dat Steiner bij Kierkegaard doelt op het laatste, gezien de ‘abrupte verandering van route en tred’ in onze zin.

Als we het wandelen van Kierkegaard willen herkennen in zijn schrijfstijl, is dit dus het haakje dat Steiner ons geeft. We moeten op zoek naar een verstoring van het ritme van Kierkegaards zinnen, een moment waar hij plots overstapt op een ander onderwerp, ineens een andere nadruk op iets legt, of misschien zelfs zijn zinnen korter of langer maakt. Dat is het punt waar Kierkegaards als het ware de hoek omslaat.


De idee Europa – George Steiner, vertaald door Peter Bergsma, Nexus Instituut, 2004/2021.

• Mijn bespreking van Prelude – William Wordsworth, vertaald door Jan Kuijper Athenaeum, 2020.

• Afbeelding: detail uit Rue de Paris, temps de pluie – Gustave Caillebotte, via Wikimedia.

Lees ook:

Posted by Thomas in Zinnenjacht
Sprankelend ochtenddenken: Bohumil Hrabal

Sprankelend ochtenddenken: Bohumil Hrabal



Dat sprankelende ochtenddenken:
Bohumil Hrabal

Zo mocht ik graag niet ontbijten, want als ik mijn maag gevuld had, dan werden ook mijn hersens met voedsel overvoerd en verdween dat sprankelende ochtenddenken, dat misschien juist voortkwam uit een gevoel van honger, misschien ook doordat ik in plaats van te ontbijten graag zwarte koffie dronk, twee, drie zware sigaretten rookte, pas op dat moment ontwaakte ik uit die nachten waarin ik altijd slecht slaap, zodat ik die ochtenden geen zin heb om te leven, geen zin heb om op aarde te zijn, pas die eerste sigaret brengt me die dag weer terug in het leven, van de tweede sigaret word ik altijd misselijk, bij de derde trek ik, ook al ben ik bruinverbrand, lijkbleek weg, maar dat is nu eenmaal mijn ritueel, dit was mijn ochtendritueel, mijn mis, ik slurpte langzaam van mijn koffie en ik rookte gretig, ik rookte net zoals er maar eventjes in de gevangenis gerookt mag worden… en terwijl ik rookte en koffiedronk, keek ik door het raam naar buiten, zomaar één of geen kant op, naar de hemel, ik staarde alleen maar zo’n beetje voor me uit en trachtte via deze manier van niet-trachten de nultoestand te bereiken, nergens aan te denken, alleen jezelf beluisteren en horen of zich daar niet een of ander motief aandient, of daar niet iets boven water komt, als een vlek op de waterspiegel van een oud vennetje, of er niet iets uit dat magazine van mijn denken en voelen en twijfelen, of zich daaruit niet iets openbaart, een eerste zin waarmee ik die grote trui van mijn tekst zou beginnen uit te halen, want schrijven, dat schrijven van mij begint met een eerste draad die ik vastpak, maar waarvan ik enthousiast weet dat als ik die door het oog van mijn schrijfmachine haal en als ik dan snel begin te typen, dat ik dan zo lang moet doortypen totdat ik een hele trui uit mijn onbewuste heb uitgehaald en op papier gezet.

Bohumil Hrabal, vertaling Kees Mercks

Zo. Die zin staat. Driehonderdzesentwintig woorden maar liefst. Toen ik dit blog begon, wist ik dat Bohumil Hrabal een keer aan de orde moest komen. Een schrijver die zinnen verzint die je uit duizenden herkent en waar ik vrolijk van word. 

Maar met welke zin van hem zou ik dan beginnen? Misschien met de eerste zin die ik van hem las, wat vermoedelijk ook zijn beroemdste zin is. Die zin is namelijk een heel boek, getiteld Danslessen voor gevorderden. Of anders gezegd: dat boek is één zin, een zin van een pagina of honderd. Ik kreeg het van L. voor mijn verjaardag en daarna wilde ik gelijk alles lezen van deze in Nederland niet heel bekende Tsjechische schrijver. 

Dat Danslessen uit slechts één zin bestaat is meer dan een gimmick of een geintje. Er zit een goed idee achter. Maar dat bewaar ik nog wel voor als ik over die zin schrijf.

De ochtenden

Van het weekend bladerde ik wat door de bundel Praagse ironie en kwam ik in het essay ‘Wie ik ben’ onze zin tegen. Een enorme zin, bijna een bladzijde lang. Maar vergeleken met Danslessen alsnog maar een kleintje. Dit moest de eerste zin van Hrabal worden om over te schrijven, want er zit niet alleen zo veel moois in, maar ik moest meteen denken aan een andere schrijver die een soortgelijk zo’n ochtendritueel had.

Paul Valéry schreef in zijn cahiers, zijn omvangrijke aantekeningenboekjes:

‘’s Morgens heb ik dit cahier met mijn sigaret nodig – en beide even nodig. Zonder dat lijd ik. Het cahier is een gekte, maar de gewoonte is zo oud en sterk dat de waarde van de dingen die uit de geest (nog half in slaap) naar de cahiers komen op zichzelf een gewoonte vormen.’

vertaling Jan Fontijn

Dat beeld van Valéry en Hrabal die met koffie en sigaretten de slaap verdrijven en zelfs hun slaperigheid inzetten voor hun schrijverschap vind ik erg mooi. En ze benadrukken beiden de regelmaat en de houvast die hun ochtendroutine biedt. Qua schrijfstijl verschillen ze trouwens als dag en nacht: Valéry schrijft puntiger dan Hrabal (maar ja, wie niet?). 

Onze zin is een typische Hrabal-zin. Het zijn gedachtes en indrukken op papier gekletst en aan elkaar geplakt. Je zou er zo meerdere zinnen van kunnen maken door hier en daar een punt te zetten. Maar juist doordat Hrabal dat niet doet, krijgen zijn zinnen hun levendigheid en spontaniteit. Want – dat is zo knap – de zin is niet loodzwaar, zoals je bij lange zinnen al snel hebt. En het is een grote verdienste van vertaler Kees Mercks dat dat in het Nederlands ook overkomt en dat je de weg niet kwijtraakt.

Herhalen, hernemen, tasten

Een van de trucs die Hrabal daarvoor vaak gebruikt, is een zinswending of woord herhalen. Kijk maar naar ‘ontbijten’, ‘koffie’, ‘sigaretten’ en ‘ik rookte’. Of neem ‘schrijven, dat schrijven van mij’: Hrabal schept daarmee in een paar woordjes een ironische afstand tot zijn werk en blaast tegelijk wat lucht in de zin. Denk het maar eens weg, dan wordt het meteen een stuk serieuzer en zwaarder. 

Hrabal herneemt ook zijn uitspraken, beschrijft ze verschillend, kiest andere woorden om bijna hetzelfde te zeggen, drukt zich net een tikje anders uit, verwoordt het op een andere manier. Bijvoorbeeld ‘geen zin heb om te leven, geen zin heb om op aarde te zijn’, ‘mijn ritueel, mijn ochtendritueel, mijn mis’, ‘of daar… of er… of zich’ en ‘dat als ik… als ik dan… dat ik dan…’. Hrabal is aan het tasten naar de juiste woorden en daar neemt hij de lezer in mee.

Truien typen

Dan zijn er nog die (vind ik) prachtige metaforen in het tweede deel van de zin. Want ’s ochtends koffie slurpen, sigaretten roken en uit het raam staren is één, maar dan moet er nog wel iets op papier komen. Daarvoor moet er eerst iets opborrelen, boven water komen uit het onbewuste. Dat is nog een beetje abstract en niet heel origineel, maar met dat ‘oude vennetje’ erbij is er ineens een concreet beeld. En ik weet niet wat er in het Tsjechisch staat, maar in het Nederlands lees je zo ‘oud ventje’.

Dat bassin van het onbewuste is dus, om er nog één watermetafoor tegenaan te gooien, het reservoir waar Hrabal uit put voor zijn teksten. Hij noemt het ‘dat magazine van mijn denken en voelen en twijfelen’. Ik vermoed dat we dat moeten lezen als het Engelse woord voor ‘magazijn’ of ‘opslag’. Dat zie ik wel voor me: rijen met schappen vol gedachtes, gevoelens en twijfels. Een kostbare schatkamer voor een schrijver.

Tot slot de trui. Het schrijven van een tekst is als het maken van een trui. Je breit, weeft of haakt gedachtes aaneen tot een tekst. Vooral het zoeken naar een beginnetje dat je dan als een draad door het oog van een naald probeert te krijgen, dat vind ik mooi. Er valt misschien wel iets op af te dingen, want als je een trui uithaalt of breit, haal je dan eigenlijk wel een draad door een oog? 

Hoe dan ook, het enthousiasme en het snel doortypen, dat zie je prachtig terug in de vorm van onze zin. Duidelijk geen confectie.


Praagse ironie – Bohumil Hrabal, vertaling Kees Mercks, Prometheus 2007.

Mijn bespreking van Cahiers – Paul Valéry, vertaald en ingeleid door Jan Fontijn, De Buitenkant 2017.

Verpletterde schoonheid – Bohumil Hrabal, vertaling Kees Mercks, Prometheus 1990/2002.

Lees ook:

Posted by Thomas in Zinnenjacht
Cyclopische zinnen: Elias Canetti over Karl Kraus

Cyclopische zinnen: Elias Canetti over Karl Kraus

Zinnen als cyclopische vestingen:
Elias Canetti over Karl Kraus

Uit deze als cyclopische vestingen geconstrueerde zinnen, die altijd precies in elkaar pasten, schoten plotseling bliksemschichten op, geen onschuldige, geen lichtgevende, ook geen bliksemschichten zoals op het toneel, maar dodelijke; en dit gebeuren van een vernietigende strafoplegging, dat zich in alle openbaarheid, in de oren van allen tegelijk afspeelde, had zoiets huiveringwekkends en overweldigends dat niemand bij machte was zich eraan te onttrekken.

Aus diesen wie zyklopische Festungen gefügten Sätzen, die immer genau ineinanderpaßten, schoß es plötzlich Blitze, nicht harmlose, nicht erleuchtende, auch nicht Theaterblitze, sondern tödliche; und dieser Vorgang der vernichtenden Strafe, der sich in aller Öffentlichkeit, in aller Ohren zugleich abspielte, hatte etwas so Schauriges und Gewaltiges, daß niemand sich ihm zu entziehen vermochte.

Elias Canetti, vertaling Theodor Duquesnoy

Misschien is het ook niet zo’n goed idee, vlak voor het slapen een essaybundel oppakken met de titel Het geweten in woorden. Het risico is dat je, als je denkt dat je op tijd in bed ligt om vroeg in slaap te vallen, iets leest waarover je aan het nadenken slaat, en dat je blijft piekeren en daardoor de slaap dan natuurlijk niet meer kunt vatten. Maar goed, toch las ik het essay ‘Karl Kraus’ van Elias Canetti vlak voor het slapen. En zo lag ik al snel te malen over wat ‘als cyclopische vestingen geconstrueerde zinnen’ precies zouden kunnen zijn. Die bleken de volgende dag iets heel anders te zijn dan ik zelf had bedacht.

Eerst wat context. In het voorjaar van 1924 gaf schrijver en satiricus Karl Kraus zijn driehonderdste lezing. In de Grote Zaal van het Weense Concertgebouw was Elias Canetti een van de aandachtige toehoorders. Het was de eerste keer dat Canetti Kraus in levenden lijve zag en bovendien de avond waarop hij zijn toekomstige vrouw ontmoette. Bijna zestig jaar later zou Canetti de Nobelprijs voor Literatuur winnen – een eer die Kraus niet ten deel viel, maar voor Canetti was Kraus een persoonlijke held. Een held die later van zijn sokkel viel, hoewel Canetti zich evengoed lovend bleef uiten over Kraus en hem eerde in meerdere essays.

De kracht van Kraus

Volgens Canetti was de kracht van Kraus ook zijn zwakte: zijn ongeremde en snoeiharde oordelen. Iets was goed óf fout, dat was duidelijk en er zat niks tussen. Typerend is wat een helderziende ooit tegen en over Kraus gezegd zou hebben: ‘Zijn taal en tong zijn als een mortier van 42 cm…’ Kraus had enorm veel haat in zich. Maar zijn absolute haat was gericht op de oorlog, en dat maakte hem voor Canetti tot een voorbeeld van iemand die stand had gehouden ‘tegen onze monsterachtige eeuw’.

Dat harde en uitgesproken oordelen waar Kraus zo beroemd en berucht om werd, vinden we ook terug in onze zin van Canetti. Die bliksemschichten zijn Canetti’s metafoor voor Kraus felle uitspraken. Je ziet hem zo voor je: als een donderende god die zijn vonnis velt.

Het is een beetje gissen wat die andere soorten bliksemschichten zijn. Een onschuldige bliksem, als dat geen oxymoron is, lijkt me een plaagstoot of een vilein grapje. Een lichtgevende (ik denk ‘verlichtende’) bliksem is misschien een inzicht dat je plots krijgt. Een toneelflits is misschien een kwinkslag, puur voor de show. Of misschien verwijzen ze naar niks concreets en noemt Canetti ze enkel om nadruk te leggen op de ernst van de veroordelingen van Kraus.

Na een flits volgt gedonder. Ook in de zin van Canetti, want hij benadrukt dat de vernietigende strafoplegging zich in de oren van allen afspeelde. Het gaat ook om een lezing, maar Canetti benadrukt vaker het auditieve aspect van Kraus – vooral het goede oor dat hij had voor taal, registers, dialecten en typische uitdrukkingen.

Cyclopische zinnen

Hoe zit het nu met die ‘cyclopische vestingen’? Een cycloop is natuurlijk een mythische reus met één oog. Is een cyclopische zin dan misschien een zin met een gat in het midden? Een zin die begint met belangrijke informatie, dan een bijzin, nog een bijzin, en misschien zelfs nog een, en dan aan het eind de clou?

Nee. Een cyclopische muur (leert even googelen) is een muur van reusachtige, ongelijke stenen die zonder voegsel op en tegen elkaar liggen. Alsof cyclopen ze hebben gemaakt dus. (Als het Duitse ‘gefügte Sätze’ het toelaat, had ‘geconstrueerde zinnen’ misschien vertaald kunnen worden als ‘samengevoegde zinnen’.)

Verderop in het essay werkt Canetti zijn beeldspraak verder uit. Kraus bleef praten en schrijven zolang hem wat inviel – ‘meestal valt hem zeer lang achtereen iets in’ – zonder een vooropgezet plan of overkoepelend ontwerp. Maar iedere afzonderlijke zin was een bouwwerkje op zich:

Hem gaat het erom dat zijn zin onaantastbaar is, geen leemte, geen barst, geen misplaatste komma telt – zin voor zin, stuk voor stuk, sluit zich aaneen tot een Chinese muur.

Klinkt dat niet fantastisch?

Canetti kan er zelf trouwens ook wat van: zowel in onze zin met de cyclopische vesting als in de zin met de Chinese muur die ik net citeer, maakt hij met ‘geen… geen… geen…’ een paar korte bijzinnen, een paar zinsbrokjes, een paar kleine bouwstenen; en hij klinkt in feite twee zinnen aaneen – de eerste met een puntkomma, de tweede met een gedachtestreepje.

Muur zonder Rijk

Ook in deze metafoor plaatst Canetti een kritische noot bij zijn held:

Deze muur is overal even goed gevoegd, in zijn karakter nergens mis te verstaan, maar wat hij eigenlijk omsluit, weet niemand. […] Alles is de muur, een cyclopisch doel op zichzelf dat door de wereld trekt, berg op berg af, door dalen en vlaktes en door zeer veel woestenijen.

Hier rekt Canetti zijn beeldspraak wel erg op. Dat je met meerdere grootse zinnen een meeslepend maar ietwat richtingloos verhaal smeedt, dat kan ik me goed voorstellen. En dat Kraus misschien te veel aandacht had voor de oordelen die hij velde, dat wil ik ook wel geloven. Maar een cyclopisch doel? Dat door de wereld trekt?

Een mooi beeld is het wel, maar eerlijk gezegd snap ik vanaf hier niet helemaal meer wat Canetti hier precies mee bedoelt. Nou ja, weer iets om van wakker te liggen…


• ‘Karl Kraus’ in Het geweten in woorden – Elias Canetti, vertaling Theodor Duquesnoy.

De fakkel in het oor – Elias Canetti, vertaling Theodor Duquesnoy.

• Afbeelding: cyclopische muur via Wikimedia.

Lees ook:

Posted by Thomas in Zinnenjacht
Uit eten bij Ovidius: herfstkornoelje en geitenkaas

Uit eten bij Ovidius: herfstkornoelje en geitenkaas

Herfstkornoelje en geitenkaas:
uit eten bij Ovidius

‘Dan komt het maal: groenzwarte vruchten van de maagd Minerva; herfstkornoeljes in een helder vruchtsap drijvend; / andijvie en radijzen en een groot stuk geitenkaas / en eieren, licht omgewenteld in halfwarme sintels, / alles op aarden borden; en daar komt een wijnkan van / al even dure makelij en beukenhouten bekers / vol barsten, die met gele waslijm dichtgestreken zijn.’

Ovidius, vert. M. D’Hane-Scheltema

Ken je dat fenomeen, dat je plotseling iets overal tegenkomt? Je begint met hardlopen (goede voornemens daartoe zijn voldoende, weet ik toevallig) en plots zie je overal mensen hardlopen. ‘Aandachtsvertekening’ heet dat geloof ik. Dat kan ook met schrijvers: je leest iets van of over een auteur en plots kom je hem of haar overal tegen.

Dat heb ik de laatste tijd dus met Ovidius. Preciezer zijn Metamorphosen; nog preciezer het verhaal van Philemon en Baucis daarin.

Nu is Metamorphosen een enorme klassieker, dus is het niet heel gek dat er veel naar wordt verwezen, maar toch. Meerdere auteurs in de aankomende Nexus grijpen erop terug en ook in mijn leesgroep (die niet specifiek over Ovidius ging) doken Philemon en Baucis onverwachts op. Daar moet wat over geschreven worden.

Philemon en Baucis

Het verhaal draait om twee oude en arme mensen, Philemon en Baucis, die twee onbekende reizigers bij hun huisje aantreffen. Ondanks hun armoede proberen ze hun gasten warm te onthalen. Als de wijn op wonderlijke wijze maar blijft vloeien, blijken de onbekenden niemand minder te zijn dan oppergod Jupiter en zijn zoon Mercurius.

Na het maal laten de goden de hele regio onderlopen door een zondvloed, maar het huisje van Philemon en Baucis wordt omgetoverd in een tempel. Als extra beloning mogen de twee een wens doen. Ze wensen te mogen dienen in de tempel en elkaar nooit te hoeven missen door de dood. Aan het eind van hun leven veranderen ze (dit is de metamorfose) in een eik en een linde die naast elkaar staan.

Je kunt het dus lezen als een verhaal waarin gastvrijheid wordt beloond. Dat spreekt me wel aan. Je kunt het ook lezen als een verhaal waarin gehoorzaamheid aan de goden wordt beloond. Ovidius eindigt namelijk met de zin ‘Goddelijk zijn wie goden eren; ere zij wie eert.’ Dat spreekt me iets minder aan. Voor de eerste interpretatie spreekt dat Philemon en Baucis in eerste instantie niet wisten met wie ze te maken hadden.

Een eenvoudig maal

Maar behalve de morele boodschap, viel mij iets anders op. In regels 664 tot en met 667 (het gaat hier om poëzie; ieder vers is genummerd en heeft een precies aantal lettergrepen) beschrijft Ovidius het maal dat de twee oudjes de goden voorschotelen:

‘Dan komt het maal: groenzwarte vruchten van de maagd Minerva; herfstkornoeljes in een helder vruchtsap drijvend; andijvie en radijzen en een groot stuk geitenkaas en eieren, licht omgewenteld in halfwarme sintels, alles op aarden borden; en daar komt een wijnkan van al even dure makelij en beukenhouten bekers vol barsten, die met gele waslijm dichtgestreken zijn. De tweede gang volgt snel: het haardvuur levert warme spijzen, de kan met wijn – geen hoge ouderdom – gaat nog eens rond, wordt daarna weggezet om plaats te maken voor het toetje: noten en vijgen tussen rimpelige dadels in en pruimen en een geur van appels, in gevlochten mandjes, en druiven, rechtstreeks uit de purperen wijngaard, en middenop een blanke honingraat.’

Om de morele boodschap over te brengen is het natuurlijk de bedoeling dat dit als een goedbedoeld maar karig maal klinkt. De wijnkan en bekers zitten vol barsten. De wijn zelf is van ‘geen hoge ouderdom’, dus matig of slecht. En de ‘groenzwarte vruchten van de maagd Minerva’, dat zijn onrijpe olijven. Kortom, in goed Hollands, schraalhans is keukenmeester.

Maar toch. Ik kreeg er trek van. Het is simpel eten, maar het klinkt eigenlijk niet verkeerd. Ik nam de proef op de som en haalde de ingrediënten in huis. Toegegeven, ik heb niks omgewenteld in halfwarme sintels en de ‘warme spijzen’ (vermoedelijk iets van een eerder genoemde gerookte ham) ontbraken. Ook de blanke honingraat en herfstkornoelje (een mediterrane bes met een grote pit erin) heb ik tot nu toe nog niet kunnen vinden. Niettemin ingrediënten die weinig nodig hebben om smaakvol te zijn. Probeer zelf maar.

T. wees mij erop dat Marjoleine de Vos in een lezing jaren geleden ook al vond dat dit maal, dat simpel en armzalig over moet komen, eigenlijk een geweldig maal is, goed genoeg voor goden. De Vos vraagt zich vervolgens af waarom we een sterrenhemel algauw een religieuze ervaring noemen, maar een goede maaltijd niet. Het gaat haar niet om hysterisch doen over eten, maar goed en onderling eten kan verheffend zijn.

Een goed boodschappenlijstje en, en, en…

Waarom werken deze zinnen nou zo goed? Ovidius vertrouwt op zijn ingrediënten. Hij omschrijft het allemaal tamelijk feitelijk en zonder al te veel opsmuk. Geen associaties of gevoelens die worden opgewekt (in tegenstelling tot bij Stendhal en het Comomeer). Geen ‘zalig’, ‘heerlijk’ of ‘lekker’. Geen recensie. Soms krijg je van een goed boodschappenlijstje ook al trek.

Als hij dan wél iets toevoegt aan de ingrediënten – de geur van de appels, het heldere vruchtsap (de kornoeljes zijn eigenlijk ingemaakt in wijndroesem) en de eieren die licht omgewenteld zijn in halfwarme sintels (voor een perfect zachtgekookt eitje, dat zondagochtendgevoel) – valt dat des te meer op. Kijk: knolraap en lof, schorseneren en in zachtgestoofde stronkjes prei.

Je weet vanaf het begin wat er gaat komen: het maal en de tweede gang. De rest van de zin is een opsomming, aaneengeregen met maar liefst tien keer ‘en’. En met risico op nachtmerries over het eindexamen Latijn, is een blik op de brontekst de moeite waard. Daar vinden we namelijk inderdaad ‘-que’ en ‘et’ en nog eens ‘-que’ en nog eens ‘et’, en nog eens en nog eens. Ook Ovidius gebruikt dus zoveel voegwoorden, een ‘polysyndeton’ heet zo’n opsomming met voegwoorden. De nadruk ligt dan op de hoeveelheid. Het resultaat is dat het maal toch heel wat lijkt.

Vurige toegift

Ik schreef al dat Philemon en Baucis ook onverwacht opdoken in mijn leesgroep. Dat was in Faust van Goethe, tweede deel, vijfde bedrijf, regels 11043–11142. Filemon (in de vertaling van Ard Postma) en Baucis ontvangen daar een voetreiziger in hun hutje aan zee. Ze vertellen hem een tikje verbolgen dat de keizer de zee aan het indijken en droogleggen is en hun geen mooi huis op het nieuwe land heeft aangeboden. Ze blijven evenwel vertrouwen op God. Niet veel later is Faust, de keizer, geërgerd omdat het hutje zijn uitzicht verpest. Die oudjes moeten weg. En dat moet je niet zomaar zeggen tegen duivel Mefistofeles. In de diepe nacht tuurt een torenwachter langs de hemel:

Vonkenregens zie ik sproeien waar twee zwarte linden staan, woelig vuur begint te gloeien en de wind wakkert het aan. Ach! in ’t hutje zie ik vlammen die geen vochtig mos kan smoren, is het vuur nog in te dammen? Nee, te laat, ze zijn verloren! Ach! die oudjes die daar leven, zelf zo zorgzaam met hun vuur, door de walm in ’t nauw gedreven, wat een vreselijk avontuur!


Metamorphosen – Ovidius, vert. M. D’Hane-Scheltema, Athenaeum–Polak & Van Gennep, 1993/2021.
• ‘Ik zou je wel op kunnen eten’ – Marjoleine de Vos over de mythische betekenis van eten (vanaf 55.55 gaat het over Philemon en Baucis).
• ‘Philemon and Baucis in Ovid’s Metamorphoses’ – Alan H.F. Griffin, CUP, 1991.
• ‘Knolraap en lof, schorseneren en prei’ – Drs. P.
Faust – Johann Wolfgang Goethe, vert. Ard Posthuma, Athenaeum–Polak & Van Gennep, 2001/2016.
• Afbeelding: Jupiter en Mercurius bij Philemon en Baucis – Peter Paul Rubens, via Wikimedia

Lees ook:

Posted by Thomas in Zinnenjacht
Wat droom je na een moord? Tolstojs Kreutzersonate

Wat droom je na een moord? Tolstojs Kreutzersonate

Wat droom je na een moord?

‘Ik weet nog dat ik droomde dat we vrienden waren, dat we ruzie hadden gehad, maar dat we ons weer verzoend hadden, en dat er nog wel een kleinigheidje dwarszat, maar dat we vrienden waren.’

Als je een brok in je keel krijgt van een zin, dan weet je dat hij bijzonder is. Het overkomt mij niet vaak, maar bij Tolstoj was het zover. Nota bene in een verhaal met een dubieuze strekking en bij een onsympathiek personage. Extra knap.

De Kreutzersonate van Tolstoj las ik toen L. vroeg of ik meeging naar een uitvoering van Beethovens gelijknamige sonate. Ik had de bundel waar het verhaal in zit al in de kast staan, maar aan de Kreutzer was ik nog niet toegekomen. Dus las ik de avond voor de uitvoering het verhaal in één ruk uit – ook dat overkomt me niet vaak.

Ik ga nu de plot verklappen. Een naamloos ik-personage raakt in de trein aan de praat met een groepje medereizigers over het huwelijk. Er komen allerlei twijfelachtige opvattingen over vrouwen en het huwelijk ter sprake, die ook in Tolstojs tijd discussie uitlokten, maar die laat ik nu voor wat ze zijn. De ik-persoon blijft alleen achter in de coupé met een zekere Pozdnysjev, die hem tot diep in de nacht vertelt hoe hij ertoe kwam om zijn vrouw te vermoorden.

Muziek en de ziel

De oorzaak is, kortgezegd, een rothuwelijk. De aanleiding is de enorme jaloezie die Pozdnysjev voelt wanneer zijn pianospelende vrouw met violist Troechatsjevski Beethovens Kreutzersonate begint te spelen. 

Pozdnysjev haat die sonate: ‘“Kent u het?!”, schreeuwde hij. “Oeh! Een vreselijk stuk […] Men zegt dat muziek een verheffende werking heeft op de ziel, onzin, niets van waar! Ze heeft wel een uitwerking, een verschrikkelijke uitwerking, ik spreek voor mezelf, maar zeker geen verheffende uitwerking op de ziel.’

Als Pozdnysjev van huis is, krijgt hij door dat Troechatsjevski bij zijn vrouw is en dan spoedt hij zich razend naar huis om de twee te betrappen op overspel. Thuis treft hij ze inderdaad samen aan, waarop Troechatsjevski vlucht en Pozdnysjev dol van woede zijn vrouw neersteekt. In haar laatste momenten bijt ze Pozdnysjev nog toe dat ze hem haat.

Niet wat je noemt een vrolijk verhaal dus. Al is het idee dat er bij het spelen van Beethovens Kreutzersonate tussen violist en pianist zo veel onderlinge liefde komt kijken dat er meer aan de hand is dan een huwelijk kan verdragen op zich wel weer mooi. Muziek heeft een uitwerking op de ziel.

Precisiemoord

De jaloezie en woede van Pozdnysjev neemt naarmate zijn verhaal vordert steeds maar toe. Als we dan tegen het eind van het verhaal naar de al uitgebreid aangekondigde moord toegaan, vertelt Pozdnysjev heel gedetailleerd hoe het allemaal ging:

‘Als mensen zeggen dat ze in een vlaag van razernij niet meer weten wat ze doen,’ zegt hij stellig, andermaal ontkrachtend wat ‘de mensen’ allemaal niet beweren, ‘dan is dat onzin en niet waar. Ik wist alles nog, en bleef me er elke seconde van bewust.’ En dan even later, gaat zijn wapen, een gekromde damascusdolk (in een eerdere versie is het nog een pistool, maar een dolk is zogezegd nog intiemer) de vrouw in: ‘Ik voelde, dat weet ik nog, de onmiddellijke weerstand van haar korset, en van nog iets anders en daarna verzonk de dolk in het weke vlees.’

Al die opgebouwde woede die eraan voorafgaat en de precisie van de beschrijving maken het een huiveringwekkende scène.

Maar er is meer aan de hand. Tolstoj laat zijn personage niet alleen de moord meermaals aankondigen. Ook het berouw dat hij direct daarna zal gaan voelen kondigt Pozdnysjev al aan. Dat kan doordat Tolstoj Pozdnysjev in de trein laat terugblikken op het gebeuren om zijn eigen verhaal te vertellen.

Dat Pozdnysjev na zijn moord nog in een trein zit, komt weer doordat hij na elf maanden gevangenis – waar hij vaak terugdacht aan het moment van de moord en een ‘morele ommekeer’ meemaakte – alweer vrij is gelaten. Voor zo’n crime passionel was levenslang kennelijk niet nodig.

Over de grens

Meteen na zijn daad, voelt Pozdnysjev al ontreddering en spijt. Pozdnysjev vertelt: ‘[ik herinner me zelfs vaag] dat ik de dolk na het toesteken er meteen weer uittrok omdat ik de daad wilde herstellen, ongedaan wilde maken. Ik stond een ogenblik onbeweeglijk af te wachten wat er zou gebeuren, of het nog goed zou komen.’ Maar het komt natuurlijk niet meer goed.

Hij is dan wel een onsympathieke, slechte echtgenoot geweest, toch vind ik die ontreddering ontroerend. Ook als je niemand hebt vermoord, kun je je voorstellen dat je in woede een grens overgaat die je eigenlijk niet over had moeten gaan – en een moord is dan een extreem geval.

Dan last Tolstoj een fabelachtige passage in. In afwachting van de politie, wordt Pozdnysjev overvallen door vermoeidheid en valt hij in slaap. Zoiets verwacht je niet. Dat zie je nou nooit in actiefilms. Maar misschien is het wel heel realistisch. Misschien raak je na een moord wel zo overprikkeld dat je in slaap valt.

De droom

Pozdnysjev slaapt een uur of twee, waarin hij droomt. Dan komt onze zin: 

‘Ik weet nog dat ik droomde dat we vrienden waren, dat we ruzie hadden gehad, maar dat we ons weer verzoend hadden, en dat er nog wel een kleinigheidje dwarszat, maar dat we vrienden waren.’

Het contrast tussen de scherpe, precieze en huiveringwekkende beschrijving van de moord en de kinderlijke, lieve droom over verzoening en vriendschap: dat hakt erin. De heftige, grote daad van de moord wordt zo iets heel intiems en kleins, en daardoor extra pijnlijk.

De vorm van de zin draagt daaraan bij. Er staat bijvoorbeeld niet ‘ik droomde dat we een gelukkig huwelijk hadden’ maar ‘dat we ons verzoend hadden’; niet ‘ik droomde dat je nog leefde’ maar ‘dat er nog wel een kleinigheidje dwarszat’. Het rothuwelijk wordt een ruzie; de moord een kleinigheidje. Veel vager en onbestemder dus, maar ook tederder en puurder, zoals dat in dromen vaak gaat. 

En dan die ietwat klungelige herhaling van ‘dat we vrienden waren’. F., die Russisch kan, verzekert me dat die herhaling er ook zo staat in het origineel. Verleidelijk om daar een beetje variatie in te brengen. Een Engelse vertaler maakt er bijvoorbeeld van: ‘I dreamed that she and I were on friendly terms again […] but we were friends once more.’ Maar die letterlijke herhaling maakt het realistisch.

Drama

Het warrige en ongepolijste vertellen van Pozdnysjev past goed bij zijn zwarte, dramatische verhaal. Onze zin is een wat ingetogener zin in het relaas van Pozdnysjev, die zich meermaals met grote, dramatische woorden beklaagt. Misschien werkt hij daarom zo goed.

Tolstoj gebruikt in het slot de techniek die we bij Stendhal ook al zagen: na een beschrijving van een uiterlijke stand van zaken volgt een beschrijving van welke innerlijke stand van zaken daaruit volgt. Ook als het gaat om een verdrietig inzicht, werkt die techniek heel goed: ‘Ik keek naar de kinderen, naar haar kapotte gezicht met de bloeduitstortingen, en voor het eerst vergat ik mijzelf, mijn rechten, mijn trots, voor het eerst zag ik de mens in haar.’


De Kreutzersonate – Lev Tolstoj, in Verzamelde Werken deel II, vert. Yolanda Bloemen en Marja Wiebes, Van Oorschot, 2015.

The Kreutzer Sonata and Other Stories – Leo Tolstoy, vert. David McDuff, Penguin, 1985/2004.

• Zinnenjacht Stendhal: Het hart van de gravin.

•Beethovens Kreutzersonate https://youtu.be/4S1YpypeMvk

• Afbeelding: Kreutzer Sonata van K.F. Saxen via Wikimedia

Lees ook:

Posted by Thomas in Zinnenjacht
Zo goed mogelijk stamelen: de bijbel en Erasmus

Zo goed mogelijk stamelen: de bijbel en Erasmus

Zo goed mogelijk stamelen:
de bijbel en Erasmus

‘Daarom stelde Erasmus zich tot taak om na meer dan een millennium aan vertaalmissers, kopieervergissingen en tekstvervalsingen alles tot op de bodem uit te zoeken en dan al dat moeizame vertaalwerk nog een keer over te doen, door in zijn betere bijbel op zijn beurt zo goed mogelijk te stamelen.’

Vandaag verscheen ‘NBV21’, de nieuwe, verbeterde Nederlandse Bijbelvertaling. Een belangrijke gebeurtenis voor christenen in ons taalgebied, maar ook voor liefhebbers van taal en vertalingen. Hebreeuws, Aramees, Oudgrieks: de Bijbelse brontalen beheers ik niet, dus over technische vertaalkwesties kan ik waarschijnlijk weinig zinnigs zeggen. Ik heb wel persoonlijke voorkeuren: is het niet zonde om ‘kribbe’ en ‘aalmoes’ te schrappen, want waar kom je zulke woorden verder nog tegen? Maar misschien is dat een vergeefse poging tot woordenredderij.

Gelukkig zijn er genoeg deskundigen in de media en is er een mooie site opgetuigd om allerlei netelige vertaalkwesties toe te lichten. De vogels bijvoorbeeld: ging het in Leviticus nou om een ‘zwarte gier’ of om een ‘monniksgier’? De eerste komt alleen in Noord-Amerika voor, dus dat kan eigenlijk niet, maar de monniken had je destijds nog niet, die kwamen pas veel later. Lastig! En dan is dit nog maar een betrekkelijk onschuldige kwestie.

Zoveel devotie voor details, warmte voor woorden en bekommering om een boek: je hoeft geen christen te zijn om daar plezier uit te putten.

De bijbel van Erasmus

Dat uitpluizen van vertalingen en het kritisch beschouwen van de bijbelteksten begon eigenlijk bij Desiderius Erasmus. Hoewel zijn Lof der zotheid zijn beroemdste werk is, is de bijbelvertaling die Erasmus maakte, Novum Instrumentum, waarschijnlijk zijn grootste werk.

Niet zo lang geleden publiceerde Sandra Langereis haar monumentale Erasmus-biografie en een essay in het tijdschrift Nexus (waarvan ik eindredacteur ben) waarin ze het bijzondere van Erasmus’ bijbelproject goed toont. Erasmus zag de bijbel niet als woorden die van bovenaf waren ingegeven, maar als een tekst die door mensen was opgetekend, geïnterpreteerd en vertaald.

De scherpe lezer heeft misschien al opgemerkt dat ik zonet ‘bijbel’ plots met kleine letter ben gaan schrijven. Hoewel je volgens de gangbare taalregel een hoofdletter B kiest voor de Bijbel (in algemene zin) en een kleine b voor een bijbel (een specifiek exemplaar), wees Langereis ons er in een mailwisseling op dat de kleine letter b veel beter bij Erasmus’ visie past: de boodschap (of ‘Boodschap’) was hemels, de bijbel zelf door en door aards.

Zo goed mogelijk stamelen

In haar essay vat Langereis die visie van Erasmus en de insteek van zijn bijbelvertaling mooi samen in deze zinnen:

‘De woorden in de bijbel waren de apostelen en evangelisten niet een voor een ingeblazen door de Heilige Geest, constateerde Erasmus resoluut: ze waren neergepend door stamelende mensen, mensen die bij het moeizame verwoorden van de hemelse boodschap zo goed mogelijk probeerden te stamelen, zoals Erasmus het uitdrukte. Daarom stelde Erasmus zich tot taak om na meer dan een millennium aan vertaalmissers, kopieervergissingen en tekstvervalsingen alles tot op de bodem uit te zoeken en dan al dat moeizame vertaalwerk nog een keer over te doen, door in zijn betere bijbel op zijn beurt zo goed mogelijk te stamelen.’

‘Zo goed mogelijk stamelen’: is dat niet mooi? En om er meteen een lekker dramatische zwiep aan te geven: is dat niet wat we allemaal voortdurend doen in het leven?

Het mooie vind ik dat die laatste zin niet alleen de bijbel neerzet als een werk van vele mensen en als een geheel dat steeds verandert, met dat millennium aan missers, vergissingen en vervalsingen; hij benadrukt ook de zwaarte van de taak (‘al dat moeizame vertaalwerk’) en de menselijkheid van Erasmus (die zelf ook stamelt). Een haast onmogelijke opdracht, ook nog eens een ‘heilig’ boek, en toch de overtuiging dat het beter kan en duidelijker moet.

Lemen letters

Het stamelen van Erasmus betekende trouwens niet dat hij gemakzuchtig te werk ging. Integendeel, hij vond dat iedere letter en ieder accentje ertoe deed. ‘Het zijn lemen elementen, de letters; maar dankzij die lemen bouwstenen wordt het hemelse gewicht van heel het bewonderenswaardige bouwwerk dat het woord is gedragen’, vertaalt Langereis. Ook al zo mooi!

Maar Erasmus ging zelfs nog een stapje verder. Met zijn verbeterde bijbel ondermijnde hij de schriftgeleerden die zich de alleenmacht voor het duiden van raadselachtige passages hadden toegeëigend. Ook voegde hij honderden ‘vingerwijzingen’ (commentaren en toelichtingen) toe aan zijn vertaling, waarmee hij, aldus Langereis, iedere bijbellezer probeerde aan te sporen om toch vooral zelf na te denken.

Dat zou niet iedereen hem in dank afnemen, en Erasmus voorzag dat wel. Op het titelblad liep hij al een beetje vooruit op de kritiek die hij zou gaan krijgen. De regelslange titel bevat deze geestige bijsluiter: ‘Dus alle liefhebbers van de ware theologie: lees, studeer, en oordeel pas dan. Word niet meteen boos, als iets dat veranderd is je boos gemaakt heeft, maar weeg af of het veranderd is in iets beters.’

Die insteek lijkt me niet alleen vruchtbaar bij een nieuwe bijbelvertaling, maar bij alle nieuwe vertalingen. Uiteindelijk is al het schrijven en vertalen zo goed mogelijk stamelen.


• ‘Zes nieuwe dieren in de Bijbel’, NBV21.nl
• ‘Waarom verdween ‘aalmoes’ uit de Bijbel?’ – Adriaan Duiveman interviewt Machteld de Vos en Marc van Oostendorp, NEMO Kennislink.
• ‘Erasmus: historicus’ – Sandra Langereis, in Nexus 87.
Erasmus: dwarsdenker – Sandra Langereis, Bezige Bij 2021
De Bijbel (NBV21), Querido Facto, 2021
De Jefferson Bijbel, vert. Sadije Bunjaku en Thomas Heij, ISVW Uitgevers, 2016.
• Afbeelding: Agnus Dei – Francisco de Zurbarán, omslagbeeld van de nieuwe Bijbelvertaling.

Lees ook:

Posted by Thomas in Zinnenjacht
Het hart van de gravin

Het hart van de gravin

Het hart van de gravin

‘Het hart dat de gravin op zestienjarige leeftijd had bezeten, begon weer te kloppen door wat deze verrukkelijke, nergens ter wereld geëvenaarde plekken tegen haar zeiden.’

Le langage de ces lieux ravissants, et qui n’ont point de pareils au monde, rendit à la comtesse son cœur de seize ans.

Toen ik deze zin las in de trein naar huis, maakte mijn hart een sprongetje. Ik moet me inhouden om in deze reeks niet meteen al in de eerste post vals te spelen door een hele alinea te citeren. Verleidelijk wel. Deze zin komt namelijk uit een alinea vol Romantische beelden en eigenaardige zinnen. Maar die alinea beslaat meer dan een hele bladzijde, dat is te lang. Ik zal dus proberen wat te schetsen.

We vinden deze zin in het tweede hoofdstuk van De Kartuize van Parma van Stendhal, vertaald door Theo Kars. Gravin Gina Pietranera keert terug in het familiekasteel in Grianta, een dorpje aan het Comomeer. De gravin – een levendige vrouw van (als ik me niet vergis) begin dertig, die net twee enorm rijke aanbidders heeft afgewimpeld – vergaapt zich aan het landschap, waardoor ze zich haar jeugdjaren herinnert. 

Het landschap

Stendhal schrijft: ‘Tussen deze prachtige heuvels en de grillige hellingen waarmee ze naar het meer lopen, kun je de beelden bewaren die de beschrijvingen van Tasso en Ariosto bij je hebben opgeroepen.’ Je ziet dat Stendhal met liefde over de omgeving heeft geschreven, of althans gedicteerd. Het motto van De Kartuize, eveneens een verwijzing naar Ariosto, bevestigt dat: ‘Geliefde oorden wisten mij tot schrijven / Te inspireren’.

De alinea begint met het geluk dat de gravin haar familieleden geeft met haar komst. De alinea eindigt met het geluk dat de gravin zelf ervaart. (‘Zou dit inhouden dat het geluk als schuilplaats het begin van de ouderdom heeft gekozen? zei zij bij zichzelf.’ Wauw! Ook al zo prachtig!) Mooi rond cirkeltje dus. 

Misschien dat het door het dicteren komt, maar er zitten wel wat schoonheidsfoutjes in de alinea. Zo is er een zin met twee dubbelepunten en een puntkomma: dat is misschien wat veel van het goede. 

En Stendhal noemt het Comomeer eerst een ‘subliem tafereel dat […] wordt geëvenaard, maar niet overtroffen, door de meest vermaarde plek ter wereld, de baai van Napels’, terwijl we later in ‘onze’ zin lezen dat deze verrukkelijke plekken nergens ter wereld worden geëvenaard. Wat is het nu? 

De grimmige soberheid van de met sneeuw bedekte Alpentoppen herinnert ons volgens Stendhal aan de rampspoed in het leven, waardoor we extra van het moment genieten. Volgens een noot bij de Franse editie schreef Stendhal in de marge dat precies dit element aan de baai van Napels ontbrak. Toch ongeëvenaard dus, denk ik.

De gevoelens

Hoe komt het nou dat deze beschrijvingen zo goed werken? Natuurlijk is het Italiaanse landschap op zichzelf al mooier dan, zeg, de somber stemmende Pijnackerse polders waar ik nu met de trein langsraas. 

Maar Stendhal geeft niet alleen een beschrijving van het landschap. Hij zegt er meteen bij wat we erdoor moeten voelen. Neem deze zin: ‘Voorbij deze heuvels met toppen die je alle in verleiding brengen er als kluizenaar te gaan wonen, zie je tot je verbazing de met eeuwige sneeuw bedekte pieken van de Alpen.’ (Mijn cursiveringen.)

Dat maakte het ook typisch Romantische zinnen: de wilde, nog ongerepte natuur die jeugdherinneringen oproept en waarvan het hart sneller gaat kloppen. Het landschap wekt gevoelens op.

Schrijftip dus: beschrijf niet alleen wat er voor je ogen gebeurt, maar ook hoe het je treft. Pas bij herlezing zag ik wat Stendhal precies doet. Van zo’n inzicht word ik nou blij! (Zie, het werkt hè?)

Onze zin

Maar genoeg over de omgeving; nu onze zin. In onze zin zien we, denk ik, de kern van de scène. Het landschap spreekt tot de gravin, die daardoor weer het hart krijgt van haar zestienjarige zelf. 

Althans, dat staat er in het Frans, met het zestienjarige hart aan het eind van de zin. Het beste voor het laatst. Van landschap naar gevoel. Wat dat betreft vind ik de Franse zin mooier dan de Nederlandse.

Maar Kars heeft het toch wel heel erg mooi in het Nederlands vertaald. Hij kiest niet voor bijvoorbeeld ‘De taal van deze lieflijke plekken […] gaf de gravin haar hart van toen ze zestien was terug’, maar voor ‘Het hart dat de gravin op zestienjarige leeftijd had bezeten, begon weer te kloppen door wat deze verrukkelijke […] plekken tegen haar zeiden.’ Veel minder vlak. Prachtig! 

Kars voegt zelf een paar werkwoorden toe. Het landschap zegt iets. Haar hart begint te kloppen – of eigenlijk, begint weer te kloppen. Dat vind ik ook zo mooi: het idee dat ze het al die jaren bij zich droeg zonder dat het klopte en dan ineens werkt het weer. Bovendien klopt haar hart niet zomaar als dat van een zestienjarige, nee, het is het hart dat ze had bezeten. Het is haar hart, zoals we ook in het Frans lezen. Dat past goed bij de jeugdherinneringen die bij de gravin naar boven komen.

Nu ben ik bijna bij Den Haag, waar ik zelf opgroeide. De kantoorpanden op de Binckhorst zijn geen Alpentoppen en bepaald geen subliem tafereel. Niks zestienjarig hart. Maar van dat schrille contrast moet ik wel glimlachen en zo stap ik even later toch de trein uit met een vrolijk gevoel.


De Kartuize van Parma – Stendhal, vertaald door Theo Kars, Athenaeum—Polak & Van Gennep, 2003/2017

Romans et nouvelles II – Stendhal, Gallimard Bibliothèque de la Pléiade, 1968.

• Afbeelding: Capello St. Angelo Lake Como

Lees ook:

Posted by Thomas in Zinnenjacht
We gaan op zinnenjacht

We gaan op zinnenjacht

We gaan op zinnenjacht!


Zoals vogelaars met hun vogelgidsen het veld in trekken en daar aantekeningen maken over de vogels die ze zien, zo kun je ook naar kijken naar zinnen. Afgelopen weekend stuitte ik op die mooie metafoor. Hij komt uit het artikel ‘Field Notes of a Sentence Watcher’ van Richard Hughes Gibson, die een paar boeken over zinnen (‘vogelgidsen’) en vier van zijn favoriete zinnen (‘vogels’) bespreekt.

De vogelaarmetafoor heeft Gibson op zijn beurt opgevist uit een boek van Stanley Fish, die schrijft: ‘Some people are bird watchers, others are celebrity watchers; still others are flora and fauna watchers. I belong to the tribe of sentence watchers.’

Maar hoe doe je dat nu zelf, zinnenspotten?

Nou, je kunt dus je voordeel doen met gidsen. Stijlgidsen bijvoorbeeld, die laten zien waaruit een mooie zin bestaat, hoe je mooie zinnen schrijft en voorschrijven welke regels je kunt volgen – en breken natuurlijk.

Of kijk naar andermans aantekeningen. Suppose a Sentence van Brian Dillon vind ik daar een inspirerend voorbeeld van. Dillon verzamelde 25 jaar lang de mooie zinnen die hij tegenkwam. Hij schreef ze over in A5-notitieboekjes en selecteerde 27 Engelse zinnen (onder meer van Shakespeare, John Donne, Virginia Woolf en Anne Carson) die hij als startpunt nam voor persoonlijke observaties over de inhoud, vorm, context en de relaties daartussen.

Maar een echte vogelspotter blijft natuurlijk niet alleen maar bladeren in gidsen voor de beschrijvingen en illustraties. Nee, je moet dus zelf het veld in en je eigen veldnotities maken. Doe je dat, dan zul je de zinnen die je ‘in het wild’ tegenkomt meer waarderen en hun schoonheid zal nog meer opvallen.

‘Transcribing an excellent sentence into a commonplace book (paper or digital) along with some notes on its surroundings and anatomy will sharpen your awareness of its virtues’, schrijft Gibson.

Op zinnenjacht

Dat voorbeeld ga ik hier volgen. Als redacteur en vertaler lees ik dagelijks honderden zinnen. Sommige daarvan verdienen meer aandacht dan ze krijgen. Hier dus een goedmakertje. Subjectief geselecteerd, amateuristisch geanalyseerd, onregelmatig gepresenteerd. Ik zeg het er maar vast bij, ik dek mij vast in.

Wat is de mooiste, opvallendste of bijzonderste zin die jij deze week hebt gevangen? Laat van je horen via Twitter of het contactformulier. Volg hier mijn bevindingen. Hierbij verklaar ik het jachtseizoen voor geopend!

We gaan op zinnenjacht,
We gaan een hele grote vangen.
Wat een prachtige dag!
Wij zijn niet bang.


• ‘Field Notes of a Sentence Watcher’, Richard Hughes Gibson in The Hedgehog Review.

Suppose a Sentence – Brian Dillon, Fitzcarraldo Editions, 2020.

We gaan op berenjacht – Michael Rosen, vertaald door (ontdekte ik nu pas) de bekende vertaler Ernst van Altena.

• Afbeelding: ‘Der Bücherwurm’ – Carl Schleicher

Lees ook:

Posted by Thomas in Zinnenjacht