Hrabal

Sprankelend ochtenddenken: Bohumil Hrabal



Dat sprankelende ochtenddenken:
Bohumil Hrabal

Zo mocht ik graag niet ontbijten, want als ik mijn maag gevuld had, dan werden ook mijn hersens met voedsel overvoerd en verdween dat sprankelende ochtenddenken, dat misschien juist voortkwam uit een gevoel van honger, misschien ook doordat ik in plaats van te ontbijten graag zwarte koffie dronk, twee, drie zware sigaretten rookte, pas op dat moment ontwaakte ik uit die nachten waarin ik altijd slecht slaap, zodat ik die ochtenden geen zin heb om te leven, geen zin heb om op aarde te zijn, pas die eerste sigaret brengt me die dag weer terug in het leven, van de tweede sigaret word ik altijd misselijk, bij de derde trek ik, ook al ben ik bruinverbrand, lijkbleek weg, maar dat is nu eenmaal mijn ritueel, dit was mijn ochtendritueel, mijn mis, ik slurpte langzaam van mijn koffie en ik rookte gretig, ik rookte net zoals er maar eventjes in de gevangenis gerookt mag worden… en terwijl ik rookte en koffiedronk, keek ik door het raam naar buiten, zomaar één of geen kant op, naar de hemel, ik staarde alleen maar zo’n beetje voor me uit en trachtte via deze manier van niet-trachten de nultoestand te bereiken, nergens aan te denken, alleen jezelf beluisteren en horen of zich daar niet een of ander motief aandient, of daar niet iets boven water komt, als een vlek op de waterspiegel van een oud vennetje, of er niet iets uit dat magazine van mijn denken en voelen en twijfelen, of zich daaruit niet iets openbaart, een eerste zin waarmee ik die grote trui van mijn tekst zou beginnen uit te halen, want schrijven, dat schrijven van mij begint met een eerste draad die ik vastpak, maar waarvan ik enthousiast weet dat als ik die door het oog van mijn schrijfmachine haal en als ik dan snel begin te typen, dat ik dan zo lang moet doortypen totdat ik een hele trui uit mijn onbewuste heb uitgehaald en op papier gezet.

Bohumil Hrabal, vertaling Kees Mercks

Zo. Die zin staat. Driehonderdzesentwintig woorden maar liefst. Toen ik dit blog begon, wist ik dat Bohumil Hrabal een keer aan de orde moest komen. Een schrijver die zinnen verzint die je uit duizenden herkent en waar ik vrolijk van word. 

Maar met welke zin van hem zou ik dan beginnen? Misschien met de eerste zin die ik van hem las, wat vermoedelijk ook zijn beroemdste zin is. Die zin is namelijk een heel boek, getiteld Danslessen voor gevorderden. Of anders gezegd: dat boek is één zin, een zin van een pagina of honderd. Ik kreeg het van L. voor mijn verjaardag en daarna wilde ik gelijk alles lezen van deze in Nederland niet heel bekende Tsjechische schrijver. 

Dat Danslessen uit slechts één zin bestaat is meer dan een gimmick of een geintje. Er zit een goed idee achter. Maar dat bewaar ik nog wel voor als ik over die zin schrijf.

De ochtenden

Van het weekend bladerde ik wat door de bundel Praagse ironie en kwam ik in het essay ‘Wie ik ben’ onze zin tegen. Een enorme zin, bijna een bladzijde lang. Maar vergeleken met Danslessen alsnog maar een kleintje. Dit moest de eerste zin van Hrabal worden om over te schrijven, want er zit niet alleen zo veel moois in, maar ik moest meteen denken aan een andere schrijver die een soortgelijk zo’n ochtendritueel had.

Paul Valéry schreef in zijn cahiers, zijn omvangrijke aantekeningenboekjes: ‘’s Morgens heb ik dit cahier met mijn sigaret nodig – en beide even nodig. Zonder dat lijd ik. Het cahier is een gekte, maar de gewoonte is zo oud en sterk dat de waarde van de dingen die uit de geest (nog half in slaap) naar de cahiers komen op zichzelf een gewoonte vormen.’ (vertaling Jan Fontijn).

Dat beeld van Valéry en Hrabal die met koffie en sigaretten de slaap verdrijven en zelfs hun slaperigheid inzetten voor hun schrijverschap vind ik erg mooi. En ze benadrukken beiden de regelmaat en de houvast die hun ochtendroutine biedt. Qua schrijfstijl verschillen ze trouwens als dag en nacht: Valéry schrijft puntiger dan Hrabal (maar ja, wie niet?). 

Onze zin is een typische Hrabal-zin. Het zijn gedachtes en indrukken op papier gekletst en aan elkaar geplakt. Je zou er zo meerdere zinnen van kunnen maken door hier en daar een punt te zetten. Maar juist doordat Hrabal dat niet doet, krijgen zijn zinnen hun levendigheid en spontaniteit. Want – dat is zo knap – de zin is niet loodzwaar, zoals je bij lange zinnen al snel hebt. En het is een grote verdienste van vertaler Kees Mercks dat dat in het Nederlands ook overkomt en dat je de weg niet kwijtraakt.

Herhalen, hernemen, tasten

Een van de trucs die Hrabal daarvoor vaak gebruikt, is een zinswending of woord herhalen. Kijk maar naar ‘ontbijten’, ‘koffie’, ‘sigaretten’ en ‘ik rookte’. Of neem ‘schrijven, dat schrijven van mij’: Hrabal schept daarmee in een paar woordjes een ironische afstand tot zijn werk en blaast tegelijk wat lucht in de zin. Denk het maar eens weg, dan wordt het meteen een stuk serieuzer en zwaarder. 

Hrabal herneemt ook zijn uitspraken, beschrijft ze verschillend, kiest andere woorden om bijna hetzelfde te zeggen, drukt zich net een tikje anders uit, verwoordt het op een andere manier. Bijvoorbeeld ‘geen zin heb om te leven, geen zin heb om op aarde te zijn’, ‘mijn ritueel, mijn ochtendritueel, mijn mis’, ‘of daar… of er… of zich’ en ‘dat als ik… als ik dan… dat ik dan…’. Hrabal is aan het tasten naar de juiste woorden en daar neemt hij de lezer in mee.

Truien typen

Dan zijn er nog die (vind ik) prachtige metaforen in het tweede deel van de zin. Want ’s ochtends koffie slurpen, sigaretten roken en uit het raam staren is één, maar dan moet er nog wel iets op papier komen. Daarvoor moet er eerst iets opborrelen, boven water komen uit het onbewuste. Dat is nog een beetje abstract en niet heel origineel, maar met dat ‘oude vennetje’ erbij is er ineens een concreet beeld. En ik weet niet wat er in het Tsjechisch staat, maar in het Nederlands lees je zo ‘oud ventje’.

Dat bassin van het onbewuste is dus, om er nog één watermetafoor tegenaan te gooien, het reservoir waar Hrabal uit put voor zijn teksten. Hij noemt het ‘dat magazine van mijn denken en voelen en twijfelen’. Ik vermoed dat we dat moeten lezen als het Engelse woord voor ‘magazijn’ of ‘opslag’. Dat zie ik wel voor me: rijen met schappen vol gedachtes, gevoelens en twijfels. Een kostbare schatkamer voor een schrijver.

Tot slot de trui. Het schrijven van een tekst is als het maken van een trui. Je breit, weeft of haakt gedachtes aaneen tot een tekst. Vooral het zoeken naar een beginnetje dat je dan als een draad door het oog van een naald probeert te krijgen, dat vind ik mooi. Er valt misschien wel iets op af te dingen, want als je een trui uithaalt of breit, haal je dan eigenlijk wel een draad door een oog? 

Hoe dan ook, het enthousiasme en het snel doortypen, dat zie je prachtig terug in de vorm van onze zin. Duidelijk geen confectie.


Praagse ironie – Bohumil Hrabal, vertaling Kees Mercks, Prometheus 2007.

Mijn bespreking van Cahiers – Paul Valéry, vertaald en ingeleid door Jan Fontijn, De Buitenkant 2017.

Verpletterde schoonheid – Bohumil Hrabal, vertaling Kees Mercks, Prometheus 1990/2002.

Lees ook: