Tekst

Hume naverteld door Bert Keizer

Hume naverteld door Bert Keizer

keizer

Deze bespreking van Denken zonder vleugels van Bert Keizer schreef ik in november 2025 voor Trouw.

De auteur

Wie is de auteur van een hervertelling: de oorspronkelijke schrijver, degene die hervertelt of beiden? David Hume (1711-1776) is sowieso de auteur van Traktaat over de menselijke natuur uit 1739. De ‘ik’ in dit boek is eigenlijk ook Hume. Maar geen Nederlands woord uit de hervertelling komt van Hume zelf, ze komen allemaal van Bert Keizer (1947).

Keizer is filosoof, schrijver en arts, en schreef boeken over de dood en de ziel. Ook zet hij zich al jarenlang in voor het toegankelijk maken van filosofie voor een breed publiek, bijvoorbeeld als columnist voor Trouw en als inleider van Ludwig Wittgenstein.

Het boek

Humes Traktaat is een uitstekende keuze voor een hervertelling. Een echte filosofische klassieker, maar weinig gelezen. Hume zelf beklaagde zich al over het feit dat bij verschijning niemand het werk las. Het viel dood van de drukpers. Daarom schreef Hume later een soort verkorte versie, die beter aansloeg.

Denken zonder vleugels is zelfs nog korter. Keizer hervertelt hier alleen het eerste boek van Humes Traktaat, maar daarmee heeft hij toch 260 flinke pagina’s teruggebracht tot zestig kleine. Ook is de tekst opgedeeld in paragraafjes met titels als ‘waarom halen we ideeën door elkaar?’, ‘hoe weet ik dat er buiten mij iets bestaat?’ en ‘hoe betrouwbaar is ons redeneren?’

Kip zonder causaliteit

Die vragen geven al aan waar het Hume om te doen is: een filosofisch onderzoek naar hoe de menselijke geest in elkaar steekt en hoe we ons tot de wereld verhouden. In onze geest vinden we ideeën en die vormen we op basis van impressies. Maar onze geest lijkt geen chaos, we ontwaren ook een bepaalde orde.

We gaan bijvoorbeeld uit van causaliteit. Dus als we (beroemd voorbeeld) een biljartbal zien rollen tegen een andere biljartbal die dan ook begint te rollen, denken we dat de ene bal het rollen van de andere veroorzaakt. Hoe weten we dat zeker? Nou, niet, zegt Hume. We gaan ervan uit door gewenning: omdat we die biljartballen steeds weer hetzelfde zien doen, nemen we aan dat ze altijd zo doen. Maar we zien en weten dat in feite niet.

Neem een kip die dagelijks wordt gevoerd door een boer (voorbeeld van Bertrand Russell). Als die kip de boer ziet, ‘weet’ ze dat er eten komt. Tot die ene dag dat de boer komt om haar de nek om te draaien… Zo zit het volgens Hume ook met ons en alle causaliteit die we denken te ontwaren: als we haar filosofisch onder de loep nemen, blijft er eigenlijk niks van over. Causaliteit zit in de geest van de mens en andere dieren.

Dat is maar een van de onthutsende conclusies uit Humes Traktaat. Ook God en het hiernamaals, maar ook continuïteit en identiteit komen op losse schroeven te staan.

Kenmerkende zinnen

In het alledaagse leven schieten we niks op met zulke inzichten. ‘Deze twijfel aan de ratio en aan de zintuigen is iets ongeneeslijks. Je kunt het tijdelijk verjagen, maar het komt altijd weer terug. Het enige wat ertegen helpt is er maar zo’n beetje aan voorbij te leven’, zegt Hume in Keizers woorden.

Reden om dit boek niet te lezen

Wie liever ongestoord zijn leventje leidt, heeft bij Hume weinig te zoeken. Laat je niet misleiden door de speelse knalroze kaft: dit boekje bevat duizelingwekkende ideeën die je beeld van de wereld en jezelf op z’n kop kunnen zetten. Het gaat soms wel wat snel en Keizer natuurlijk dingen moeten weglaten in de hervertelling.

Redenen om dit boek wel te lezen

Iedereen die een beetje filosofisch is aangelegd en nog niet de moed heeft gehad om de zeshonderd pagina’s van het volledige Traktaat zelf te lezen, is bij Keizer aan het goede adres. Met onderkoelde humor schotelt Keizer de meest ontwrichtende en wanhopig makende ideeën van Hume aan ons voor.

De bekende voorbeelden van Hume vult Keizer aan met grappige, eigentijdse voorbeelden, zoals Sinterklaas en The Beatles, zonder dat het jolig wordt. Sommige zinnen zijn toch echt directe vertalingen van Humes eigen zinnen, maar dat valt niet op. Een match made in heaven zou je dus zeggen. Maar ja, of er een hemel is weten we volgens Hume en Keizer niet.

Posted by Thomas in Recensie, Tekst
Het vraagstuk ethiek van Thomas Nagel

Het vraagstuk ethiek van Thomas Nagel

Nagel

Deze bespreking van Het vraagstuk ethiek van Thomas Nagel, vertaald door Lev Mordegaai, schreef ik in oktober 2025 voor Trouw.

De auteur

De Amerikaanse filosoof Thomas Nagel is buiten de universiteit maar nauwelijks bekend. Dat terwijl hij in de academische filosofie toch al jarenlang een grootheid is, vooral in de filosofie van de geest en in de ethiek. Afgelopen tijd verschenen meerdere van zijn werken in Nederlandse vertaling, dus wellicht komt daar nu verandering in.

Nagel maakte naam met ‘Hoe is het om een vleermuis te zijn?’ uit 1974. In dat essay betoogt Nagel dat bewustzijn alleen van binnenuit begrepen kan worden en niet van buitenaf. Zo kunnen wij als mensen wel ontleden hoe de zintuigen van een vleermuis werken, maar nooit weten hoe het is om een vleermuis te zijn omdat we nu eenmaal vastzitten aan onze eigen zintuigen en het menselijk perspectief.

Het boek

Het onderscheid tussen subjectief en objectief keert vaker terug in Nagels werk. Bijvoorbeeld in zijn pas naar het Nederlands vertaalde Het vraagstuk ethiek. Dit dunne boek bevat twee essays van Nagel – een lezing uit 2015 en een symposiumbijdrage uit 2016 –, plus een duidelijke toelichting van de uitgever, waarin Nagels denken beknopt wordt geduid.

Morele intuïties

‘Morele intuïtie en morele kennis’, het eerste essay, is een soort stoomcursus ethiek. Nagel zet daarin plichtethiek tegenover consequentialistische ethiek. Een plichtethiek gaat uit van vaste morele regels en is gebaseerd op de onschendbaarheid van ieder mens: sommige dingen mogen we anderen nooit aandoen. Een consequentialistische ethiek kijkt naar de uitkomst van een handeling. De handeling die het meeste geluk voor de meeste mensen oplevert, is dan de juiste handeling.

Nagel legt het verschil uit aan de hand van de vraag of je krijgsgevangenen mag martelen om waardevolle informatie los te peuteren. Als je consequentialistisch ‘van buitenaf’ kijkt, kun je een rekensom maken: de ellende van één iemand die wordt gemarteld weegt dan misschien niet op tegen het redden van vele levens.

Maar bekijk deze kwestie eens ‘van binnenuit’: stel je voor dat je zelf de ondervrager bent en moet besluiten of je de gevangene gaat martelen. Dan zul je waarschijnlijk toch een sterke intuïtie voelen dat martelen niet mag. Zulke morele intuïties horen volgens Nagel bij de plichtethiek en die moeten we niet negeren. Beide ethische stromingen zijn volgens hem daarom waardevol.

Morele vooruitgang

In het tweede essay, ‘Morele werkelijkheid en morele vooruitgang’, stelt Nagel dat morele vooruitgang mogelijk is. De afschaffing van slavernij, de emancipatie van vrouwen en acceptatie van homoseksualiteit, dat zijn volgens Nagel duidelijke voorbeelden van morele vooruitgang. Hij schrijft:

‘Deze veranderingen benoemen als “morele vooruitgang” is een normatieve bewering. Die bewering houdt in dat er geldige morele redenen waren om de morele praktijken die op dat moment heersten te vervangen door andere. In sommige gevallen waren die redenen toegankelijk lang voordat ze algemeen erkend werden, maar dat is niet altijd het geval.”

Van morele vooruitgang is dan sprake als iets wordt erkend waarvoor eerder al toegankelijke morele redenen waren – de acceptatie van homoseksualiteit bijvoorbeeld, want het geluk en de vrijheid van individuen was al begrijpelijk. Of als er nieuwe morele redenen worden gevonden – de vrijheid van meningsuiting bijvoorbeeld, want daarvoor was volgens Nagel eerst de moderne opvatting van burger en staat nodig.

Redenen om dit boek te lezen

Of morele vooruitgang mogelijk is, is een fundamentele filosofische vraag. Nagel betoogt dus van wel en dat sluit aan bij veel van onze hedendaagse morele intuïties. Zijn positie is genuanceerd. Hij herformuleert de vraag of iets wat we nu slecht vinden eerder ook slecht was tot de vraag in hoeverre morele redenen toegankelijk waren in een bepaalde tijd.

Wij vinden tegenwoordig de constitutionele democratie goed en slavernij slecht. Maar kun je het Thomas More, geboren in de vijftiende eeuw, kwalijk nemen dat hij niet voor zo’n democratie was? (Nee, zegt Nagel.) Kun je het Aristoteles, geboren in de vierde eeuw v.Chr., kwalijk nemen dat hij slavernij verdedigde? (Ja, zegt Nagel.) Dat zijn prikkelende vragen.

Redenen om dit boek niet te lezen

Verwacht geen uitgebreide casestudy’s. Deze essays zijn grotendeels ‘logisch-metafysische uitweiding’, zoals Nagel zelf schrijft. Het gaat hier om de grondslagen van de ethiek. Ook heeft Nagel een wat omslachtige, wollige manier van formuleren en vertaler Lev Mordegaai heeft die trouw gevolgd.

Posted by Thomas in Recensie, Tekst
Rory Stewart over de politiek

Rory Stewart over de politiek

Deze bespreking van Op het scherpst van de snede. Politiek van binnenuit van Rory Stewart, vertaald door Mario Molegraaf, schreef ik voor het Nexus Instituut.

‘Het probleem met jou, Rory, is dat je probeert interessant te doen in het parlement en in de media. Nooit interessant doen.’ Als kersverse bewindspersoon kreeg Rory Stewart dit te horen van zijn toenmalige baas op het ministerie, Liz Truss – jaren voordat haar premierschap zou worden vergeleken met een verleppende krop sla. Truss had bijna gelijk: Stewart doet niet interessant, hij is het. Niet omdat hij belasting op wegwerpbekertjes wilde invoeren (wat Truss hem kwalijk nam), maar omdat hij avontuurlijke reizen maakte, bijzonder werk verrichtte en goed kan schrijven.

Als zoon van een Britse diplomaat ging Stewart naar een Engelse eliteschool en studeerde hij aan Oxford. Hij kent gedichten van T.S. Eliot en W.H. Auden uit zijn hoofd en refereert graag aan de Romeinse Oudheid. Tijdens zijn studie gaf Stewart op verzoek van prins Charles les aan diens zoons William en Harry.

Maar Stewart bleef niet opgesloten in universiteitsgebouwen en koninklijke paleizen. Hij maakte ook een honderden kilometers lange wandeltocht door Afghanistan en moest als bestuurder in Irak vluchten voor gewapende milities die zijn gebouw onder vuur namen. De filmrechten op zijn levensverhaal werden zelfs gekocht door Brad Pitt. In hun populaire podcast The Rest Is Politics grappen Stewart en Alastair Campbell, voormalig adviseur van Tony Blair, geregeld dat Eddie Redmayne de hoofdrol zou moeten krijgen.

Over zijn belevenissen schreef Stewart al meerdere mooie boeken, waaronder Tussenstations over zijn reis door Afghanistan en De Schotse marsen over de wandeltocht met zijn vader langs de Muur van Hadrianus. In zijn recentste boek, Op het scherpst van de snede, blikt hij terug op zijn tijd in de Engelse politiek. Weer zo’n interessante stap. Want waarom zou je als avonturier, diplomaat, succesvol schrijver en docent aan gerenommeerde universiteiten in hemelsnaam de politiek ingaan?

Als je Op het scherpst van de snede leest, dringt die vraag zich voortdurend op. Het beeld dat Stewart van de Engelse politiek schetst is weinig rooskleurig. Stewarts toon is licht spottend en vol verbazing over hoe de dingen soms lopen. En ondanks de domheid en teleurstellingen waarmee hij wordt geconfronteerd, lijkt hij maar niet op te willen geven. Steeds probeert hij resultaten te boeken en de wereld in zijn ogen een beetje beter te maken.

Stewart is een gematigde conservatief, maar gaat in het boek niet diep in op zijn politieke beginselen. Hij beschrijft vooral hoe zijn werk eruitzag, met anekdotes over en gesprekken met prominente politici van de Conservatieve Partij. Van David Cameron en Theresa May tot Liz Truss en Boris Johnson: Stewart had persoonlijk met hen te maken en dat maakt zijn verslag extra smeuïg.

Van Richard Holbrooke en Michael Ignatieff leerde Stewart dat politicus zijn een enorm veeleisend beroep is. Toch moedigde Ignatieff hem aan de stap te wagen. Hij knokte zich de partij in en werd parlementslid namens het kiesdistrict Penrith and The Border. Algauw merkte hij dat de partij niet gaf om lokale belangen of de kennis en kunde van een politicus, maar vooral om loyaliteit aan de leiding.

Stewart werd op verschillende departementen staatssecretaris of minister, met in zijn portefeuilles onder meer milieu en overstromingen, ontwikkelingshulp, buitenlandse zaken en ebolabestrijding, en gevangenissen en proeftijd. Hij kreeg te maken met weerstand van politici, ambtenaren, bestuurders, kiezers en media. Op Buitenlandse Zaken leek hij inhoudelijk het best op zijn plek. Maar Boris Johnson, zijn minister, stuurde hem niet naar Azië, wat gezien zijn ervaring logisch zou zijn geweest, maar om onbegrijpelijke redenen naar Afrika, waar hij praktisch niets van wist.

Door gespreksverslagen krijgen we te zien hoe Stewart worstelde en hoe idioot het politieke systeem vaak was. De kritiek die Stewart explicieter levert, is vaak spottend en beeldend: ‘Achtenhalf jaar was de regering een door de premier geleide, gekozen dictatuur geweest en het Parlement een bejaarde, stinkende labrador, slapend bij het vuur.’ En soms misschien een tikje over de top:

Ik had ooit het gebouw van het ministerie van Buitenlandse Zaken vereerd en was trots geweest er te werken. Inmiddels leken me de glinsterende blokken Belgisch en Siciliaans marmer, waarin de internationale reputatie van Groot-Brittannië flakkerde als een onbetrouwbare generator, een potemkingevel.

Toch lukte het Stewart binnen het systeem dingen te regelen: belastingen op plastic zakjes, bomen planten, een succesvolle nieuwe strategie voor het Afrika-beleid en vermindering van geweld in gevangenissen. Op die momenten moest hij toegeven dat hij van zijn baan hield. Ook komen niet álle politici er slecht van af. Stewart bewonderde de bij ons niet zo bekende David Gauke en verrassend genoeg ook premier Theresa May.

Naast een persoonlijk verslag is Op het scherpst van de snede ook een kroniek van de ineenstorting van de Conservatieve Partij. Want na May namen de populisten de partij over en die voerden Engeland naar de Brexit-ellende. Stewart nam het op tegen Johnson in de strijd om het partijleiderschap en tegen een no-deal-Brexit.

We weten maar al te goed hoe die affaire af zou lopen, maar toch zijn die hoofstukken het spannendst. We krijgen een gedetailleerde indruk van hoe Stewarts campagne verliep. Zijn vrouw Shoshana steunde hem en stampte in korte tijd een campagneteam uit de grond. Stewart belde eindeloos om steun te vergaren, verspreidde filmpjes op social media, tweette erop los en hield op Excel-sheets bij welke kandidaat de parlementsleden waarschijnlijk zouden steunen. Uiteindelijk legde Stewart het af tegen Johnson en de andere uitdagers, en daarmee eindigt het boek.

Na Stewarts boeiende verhaal blijft de vraag wel hangen hoe de Brexit-blunder nou kon gebeuren. Een omvattende analyse van het systeem geeft Stewart in dit boek niet. Vanuit zijn oogpunt is het eigenlijk ook nauwelijks te begrijpen dat het ene na het andere Conservatieve parlementslid zich achter Johnson schaarde.

In hun podcast blijven Stewart en Campbell (eveneens remainer) ook nu nog, jaren later, af en toe een deeltje van de Brexit-ramp te analyseren. Campbell wijst er bijvoorbeeld geregeld op dat alle daarvoor verantwoordelijke Conservatieve politici voortkwamen uit het zogenaamde eliteonderwijs waar ook Stewart door werd gevormd – Johnson ging nota bene naar Balliol, hetzelfde Oxford-college als Stewart. In het boek blijft dat helaas buiten beeld. Ook over austerity, de felbekritiseerde bezuinigingen van de Conservatieven uit die tijd, lezen we geen woord.

Politiek op het scherpst van de snede is evengoed een fascinerend verslag van binnenuit, dat ook voor wie niet thuis is in de Engelse politiek uitstekend te volgen is. De Nederlandse editie bevat bovendien een handig overzicht van de belangrijkste politici en termen. Stewarts boodschap lijkt dat de politiek onthutsend slecht werkt, maar er met veel moeite en geluk toch af en toe een stapje vooruitgezet kan worden.

Posted by Thomas in Recensie, Tekst
Filosofische gesprekken van Hume

Filosofische gesprekken van Hume

Deze bespreking van ‘Gesprekken over natuurlijke religie’ van David Hume, vertaald door Ton Vink, schreef ik in september 2025 voor Trouw.

De auteur

Le bon David, die goeie David: zo werd David Hume (1711-1776) door zijn tijdgenoten in Parijs genoemd. Hij stond bekend als zachtmoedig, vriendelijk en vrijgevig. Als twaalfjarige ging Hume al naar de universiteit van Edinburgh. Daarna maakte hij naam met zijn boeken, werd hij een spil in de achttiende-eeuwse Republiek der Letteren en groeide hij uit tot een van de allergrootste westerse filosofen.

Ondanks zijn faam, grootmoedigheid en humanistische motto ‘Wees een filosoof, maar wees bij al je gefilosofeer altijd ook mens’, kreeg Hume flinke kritiek voor zijn kiezen. Hij stond namelijk ook te boek als atheïst, iemand met ‘verderfelijke beginselen’. Daardoor gingen leerstoelen in Glasgow en Edinburgh aan zijn neus voorbij en werd zijn Gesprekken over de natuurlijke religie pas na zijn overlijden gepubliceerd.

Het boek

Ton Vink maakte van dat controversiële boek een Nederlandse vertaling. Vink vertaalde eerder al een selectie van Humes essays en schreef een biografie over Hume. De recente uitgave is een geactualiseerde editie van zijn eerdere vertaling en bevat een mooie inleiding en uitgebreid commentaar.

In de Gesprekken vertelt een jongen, Pamphilus, een lang gesprek na dat hij bijwoonde. In dat gesprek discussiëren Philo, Cleanthes en Demea over de aard van God en de natuurlijke religie. De natuurlijke religie is het geloof in God dat gebaseerd is op de natuur, dus op onze ervaringen en redeneringen. Daartegenover stond het geloof in God gebaseerd op openbaringen en Bijbelteksten.

Het gesprek

Centraal in het gesprek staat het zogeheten ontwerpargument. Dat argument is grofweg: uit onze waarnemingen blijkt dat de wereld net zo vernuftig in elkaar zit als een machine of een klok. Daarom moeten we wel aannemen dat er een soort ontwerp aan ten grondslag ligt en dat er dus ook een ontwerper of klokkenmaker moet zijn – dat is God. Deze positie verdedigt Cleanthes.

Onzin, vindt Demea. Dat argument is hem veel te antropomorf: het neemt onterecht de mens als maat. Dat de mens dingen op een bepaalde manier maakt, wil nog niet zeggen dat God op vergelijkbare wijze de wereld heeft geschapen. Volgens Demea is het enige bewijs voor God: alles heeft een oorzaak en uiteindelijk is er dus een eerste oorzaak – dat is God. Vanwege ons beperkte verstand en onze beperkte ervaringen kan de mens verder niets begrijpen van de aard van God.

Philo zit als scepticus tussen beide uitgangspunten in. Hij gaat vooral de discussie aan met Cleanthes en haalt diens analogie tussen menselijke en goddelijke schepping onderuit. Menselijke ontwerpers zijn bijvoorbeeld duidelijk onvolmaakt en werken vaak samen met andere ontwerpers, maar is God dan ook onvolmaakt en waarom zouden er dan geen duizenden goden zijn? En hoe kan een volmaakte en goede schepper nou zoveel ellende toestaan in de wereld? Zulke vragen en redeneringen onderzoeken ze in hun gesprek rustig en grondig.

Kenmerkende zin

Verrassend is dat Philo aan het eind – Demea is dan al afgehaakt – toch pleit voor een filosofisch geloof en zegt dat er een eerste oorzaak is die lijkt op menselijke intelligentie. In zijn woorden een ‘oorzaak of oorzaken van de orde in het universum [die] waarschijnlijk enige verre analogie vertonen met de menselijke intelligentie’. Meent hij dat? Na al zijn eerdere argumenten tegen de analogie?

Reden om dit boek niet te lezen

Die dubbelzinnigheid en de lange, complexe zinnen maken het een uitdagend boek. Je moet er goed voor gaan zitten.

Redenen om dit boek wel te lezen

Gelukkig geeft Vink uitgebreid commentaar op Philo’s slotrede – die Hume-deskundigen nog altijd verdeelt en waarover Vink zijn dissertatie schreef. Hij neemt daarbij duidelijk stelling in.

Godsbewijzen zijn niet meer zo spannend als in Humes tijd. Maar binnen de filosofie blijft dit boek van Hume een grote klassieker. Het beïnvloedde Immanuel Kant en ook Friedrich Nietzsche citeerde eruit. Zo is de doctrine van de eeuwige wederkeer van het gelijke, waar Nietzsche om bekendstaat, een eeuw eerder al in Humes gesprekken te vinden.

De argumenten zijn meestal elegant, soms ironisch en vaak voorzien van sprekende, heldere voorbeelden. Daarmee nodigt Hume nog altijd uit tot nadenken over de orde en ellende in de wereld – en over de vraag of die goeie David nou atheïst was of niet.

Posted by Thomas in Recensie, Tekst
De brieven van Kierkegaard

De brieven van Kierkegaard

Deze bespreking van Brieven van Søren Kierkegaard, vertaald door Diederik Grit en Edith Koenders, in juli 2025 voor Trouw.

De auteur

Søren Kierkegaard (1813-1855) was filosoof, theoloog en schrijver. Hij nam zich al jong voor om een groot schrijver te worden. En schrijven deed hij. Daardoor werd hij een van de belangrijkste filosofen van zijn tijd. Zijn filosofische werken verschijnen sinds 2006 in Nederlandse vertaling in een reeks die inmiddels een flinke boekenplank beslaat.

De brieven

Daarnaast schreef Kierkegaard ook nog eens honderden brieven. Daarvan zijn er zo’n 230 bewaard gebleven, onder meer dankzij erfgenamen die geen gehoor gaven aan zijn wens om ze na zijn dood ongeopend te verbranden. Van een selectie uit die brieven is onlangs een heruitgave verschenen, vertaald door Diederik Grit en Edith Koenders, ingeleid door Henk van der Liet.

Kierkegaard had geen bijzonder spannend leven. De schokkendste gebeurtenis was dat hij in augustus 1841 na een jaar zijn verloving met Regine Olsen verbrak. Hij kon het huwelijk bij nader inzien niet verbinden met zijn schrijversambities en zijn wispelturige, melancholische gemoed.

Maar die breuk had wel enorme invloed op Kierkegaards denken. In meerdere boeken speelde zijn liefdescrisis een rol, bijvoorbeeld in zijn beroemdste werk Of/of, dat gaat over vrouwen verleiden, het huwelijk, de liefde en keuzes maken. Ook in deze brievenbundel staat Kierkegaards verhouding met Regine centraal.

Gezwijmel en geleuter

De bundel begint voor de breuk. Kierkegaards liefdesbrieven bevatten mooie lyrische passages en bespiegelingen met natuurbeelden: ‘Onze vroege jeugd is als een bloem in de ochtendschemering, met een schitterende dauwdrop in zijn kelk, die al wat hem omringt op harmonisch-melancholieke wijze weerspiegelt.’ Daarnaast ontving Regine ook een boel gezwijmel, met zo nu en dan zelfs een tekeningetje erbij. De terugkerende afsluiting ‘voor eeuwig de jouwe’ is, wetende wat er zou komen, een beetje wrang.

Na de breuk bleef Kierkegaard Regine schrijven, maar dan kortaf. Hij besloot afstand van haar te nemen en vertrok naar Berlijn. Daar bleef zijn ex-verloofde in zijn hoofd rondspoken. Kierkegaard schreef zijn vriend Emil Boesen meerdere brieven en gaf hem precieze instructies om Regine stiekem in de gaten te houden.

Ook volgde Kierkegaard in Berlijn colleges bij de beroemde filosoof Schelling. Over de inhoud daarvan leren we helaas maar weinig. Hij hield het bij de vaststelling dat ze drukbezocht, maar teleurstellend waren: ‘Schelling leutert eindeloos door.’ Wel geven de brieven aan Boesen een idee van de schrijfwoede die Kierkegaards beving vanaf zijn verblijf in Berlijn

Kenmerkende zinnen

‘Ik heb nog nooit zo hard gewerkt als nu. ’s Morgens maak ik een korte wandeling. Dan kom ik thuis en zit tot een uur of drie ’s middags onafgebroken op mijn kamer. Ik kan dan nauwelijks meer uit mijn ogen kijken (…) In mijn indolentie van de afgelopen maanden heb ik het reservoir van het stortbad flink volgepompt, nu heb ik aan het koordje getrokken, en de ideeën plenzen op me neer als gezonde, vrolijke, weldoorvoede, opgewekte, gezegende kinderen, makkelijk ter wereld gekomen, alle met mijn persoonlijke moedervlek’.

Redenen om dit boek te lezen

Aan deze uitgave mankeert niks. De vertaling is mooi en de brieven zijn voorzien van een duidelijke inleiding en beknopte toelichtingen. Voor wie Kierkegaard als mens wil begrijpen, bieden de brieven een inkijkje in zijn zielenroerselen.

Redenen om dit boek niet te lezen

Dat inkijkje is alleen niet zo spectaculair. Hoewel Kierkegaard ook schreef aan bevriende hoogleraren met wie hij graag wandelde, zijn er al met al maar weinig ideeën te vinden in zijn brieven. Kierkegaard gebruikte zijn brieven niet als denklaboratorium, waar je als hedendaagse lezer op hoopt.

De afscheidsbrief die hij met zijn verlovingsring aan Regine stuurde, is helaas verloren gegaan. In feite ontbreekt Kierkegaards belangrijkste brief dus in de bundel. Hij verwerkte wel zinnen uit die brief, met nog veel meer overpeinzingen over de verbroken verloving, in zijn boek Stadia op de levensweg, in het deel ‘Schuldig?/Niet schuldig?’

Aan het eind van de bundel lezen we wel een paar conceptbrieven aan Regine, die intussen was getrouwd met een ander. Kierkegaard probeerde het contact weer aan te knopen, nota bene via haar echtgenoot. In de conceptbrieven klaagde Kierkegaard vooral dat het allemaal zo zwaar was geweest voor hém. De uiteindelijke brief kwam ongeopend terug. Misschien maar goed ook.

Posted by Thomas in Recensie, Tekst

Open Socrates van Agnes Callard

Deze bespreking van ‘Open Socrates’ van Agnes Callard, vertaald door Huub Stegeman, schreef ik in juni 2025 voor Trouw.

De auteur

Agnes Callard is een rijzende ster in de academische filosofie. Callard doceert aan de universiteit van Chicago en is gespecialiseerd in klassieke filosofie en ethiek. Eerder publiceerde ze onder meer een prachtig essay over de filosofie en waarde van woede. Ook buiten de academie verwierf ze enige bekendheid, door podcasts en een groot profiel in The New Yorker.

Het boek

Open Socrates is Callards eerste boek voor een breed publiek en nu vertaald door Huub Stegeman. Ze zet gelijk hoog in en probeert een geheel nieuwe ethische stroming op poten te zetten: een ethiek in de geest van Socrates. In het eerste deel van het boek schrijft Callard over ‘ongelegen vragen’, in het tweede over de socratische methode en in het derde deel over politiek, liefde en dood.

Tolstoi’s vragen

Callard neemt een flinke aanloop en begint met een verhaal over Lev Tolstoi. Hoe Tolstoi ook zocht, toen hij rond de vijftig was, wist hij niet langer wat de zin van zijn leven was. Verontrustend, want hij was toch een succesvol schrijver. Maar Tolstoi kon geen antwoord vinden op vragen als ‘wat ben ik?’ en ‘waarom besta ik?’ Hij overwoog zelfs zelfdoding.

Zo moet het dus niet, stelt Callard. Tolstoi klaagde namelijk een hoop, maar onderzocht de genoemde vragen niet werkelijk. En dat geldt voor de meesten van ons. Alles wat we doen is in feite al een antwoord op zulke vragen, gebaseerd op wat ons lichaam of onze groep van ons verlangt. Omdat we die antwoorden gebruiken, komen de vragen erover ongelegen.

De socratische methode

Iemand die zulke vragen wél goed onderzocht was Socrates. Hij deed dat in gesprek met zijn stadsgenoten, zoals in de beroemde door Plato opgetekende dialogen. De socratische methode komt volgens Callard neer op: ‘onderzoek, wees ruimdenkend, zoek de waarheid en vermijd onwaarheid’.

Daarbij moet je bereid zijn je eigen ongelijk toe te geven en praten met anderen, zodat je samen het eigen perspectief kunt ontstijgen. Socrates probeerde dat uit te lokken. Volgens Callard niet als irritante betweter, maar als iemand die serieus probeerde samen naar kennis te zoeken. Neem je die houding aan, dan leef je een goed leven.

Kenmerkende zinnen

‘Denken is, paradigmatisch gezien, een sociale zoektocht naar betere antwoorden op het soort vragen dat, wanneer we ermee te maken krijgen, al beantwoord lijkt te zijn. Het is een zoektocht omdat het een ingebouwd eindpunt heeft: kennis. Het is sociaal omdat het werkt doordat meningsverschillen tussen mensen worden opgelost. […] denken is gebruikmaken van de socratische methode om onderzoek te doen naar ongelegen vragen.’

Redenen om dit boek niet te lezen

Andere denkers gingen Callard voor in het verkennen van een socratische ethiek. Hans-Georg Gadamer bijvoorbeeld, die zijn filosofie ooit samenvatte als ‘de ander zou wel eens gelijk kunnen hebben’. Gek genoeg bespreekt Callard geen van hen.

Callard heeft een wat vermoeiende vertelstijl. Ze gebruikt weinig jargon, maar wel een handvol eigen begrippen waar je even aan moet wennen, zoals ‘ongelegen vragen’, ‘twijfelen’ en ‘brute bevelen’. Ook heeft Callard veel vergelijkingen en citaten nodig om een punt te maken.

Redenen om dit boek wel te lezen

Tegelijk is Callards repertoire van citaten indrukwekkend en verbindt ze allerlei denkers, romans en voorvallen heel creatief met elkaar. Zo bespreekt ze een idee van Adam Smith en vergelijkt ze daarbij de woede van Achilles met de frustraties van het zusje van een jeugdvriendin bij het bakken van brownies.

Ook trekt Callard een les uit de fantastische manier waarop filosoof A.J. Ayer ooit bokser Mike Tyson aansprak toen die de jonge Naomi Campbell lastigviel. Punt is: of je nu een Griekse held, een bokskampioen of een jonger zusje bent, iedereen wil als gelijke behandeld worden. Callard meent met Socrates dat je als je anderen zo benadert samen tot nieuwe inzichten kunt komen.

Open Socrates is niet zomaar een uitleg van Socrates’ filosofie. Het is een serieuze doordenking en toepassing van zijn houding. Het resultaat is een tamelijk dunne ethiek, maar wel een prikkelende. Vooral Callards socratische pleidooi tegen ‘politiseren’ – alles zien als een wedstrijd met maar één winnaar – is actueel en overtuigend. Daar kunnen onze politici veel van leren, en wij allemaal eigenlijk wel.

Posted by Thomas in Recensie, Tekst

John Stuart Mill over godsdienst

Deze bespreking van ‘Drie essays over godsdienst’ van John Stuart Mill, vertaald door Karel D’huyvetters, schreef ik in mei 2025 voor Trouw.

De auteur

John Stuart Mill (1806-1873) was een van de invloedrijkste filosofen uit de negentiende eeuw. Hij werd door zijn vader James Mill en Jeremy Bentham intellectueel opgevoed. Zo kende hij op zijn derde het Griekse alfabet en las hij op zijn achtste Plato en Griekse klassiekers.

Mill geldt, met Bentham, als een van de vaders van het moderne utilitarisme. Die ethische benadering streeft naar het grootst mogelijke geluk voor zoveel mogelijk mensen. Pijn vermijden en geluk of genot bevorderen maakt handelingen goed. Het utilitarisme krijgt vaak het verwijt een kille ethiek te zijn, die alles wat we doen reduceert tot een simpele rekensom van pijn en genot.

Het boek

Dat Mill kil noch simpel was, blijkt echter uit de recente vertaling van Drie essays over godsdienst. Mills nadruk op nut leidde hem tot een uitgesproken, maar ook milde kijk op godsdienst. In deze essays toont Mill zich een erfgenaam van de Verlichting. Hij was sceptisch over een bovennatuurlijke God die mensen straft en beloont. De christelijke leer – dat wil zeggen, de morele leer van de mens Jezus – vond hij daarentegen een toppunt van morele goedheid.

De essays

In het eerste essay analyseert Mill het begrip ‘Natuur’. Tegen Rousseau in betoogt hij dat handelen volgens de natuur niet per se goed is. Zo hebben we allerlei instincten – zelfzucht, vernielzucht, wreedaardigheid – die slecht zijn. Goede kwaliteiten als moed, zindelijkheid en sympathie zijn juist allemaal aangeleerd. In de Natuur is bovendien zoveel kwaad te vinden dat als ze geschapen zou zijn, haar schepper onmogelijk tegelijk algoed en almachtig kan zijn.

Vervolgens vraagt Mill zich in het tweede essay af of godsdienst, zelfs als ze onwaar is, misschien toch nuttig kan zijn. Godsdienst heeft de samenleving en het individu door de eeuwen heen duidelijk veel goeds gebracht. Maar Mill constateert dat godsdienst zijn kracht wel ontleent aan seculiere dingen: algemene overeenstemming, opvoeding en de publieke opinie.

Zo komt Mill tot een ‘religie van de mensheid’. Angst voor hoe God oordeelt over ons handelen is daarin niet nodig. Het volstaat om te bedenken wat onze vrienden, voorouders en beroemde voorgangers als Socrates en Marcus Aurelius van onze daden zouden vinden.

In het derde essay onderzoekt Mill of het geloof in God te rijmen is met de natuurwetten die de moderne wetenschap heeft ontdekt. Hier bespreekt en weerlegt hij verschillende godsbewijzen. Opvallend genoeg concludeert hij dat sluitend bewijs ontbreekt, maar dat er best een intelligente schepper zou kunnen bestaan. Als die er is, is die zeker niet almachtig en dus moet de mens een handje helpen om de schepping te verbeteren.

Kenmerkende zinnen

‘De essentie van godsdienst is de sterke en ernstige geleiding van de emoties en verlangens naar een ideale doelstelling, die erkend wordt als hoogst uitmuntend, en als terecht van het hoogste belang boven alle zelfzuchtige doelstellingen van het verlangen. Die voorwaarde is in de Godsdienst van de Mensheid vervuld in een even eminente mate, en in een even hoge zin, als door de bovennatuurlijke godsdiensten zelfs in hun beste verschijningsvormen, en veel meer dan in enige van hun andere.’

Reden om dit boek niet te lezen

Mills boek verscheen postuum in 1874 en al in december van dat jaar was er een Nederlandse vertaling. Deze nieuwe vertaling van Karel D’huyvetters is veel leesbaarder. Toch lezen de teksten nog niet echt soepel en klinkt het Engels er geregeld doorheen. Ook is religion voortdurend vertaald als ‘godsdienst’, terwijl Mills punt juist is dat hij geen god nodig heeft in zijn religie van de mensheid.

Redenen om dit boek wel te lezen

Hoewel Mill wat langdradig kan zijn, is zijn kalme redeneertrant ook genietbaar. Zo nu en dan staat hij zichzelf een mooie verzuchting toe, zoals deze: ‘De menselijke existentie is omringd met mysterie het nauwe gebied van onze ervaring is een klein eiland te midden van een grenzeloze zee, die tegelijkertijd onze gevoelens vult met ontzag en onze verbeelding stimuleert door zijn weidsheid en zijn duisterheid.’

Ook is het in onze tijd een verademing om eens werk van iemand te lezen die nog zoveel vertrouwen had in redelijkheid, wetenschap, de samenleving en de mens als Mill.

Posted by Thomas in Recensie, Tekst
Rilke – De sonnetten aan Orpheus

Rilke – De sonnetten aan Orpheus

Deze bespreking van De sonetten aan Orpheus van Rilke, vertaald door Gerard Kessels, schreef ik in mei 2025 voor het Nexus Instituut.

Begin 1922 stond Rilke een wonderlijk productieve maand te wachten. Hij verbleef toen in een oud landhuis in het Zwitserse Muzot. Van een vriendin kreeg hij een prent met daarop de mythische Orpheus, zingend en spelend op zijn lier, en een editie van Ovidius’ Metamorfosen, waarin Orpheus voorkomt. Bovendien was hij geraakt door bericht van het vroegtijdig overlijden van danseres Wera Ouckama Knoop en door het werk van Paul Valéry. Toen zijn nieuwe schrijflessenaar arriveerde, barstte in februari door al die inspiratie een creatieve storm los.

In die schrijfstorm voltooide Rilke niet alleen zijn Duineser Elegien, maar zette hij ook onverwacht 55 sonnetten op papier, Die Sonette an Orpheus. De elegieën waren een ‘reusachtig wit zeildoek’ en de sonnetten een ‘klein roestkleurig zeil’, die hij beide in één adem had mogen vullen, schreef hij drie jaar later aan zijn Poolse vertaler Witold Hulewicz. Zijn elegieën waren het resultaat van jarenlang werken, de sonnetten kwamen haast spontaan.

De elegieën gelden als een hoogtepunt in de dichtkunst; ze zijn bijzonder complex en uitgebreid becommentarieerd. Dat Rilke de sonnetten zag als het kleine zeil, wil niet zeggen dat ze simpel zijn en om minder commentaar vragen. Inhoudelijk waren ze ‘even moeilijk’ en ‘van dezelfde essentie vervuld’ als de elegieën, schreef Rilke eveneens aan Hulewicz. De afgelopen jaren hebben de sonnetten meer aandacht gekregen en zijn er verschillende vertalingen verschenen in het Nederlands.

Nu is er met De sonnetten aan Orpheus een nieuwe vertaling, van de hand van Gerard Kessels. Kessels vertaalde eerder al Het getijdenboek, Nieuwe gedichten en Het boek der beelden van Rilke en sluit zijn vertaalproject af met de sonnetten. Er zijn dus al meerdere vertalingen beschikbaar: de editie van Blok, Jellema en Bronzwaer uit 1996 (met daarin ook de Elegieën), de vertaling van Bert Karel Schreurs uit 2016 en de vertaling van Wessel ten Boom uit 2019. Was er ruimte voor nóg een vertaling?

Eerst iets over de sonnetten in het algemeen. Een centraal thema in de sonnetten is artistiek scheppen, preciezer de dichtkunst. Rilke zet Orpheus neer als een soort mythisch model van de dichter. In Metamorfosen van Ovidius daalt de dichter, zanger en lierspeler Orpheus af in de onderwereld. Met zijn muziek weet hij de goden te overtuigen dat hij zijn geliefde Eurydice mee terug mag nemen, op voorwaarde dat hij tijdens de terugtocht niet omkijkt. Hij kijkt toch om, Eurydice sterft voor een tweede maal en bedroefd wijdt Orpheus zich vervolgens volledig aan de muziek. In dit verhaal zitten meerdere thema’s die we terugvinden in de sonnetten – zang, kunst, transformatie, leven en dood.

Sonnetten zijn doorgaans veertienregelige ritmische, rijmende en regelmatige gedichten. Van oudsher zijn het liedjes, wat weer uitstekend past bij de figuur van Orpheus. Vaak zijn ze uitdrukkingen van liefde, zoals de beroemde sonnetten van Petrarca. De sonnetten van Rilke zijn inderdaad veertienregelig, ritmisch en rijmend, maar niet altijd regelmatig: sommige verzen zijn één woord, andere wel tien. Aan al die kenmerken wil je als vertaler zoveel mogelijk recht doen, wat een enorme opgave is – en dan hebben we het alleen nog maar over de vorm.

De editie van Blok, Jellema en Bronzwaer bevat een uitgebreide en diepgravende introductie en goede toelichtingen per gedicht, maar de vertaling doet nu, zo’n dertig jaar later, een tikje gedateerd aan. De drie nieuwere vertalingen voorzien in de behoefte aan een vlottere versie. Die moet je eigenlijk als geheel lezen om ze ook als geheel te kunnen beoordelen, maar een korte vergelijking kan een beeld geven van de aanpak, vertaalkeuzes en toon.

De sonnetten aan Orpheus bestaat uit twee delen, en het derde gedicht van het eerste deel is een goede casus. Het bevat waarschijnlijk de bekendste zin uit de sonnetten: ‘Gesang ist Dasein.’ In het gedicht ervoor is er sprake van een meisje (denk aan Wera en Eurydice) dat haast tot leven wordt gewekt, maar wel in slaap en zonder begeerte om wakker te worden, door de lier en zang van een god.

In het derde gedicht wordt vervolgens de vraag gesteld hoe dit opwekken gebeurt. Een god kan dat natuurlijk, maar een mens ook? De tweede strofe, waarin ‘jij’ Orpheus is, gaat als volgt:

Gesang, wie du ihn lehrst, ist nicht Begehr,
nicht Werbung um ein endlich noch Erreichtes;
Gesang ist Dasein. Für den Gott ein Leichtes.
Wann aber sind wir? Und wann wendet er

Gezang naar jouw model is geen begeren,
geen dingen naar een ding dat voor ons zwicht;
gezang is zijn. De god vermag dit licht.
Wanneer echter zijn wij? Wanneer zal hij ons wezen
(Schreurs)

Gezang, zoals jij leert, is niet een wens,
niet dingen naar dat wat uiteindelijk zwicht.
Zingen is daar-zijn. Voor de God iets heel lichts.
Wanneer echter zijn wij? En wanneer wendt
(Ten Boom)

Jij leert hem dat gezang geen moeten kent,
geen streven is alsnog iets te verkrijgen –
gezang is Zijn. En voor de god heel eigen.
Maar wij, wanneer zijn wij? En wanneer wendt
(Kessels)

Ten Boom neemt opvallend veel over uit de vertaling van Schreurs, waarover hij in zijn introductie schrijft dat die over het algemeen precies is, maar te vaak rijm mist. Toch rijmt Ten Boom hier niet beter. In zijn toelichting verwijst hij naar Heidegger, bij wie Dasein een belangrijk begrip is. Misschien dat hij daarom een (door Heidegger zo geliefd) koppelteken invoegt, maar fraai is het niet. En Rilke herhaalt duidelijk ‘Gesang’, waar Ten Boom van afwijkt.

Kessels neemt duidelijk meer vrijheid bij zijn vertaling. Bij hem rijmen alle verzen. Schreurs schrijft in zijn commentaar dat ‘nicht Begehr’ verband houdt met het gebrek aan begeerte om wakker te worden uit voorgaande sonnet en dat Rilke wil zeggen dat het zijn waarop hij hier doelt een soort bestaan zonder begeerte en verlangen is. ‘Moeten’ lijkt vreemd, want het gaat er niet om dat we iets moeten doen, maar het woord kan ook ‘behoefte hebben aan’ betekenen en dan is het zo gek nog niet. Het Duits staat (net als bij de andere vertalingen) op de verso, waardoor je kunt begrijpen wat Kessels doet.

Waarom ‘Zijn’ bij hem met een hoofdletter is, wordt helaas niet duidelijk uit het gedicht zelf en ook niet uit het commentaar achterin, dat sowieso summier is. In de laatste regel is bij Kessels per ongeluk ‘wir/wij’ gecursiveerd in plaats van ‘sind/zijn’. En zo zijn er meer slordigheidjes te vinden: aan het slot van dit sonnet ontbreekt bijvoorbeeld de ‘s’ in ‘niets’; in sonnet 1.XXII had de laatste strofe een nieuwe zin moeten zijn; en in sonnet 2.II is een cursiefje weggevallen.

Toch is de insteek van Kessels er wel een om vrolijk van te worden. Er zit vaart in zijn vertaling, het rijm is goed en er spreekt plezier uit. Dat is zeker de bedoeling bij deze sonnetten die Rilke zo geïnspireerd opschreef. Wat dat betreft heeft Kessels laten zien dat er inderdaad ruimte was voor een nieuwe Nederlandse vertaling. Hoewel de vertaling van Schreurs preciezer is, loont het om die reden om deze nieuwe uitgave in huis te halen.

Posted by Thomas in Recensie, Tekst
De dronken filosoof van Thomas Crombez

De dronken filosoof van Thomas Crombez

dronken

Voor Trouw besprak ik ‘De dronken filosoof. Moderne denkers en schrijvers over de roes’ van Thomas Crombez, in april 2025.

De auteurs

Thomas Crombez is filosoof, schrijver, vertaler, uitgever en docent, en al die rollen speelt hij bij De dronken filosoof. Dit boek is namelijk een chronologische bloemlezing van filosofische fragmenten over de roes – opgewekt door cocaïne, hasj, lachgas, opium maar ook door muziek, kunst, een balletuitvoering of zelfs de eerste rondvlucht van een zeppelin. Crombez koos en vertaalde ook de meeste fragmenten, en voorzag ze van beknopte, behulpzame introducties.

De auteurs die Crombez selecteerde lopen uiteen van Paolo Mantegazza met een fragment uit 1859 tot Laurent de Sutter met een tekst uit 2017. Daartussenin vinden we veel beroemde schrijvers als Nietzsche, Baudelaire, Freud, Max Weber, Karl Jaspers en Aldous Huxley. Ze benaderen en beoordelen de roes steeds net weer een beetje anders.

Het onderwerp

Iedereen heeft zich na een paar wijntjes weleens een groot filosoof gevoeld. Tijdens een roes ervaren we de wereld anders dan normaal en denken we wat vrijer. Soms denken we dan briljante ingevingen te hebben. Alleen zodra de ontnuchtering toeslaat, groeit ook het besef dat die ons weer ontglippen. Grappig, maar voor serieuze filosofen ook een serieus probleem. Want hoe neem je nou waardevolle inzichten die je tijdens een roes opdoet mee naar de nuchtere wereld? Die vraag keert bij meerdere denkers in deze bundel terug.

Zo kreeg psycholoog William James toen hij lachgas gebruikte plots het gevoel dat hij iets begon te begrijpen van de dialectiek van Hegel, waarbij twee tegendelen toch één geheel vormen. James schreef: ‘Ik heb vellen en vellen vol met zinnen die ik tijdens de roes gedicteerd of neergeschreven heb, en die voor de nuchtere lezer betekenisloos gebrabbel lijken. Maar op het moment dat ik ze schreef waren ze versmolten in het vuur van een oneindige rationaliteit.’

Kenmerkende zinnen

James illustreert zijn punt met enkele regels: ‘Het eens zijn – Het oneens zijn!! Emotie – motie!! Sterven weg van, van, sterven weg (zonder de van). Verzoening van tegenpolen; nuchter, dronken, het komt op hetzelfde neer! Goed en kwaad verzoend in een lach! Het ontsnapt, het ontsnap! Maar… Wat ontsnapt er, WAT ontsnapt er?’

Tja. Dat behoeft nog wat uitleg. Die geeft James gelukkig ook wel, al moet je om hem (en Hegel) werkelijk te begrijpen misschien toch die ervaring zelf hebben gehad.

Redenen om dit boek te lezen

Crombez toont met deze bloemlezing de rijkdom van het denken over de roes. De auteurs in zijn selectie belichten de roes vanuit allerlei hoeken: wetenschappelijk, artistiek, filosofisch, politiek en ethisch.

Bovendien is het Crombez goed gelukt om ook minder bekende namen te vinden. Zo komt horrorschrijver Arthur Machen met een originele interpretatie van de overdadige hoeveelheid wijn in de verhalen van François Rabelais en melkpunch in die van Charles Dickens. En wetenschapsfilosoof Vinciane Despret werpt de prikkelende vraag op wat het gedrag van de rumdrinkende apen op een Caribisch eiland zegt over ons eigen drankgebruik.

Ook is het vermakelijk om te lezen hoe de verschillende schrijvers woorden proberen te vinden voor hun knotsgekke visioenen en sensaties. De meest wonderlijke ervaringen worden bloedserieus neergepend. Zo vertelt iemand die een experiment met mescal onderging dat zijn eigen been in blauwe vlammen kwam te staan nadat hij het had aangeraakt met een beschuitje.

Redenen om dit boek niet te lezen

Niet alle teksten zijn even boeiend. De openingstekst, van Mantegazza over cocaïne, is al meteen een beetje saai en droog – behalve het lijstje fantasmagorieën. Freud nam Mantegazza’s verhaal deels over en dacht aanvankelijk dat coca wel een goed afkickmiddel was voor morfineverslaafden. Foutje, bleek later. Dus deed Freud afstand van de betreffende tekst. Mooi tijdsbeeld, maar filosofisch gezien leveren deze fragmenten niet zo gek veel op.

Ook blijft de vraag hangen wat we als lezer nu precies met deze teksten moeten. Het geheel is geen pleidooi tegen de roes, maar ook geen aansporing om zelf aan de slag te gaan met roesmiddelen. Het boek opent met de oproep van Baudelaire – ‘wees dronken zonder ophouden!’. Het eindigt met een felle kritiek op ‘narcokapitalisme’: het idee dat de mens omwille van economische efficiëntie wordt onderdrukt met behulp van drugs en medicatie. Wat we van dat alles moeten denken, moeten we zelf maar uitvogelen.

Posted by Thomas in Recensie, Tekst

Ian Buruma over het Joodse leven van Spinoza

Deze bespreking van ‘Spinoza. Filosoof van de vrijheid’ van Ian Buruma, schreef ik in maart 2025 voor Trouw.

De auteur

Ian Buruma is schrijver en een van de meest invloedrijke intellectuelen van dit moment. Hij publiceerde tientallen boeken over Japan, religie, cultuur en vrijheid, waaronder het beroemde Occidentalisme. Het Westen in de ogen van zijn vijanden (2004), dat hij schreef met filosoof Avishai Margalit. In 2008 ontving Buruma de prestigieuze Erasmusprijs.

Buruma groeide op in Den Haag en, leuk detail, ging als kind vaak spelen in een huis dat nog van Paulus Potter was geweest, om de hoek bij het sterfhuis van Spinoza aan de Paviljoensgracht. In de houding van twee van zijn grootvaders – de een Joods, de ander een doopsgezinde dominee – herkent Buruma de verdraagzame houding van Spinoza.

Het onderwerp

Spinoza. Filosoof van de vrijheid is Buruma’s biografie van Spinoza. Het boek verscheen oorspronkelijk in het Engels als onderdeel van een reeks over Joodse levens, onder meer die van de door Spinoza geïnspireerde Freud, Marx en Einstein.

Spinoza was geen gelovige jood en wilde ook niet joods leven. Maar hij groeide wel op in de joodse gemeenschap en werd door zijn tijdgenoten ook als Jood gezien. Dit bepaalt Buruma’s insteek: hij besteedt aandacht aan Spinoza’s joodse leven in Amsterdam, zijn kritische verhouding tot joodse riten en overtuigingen, en aan de religieuze tolerantie en spanningen in de Republiek.

De opzet

Buruma zet Spinoza neer als een wereldwijze man en niet als ‘dromer die met zijn hoofd in de boeken dan wel de wolken zat’. Ondanks zijn verbanning hield Spinoza er behoorlijk wat vrienden en geleerde contacten op na.

De jonge jaren van Spinoza, waarover niet veel bekend is, vult Buruma slim in met korte schetsen van tijdgenoten. Zo beschrijft hij het gruwelijke lot van Uriel da Costa, die net als Spinoza werd verbannen uit de joodse gemeenschap en daarbij zo intens vernederd werd dat hij zichzelf het leven benam. Dat geeft wel aan hoe gevaarlijk het destijds was om er afwijkende meningen op na te houden.

Ook in latere jaren spiegelt Buruma Spinoza aan mannen in zijn omgeving. Bijvoorbeeld aan Adriaan Koerbagh, die vanwege een van zijn boeken werd aangeklaagd. De strafeis was dertig jaar gevangenis, het afhakken van zijn rechterduim en het doorboren van zijn tong met een hete priem. Het vonnis werd tien jaar cel, een verbanning en een flinke boete, maar Koerbagh bezweek al snel aan zware dwangarbeid.

Je begrijpt meteen dat Spinoza terughoudend was met het delen en publiceren van zijn radicale gedachten. Zijn inmiddels beroemde gelijkstelling van God en natuur zou de toorn opwekken van joodse rabbijnen, calvinistische predikanten en cartesiaanse wetenschappers – eigenlijk van zo’n beetje iedereen.

Kenmerkende zinnen

‘Zijn toewijding aan de rede en vrijheid om te denken, en ook zijn overtuiging dat dit universele waarden betrof, was denk ik schatplichtig aan het feit dat hij als jood werd geboren in een niet-joodse samenleving.’

Reden om dit boek niet te lezen

Buruma schrijft zelf al dat hij in dit boek geen spectaculaire ontdekkingen of nieuwe inzichten in het leven en denken van Spinoza presenteert. Spinoza’s Ethica speelt maar een bescheiden rol.

Redenen om dit boek wel te lezen

De verdienste van Buruma is dat hij een toegankelijke introductie op het leven van Spinoza heeft geschreven. Geschreven in een prettige vertelstijl staat het boek vol tekenende anekdotes en details, zonder dat de vaart eruit gaat.

Volgens Buruma kunnen we tegenwoordig een voorbeeld nemen aan Spinoza. In een wereld getekend door felle religieuze en politieke strijd, stond Spinoza voor waarheid, redelijkheid, tolerantie en de vrijheid om te denken. Die vrijheid en het idee van een objectieve waarheid staan wederom onder druk. Denk aan Trump natuurlijk, al signaleert Buruma de trend ook bij radicaal-links.

Het boek nodigt bovendien uit om zelf Spinoza-plekken te bezoeken: naast Amsterdam ook Ouderkerk, waar zijn ouders zijn begraven; Voorburg, waar hij woonde en lenzen leverde aan Christiaan Huygens; Den Haag, waar hij werd begraven en waar zijn sterfhuis op vrijdagen open is voor bezoek; en Rijnsburg, waar het Spinozahuis nu een sfeervol museum is.

Voordeel daarbij is dat Buruma’s biografie handzamer is dan veel van de eerdere Spinoza-biografieën. Een fijne opstap naar de monumentale werken van bijvoorbeeld Steven Nadler en Jonathan Israël – en natuurlijk naar de teksten van Spinoza zelf.

Posted by Thomas in Recensie, Tekst
Virginia Woolf: Brief aan een jonge dichter

Virginia Woolf: Brief aan een jonge dichter

Brief aan een jonge dichter

Deze beroemde brief van Virginia Woolf vertaalde ik in 2024 voor Nexus 96. Het Engelse origineel is hier te vinden.

Woolf schreef deze brief op verzoek van John Lehmann, de jonge dichter die uitgever zou worden bij Hogarth Press, de uitgeverij van Virginia en Leonard Woolf. Woolfs brief werd gepubliceerd in 1932 in het juninummer van Yale Review, waarin ook onder meer Thomas Manns essay over Goethe werd opgenomen. In juli van datzelfde jaar verscheen de brief als zelfstandige uitgave, als het achtste nummer in de Hogarth Letters-reeks.

24 september 1931

Mijn beste John,

Leefde hij voor jouw tijd of heb je die oude heer nog ontmoet – zijn naam wil me niet te binnen schieten – die vooral tijdens het ontbijt, wanneer de post werd bezorgd, gesprekken verlevendigde door te stellen dat de kunst van het brievenschrijven is uitgestorven? De goedkope post, zei de oude heer altijd, heeft de kunst van het brievenschrijven om zeep geholpen. Niemand heeft nog tijd, vervolgde hij dan, terwijl hij door zijn brillenglazen een envelop bestudeerde, om zelfs maar de puntjes op de i te zetten. We haasten ons, ging hij verder, zijn toast met marmelade besmerend, naar de telefoon. We vertrouwen onze halfgevormde gedachten in ongrammaticale zinnen toe aan de briefkaart. Gray is dood, vervolgde hij; Horace Walpole is dood; Madame de Sévigné… ook zij is dood, denk ik dat hij er nog aan wou toevoegen, maar hij werd onderbroken doordat hij zich verslikte en moest proestend de ruimte verlaten voor hij de kans kreeg om, zoals hij zo graag deed, alle kunsten naar het kerkhof te verbannen. Maar toen de post vanochtend kwam en ik je brief opende, volgestopt met blauwe velletjes, helemaal beschreven in een krampachtig maar niet onleesbaar handschrift – het spijt me echter te moeten opmerken dat meerdere i’s niet waren voorzien van een puntje en dat één zin me in grammaticaal opzicht twijfelachtig leek – antwoordde ik na al die jaren aan die bejaarde necrofiel: onzin. De kunst van het brievenschrijven is pas net ter wereld gekomen. Het is juist een kind van de goedkope post. En er schuilt wel wat waarheid in die opmerking, lijkt me.

Toen het versturen van een brief nog een halve kroon kostte, moest hij uiteraard een document van enige waarde zijn: hij werd hardop gelezen, hij werd dichtgebonden met een groenzijden lint, en na een aantal jaar werd hij gepubliceerd ten gunste van de eindeloze verrukking van het nageslacht. Jouw brief moet daarentegen worden verbrand. Het kostte maar een paar stuivers om hem te versturen. Je kon het je daarom veroorloven om uiterst intiem, onverbloemd en indiscreet te zijn. Wat je me schrijft over die arme C. en zijn avonturen op de boot over het Kanaal is van uiterst vertrouwelijke aard; je schunnige grappen ten koste van M. zouden beslist jullie vriendschap verpesten als ze bekend zouden worden. Bovendien betwijfel ik dat het nageslacht, tenzij het veel sneller van begrip is dan ik verwacht, je gedachtegang zou kunnen volgen vanaf het lekkende dak (‘drup, drup, drup in het zeepbakje’) langs mevrouw Gape, de werkster, wier weerwoord aan de groenteboer ik altijd zo geestig vind; via juf Curtis en haar eigenaardige ontboezemingen op het trappetje van de omnibus; naar Siamese katten (‘Wikkel een oude kous om hun snuit als ze janken, zegt mijn tante’); en vervolgens naar de waarde van kritiek voor een schrijver; dan naar Donne; dan naar Gerard Hopkins; dan naar grafzerken; dan naar goudvissen; en dan plots op gealarmeerde toon naar ‘Schrijf en vertel me: waar gaat het heen met de poëzie, of is die op sterven na dood?’ Nee, jouw brief zal, omdat het een ware brief is – een die nu niet hardop gelezen kan worden en ook niet in de toekomst gepubliceerd mag worden – moeten worden verbrand. Het nageslacht zal het moeten doen met Walpole en Madame de Sévigné. De eeuw van het brievenschrijven, want dat is onze tijd, zal geen brieven nalaten. En bij het schrijven van mijn antwoord is er slechts één vraag die ik in het openbaar kan beantwoorden of proberen te beantwoorden: die over de poëzie en haar dood.

Maar voordat ik begin, moet ik rekenschap geven van al mijn natuurlijke en aangeleerde tekortkomingen die, zoals je zult zien, alles wat ik te zeggen heb over poëzie vertekenen en ontkrachten. Door een gebrek aan degelijke academische scholing heb ik nooit een jambe van een dactylus kunnen onderscheiden, en als dat nog niet genoeg is om iemand voor altijd te diskwalificeren, wekte de praktijk van het prozaschrijven bij mij, net als bij de meeste prozaschrijvers, een dwaze jaloezie, een regelrechte verontwaardiging – in elk geval een gevoel waarvan de criticus verschoond zou moeten zijn. Wij verfoeide prozaschrijvers vragen ons als we bijeenkomen af: hoe moeten we zeggen wat we vinden én de regels van de poëzie in acht nemen? Hoe kunnen we begrijpen dat ‘mes’ erbij wordt gesleept omdat men ‘fles’ heeft gezegd; en dat ‘zorg’ hoort bij ‘borg’? Rijm is niet alleen kinderachtig, maar ook onoprecht, zeggen wij prozaschrijvers dan. En vervolgens zeggen we: ‘Moet je hun regels zien! Wat is het makkelijk om dichter te zijn! Wat is hun pad recht en duidelijk! Dit moet je wél doen, dat moet je níét doen.’ Ik heb prozaschrijvers horen zeggen dat ze nog liever als een kind in ganzenpas door een buitenwijk zouden lopen dan poëzie schrijven. Het moet zijn alsof je de sluier aanneemt en intreedt in een religieuze orde: de rituelen en regels van het metrum in acht nemen. Dat verklaart waarom ze keer op keer hetzelfde doen. Wij prozaschrijvers daarentegen (ik vertel je nu alleen maar welke onzin prozaschrijvers uitkramen als ze alleen zijn) zijn heersers over de taal, niet haar slaven; niemand kan ons wat leren; niemand kan ons ergens toe dwingen; wij zeggen wat we vinden; heel het leven is ons domein. Wij zijn scheppers, wij zijn ontdekkingsreizigers… Zo blijven we doorratelen – onzinnig, moet ik toegeven.

Laten we, nu ik deze tekortkomingen van mijn hart heb, verdergaan. Uit bepaalde zinnen in je brief maak ik op dat je meent dat de poëzie in een precaire positie verkeert en dat jouw situatie als dichter in deze bewuste herfst van 1931 veel moeilijker is dan die van Shakespeare, Dryden, Pope of Tennyson was. Zelfs dat een zwaardere toestand dan de jouwe tot op heden niet heeft bestaan. Hier bied je me de gelegenheid om een lesje te geven, die ik met beide handen aangrijp. Beschouw jezelf nooit als uitzondering; beschouw je eigen situatie nooit als moeilijker dan die van anderen. Ik geef toe dat de tijd waarin we leven dit bemoeilijkt. Voor het eerst in de geschiedenis zijn er namelijk lezers – een grote groep mensen die zich bezighouden met zaken, sport, het verzorgen van hun grootvaders of het dichtbinden van pakketjes achter een balie –, die nu allemaal lezen en die willen horen hóé ze moeten lezen en wát ze moeten lezen, en hun leraren – de recensenten, referenten en radioreporters – moeten met al hun medemenselijkheid het lezen voor hen gemakkelijk maken en hun verzekeren dat literatuur wild en opwindend is, vol van helden en schurken; van tegengestelde krachten die voortdurend met elkaar in conflict zijn; van velden bezaaid met botten; van eenzame overwinnaars die wegrijden op een wit paard, gehuld in zwarte mantels, die bij de volgende bocht in de weg de dood zullen vinden. Er klinkt een pistoolschot. ‘Het tijdperk van romantiek was over. Het tijdperk van realisme was begonnen’ – je kent het wel. Natuurlijk weten de schrijvers donders goed dat daar geen waar woord aan is: er zijn geen veldslagen, geen moorden, geen nederlagen en geen overwinningen. Maar omdat het uiterst belangrijk is dat de lezers worden vermaakt, gaan de schrijvers erin mee. Ze trekken hun kostuum aan. Ze spelen hun rol. De een leidt, de ander volgt. De een is romanticus, de ander realist. De een is een voorloper, de ander uit de mode. Dat kan allemaal geen kwaad zolang je het ziet als een grap, maar zodra je erin begint te geloven, zodra je jezelf serieus als leider of als volger gaat zien, word je een ongemakkelijk, bijtend en krabbend diertje wiens werk voor niemand van enige waarde of enig belang is. Beschouw jezelf liever als iets veel nederigers en minder spectaculairs, maar in mijn ogen veel interessanters: als dichter in wie alle dichters uit het verleden voortleven en uit wie alle dichters van de toekomst zullen voortkomen. Je hebt een vleugje Chaucer in je en iets van Shakespeare; en Dryden, Pope en Tennyson – om maar je meest respectabele voorouders te noemen – zitten in je bloed en duwen soms je pen een beetje naar rechts of naar links. Kortom, je bent een enorm oude, complexe en continue persoon, dus behandel jezelf alsjeblieft met respect en denk twee keer na voor je je verkleed als Guy Fawkes en op de straathoeken schuchtere oude vrouwtjes bespringt en hun geld of hun leven eist. Maar laat me, omdat je zegt dat je in de penarie zit (‘Het is nog nooit zo lastig geweest om poëzie te schrijven als nu’) en dat de poëzie volgens jou wel eens op haar laatste benen zou kunnen staan in Engeland (‘Al het interessante gebeurt nu bij de romanschrijvers’), voordat de post komt wat tijd verdoen door me in je toestand in te leven en me wagen aan twee gissingen die, aangezien dit een brief is, niet al te serieus genomen of aangedikt moeten worden. Laat ik proberen me in je te verplaatsen; laat ik proberen me, met behulp van je brief, voor te stellen hoe het is om in de herfst van 1931 een jonge dichter te zijn. …

Lees de hele brief in Nexus 96.


Lees ook:

• ‘Woorden willen losjes leven’, mijn vertaling van essays van Woolf
• Mijn vertaling van Woolfs bespreking van Toergenjev
• Blogpost over regen bij Woolf
• Blogpost over de makrelen van Woolf
• Blogpost over mannenzinnen volgens Woolf
• Blogpost over wolkachtige zinnen bij Woolf en De Quincey
• Blogpost Wegdromen met Woolf
• Mijn bespreking van Naar de vuurtoren van Woolf
• Mijn bespreking van Over ziek zijn van Woolf

Posted by Thomas in Tekst, Vertaling

Ray Monk: de vlag overdragen

De vlag overdragen aan het einde van je leven

In 2024 vertaalde ik een brief van Wittgenstein-biograaf Ray Monk voor Nexus 96.

Waarschijnlijk heb ik niet lang meer te leven. Dit verschaft nieuwe urgentie aan mijn vastberadenheid om op te komen voor, of zogezegd de vlag te dragen van datgene waar ik in geloof. Ik zou ook graag anderen overhalen deze vlag te hijsen.

Dit gevoel van urgentie komt namelijk niet alleen voort uit mijn eigen wankele gezondheid, maar ook uit de gezondheid van onze planeet, die net als ik ziek is geworden en op haar beurt lijdt aan de wrede behandeling die haar door de mens ten deel valt. Ook moeten we denken aan de gezondheid van de mensheid in brede zin. Veel mensen menen dat we een kritiek punt hebben bereikt. In de nasleep van de Tweede Wereldoorlog hadden velen datzelfde idee. Zo schreef de filosoof Ludwig Wittgenstein in 1945 in het voorwoord van zijn Filosofische onderzoekingen over de ‘duisternis van deze tijd’. Misschien is het maar goed dat hij niet heeft meegemaakt hoeveel duisterder de tijden sindsdien zijn geworden. Wie wat licht in deze duisternis wil laten schijnen moet harder werken en, misschien belangrijker nog, samenwerken. …

Lees de hele brief in Nexus 96.


Lees ook:

Mijn bespreking van de Nederlandse vertalingen van Wittgensteins Tractatus logico-philosophicus

Posted by Thomas in Tekst, Vertaling
Een gekidnapt Westen

Een gekidnapt Westen

Milan Kundera – Een gekidnapt Westen

Recensie voor het Nexus Instituut
oktober 2023

In 1983 pakte het Franse tijdschrift Le Débat uit met een spraakmakend essay van een van de grootste Europese auteurs van dat moment. De beroemde filosofen Martin Heidegger en Michel Foucault stonden in hetzelfde nummer, maar toch was de hoofdmoot ‘Un Occident kidnappé. Ou la tragédie de l’Europe centrale’, oftewel ‘Een gekidnapt Westen of De tragedie van Midden-Europa’. Auteur: Milan Kundera.

Kundera woonde destijds al in Frankrijk, maar zijn thuisland Tsjechoslowakije lag al jaren achter het IJzeren Gordijn. Daarmee belichaamde Kundera een deel van wat hij de tragedie van Midden-Europa noemde. Kundera stond als schrijver in de traditie van de vrije en vrolijke geest van Rabelais en Diderot en zag zich gedwongen te vluchten voor een macht die precies die geest probeerde te vernietigen. Zo hoorde Tsjechoslowakije cultureel gezien bij West-Europa, maar politiek gezien was het nu ingelijfd door het antiwesterse Sovjet-Rusland.

Deze tragedie – want met miljoenen onderdrukte burgers, gewelddadig neergeslagen opstanden en duizenden doden, gevangenen en vluchtelingen was de Sovjetoverheersing onmiskenbaar een tragedie – was volgens Kundera geen drama van Oost-Europa of het communisme. Nee, dit drama hoorde bij West-Europa. Een heel deel van het vrije Europa was gegijzeld door de totalitaire Sovjets.

Kundera’s essay werd eerder al naar het Nederlands vertaald vanuit een Engelse vertaling, in 1984 voor de Volkskrant en in 2004 voor Nexus 38 – beide onder de titel ‘De tragedie van Midden-Europa’. Onlangs verscheen een nieuwe vertaling, direct uit het Frans vertaald door Martin de Haan, onder de titel Een gekidnapt Westen. De uitgave bevat ook ‘De onvanzelfsprekendheid van een natie’, een bijpassende lezing van Kundera uit 1967, uit het Tsjechisch vertaald door Edgar de Bruin. Daarin bepleit Kundera de kwetsbaarheid maar ook de culturele waarde van een natie, met speciale aandacht voor de grote rol die vertalers in Tsjechië speelden.

Dat Kundera’s tekst nu opnieuw verschijnt, heeft alles te maken met de oorlog in Oekraïne. Want ook nu probeert Rusland met oorlogsgeweld een deel van Europa te overheersen. In de kern maakte Kundera twee punten die relevant en actueel zijn.

Ten eerste betoogde hij dat de landen van Midden-Europa – Tsjechoslowakije, Hongarije en Polen – al eeuwen bij de Europese cultuur hoorden. De inwoners van Midden-Europa voelden zich verbonden met de geest van het vrije Europa. Omgekeerd groeiden Freud, Husserl en Mahler op in het oostelijke deel van Tsjechië, en Europa zonder hen is ondenkbaar.

Dit idee van Midden-Europa als eenheid kwam Kundera op kritiek te staan. Of de eenheid ‘Midden-Europa’ daadwerkelijk bestond, werd en wordt betwijfeld. Van Peter Handke kwam bijvoorbeeld de bekende uitspraak dat Midden-Europa niet veel meer is dan een meteorologische aanduiding.

Voor de huidige Oekraïense strijd is dit punt van Kundera bovendien wat ongemakkelijk. Want in Kundera’s beeld valt Oekraïne onder Oost-Europa. De grote invloed van het orthodox-christelijke geloof en het cyrillisch alfabet zijn twee grote culturele verschillen met de rest van Europa die Kundera aanstipt. Oekraïne kan zich ook niet beroepen op een Kafka of een Freud. Van Taras Sjevtsjenko, de grondlegger van de moderne Oekraïense literatuur, is in Nederland nog steeds geen boek te verkrijgen.

Toch kent de Oekraïense cultuur grote Europese invloeden, via de Poolse aristocratie die zich er vestigde en Franse en Italiaanse cultuurelementen meebracht; via de Habsburgers, die een deel van het land beheersten; en via de Joodse cultuur. De invloedrijke Europese schrijvers Joseph Roth, Bruno Schulz, Joseph Conrad en Paul Celan werden toch echt in het huidige Oekraïne geboren. Ook hedendaagse Oekraïense schrijvers als Andrej Koerkov, Serhii Plokhy en Oksana Zaboezjko worden in heel Europa gelezen.

En misschien nog belangrijker: Oekraïners voelen zich nu Europeaan en kiezen er zelf voor om bij Europa te horen. Dat is wel gebleken uit verkiezingen en hun hardnekkige verzet tegen de bezetting. De Oekraïners zijn intussen ook, net als de Tsjechen, Hongaren en Polen eerder, in opstand gekomen tegen de Russen en hun haat tegen Europa.

Ten tweede betoogde Kundera dat West-Europeanen waren vergeten dat Europa niet alleen bestond uit de Europese instituties en politiek, maar vooral uit een culturele eenheid, een geestelijke notie, een ideaal. De Sovjetbezetting was niet alleen een politieke ramp, maar ook een aanval op de Europese beschaving.

Die vergetelheid was de werkelijke tragiek volgens Kundera. Waar West-Europeanen de culturele dimensie van Europa hadden veronachtzaamd, daar beseften de door de Sovjets onderdrukte Midden-Europeanen juist al te zeer hoe belangrijk ze was. Als voorbeeld noemt Kundera dat de Midden-Europese opstanden tegen de dictatuur allemaal waren voorbereid door literaire tijdschriften, schrijvers, historici en filosofen. In het Westen speelden literaire tijdschriften – als ze überhaupt nog bestonden – geen rol van betekenis meer. De Midden-Europeanen die zo graag bij West-Europa wilden horen, verlangden in feite naar een Europa dat niet meer bestond, constateerde Kundera.

De situatie lijkt tegenwoordig niet heel anders. Tegenwoordig strijden Oekraïense soldaten en schrijvers ieder op hun manier voor hun eigen land, maar ook voor Europa en de geest van vrijheid, lichtheid en relativering. Veel West-Europeanen lijken intussen nog steeds weinig om die geest te malen. Nu Poetin de Oekraïense cultuur probeert weg te vagen en Europa blijft aanvallen, wordt het misschien eens tijd dat we die instelling hier in West-Europa veranderen.

Een gekidnapt Westen zet daartoe aan. Niet alleen door een actueel moreel appel, maar verrassend genoeg ook via de voetnoten, die bij de vorige publicaties ontbraken. In die noten vinden we namelijk een veelheid aan verwijzingen naar bekende en minder bekende schrijvers – van Musil, Miłosz en Konrád tot František Matouš Klácel, Jan Mukařovský en Václav Bělohradský. Zo toont Kundera wat een rijkdom de Europese cultuur en literatuur wel niet te bieden hebben. Daarmee is deze uitgave actueel, prikkelend én inspirerend.


Lees ook:

Oekraïne. Geschiedenissen en verhalen
• mijn essay ‘Pletters, propagandisten en Poesjkin’ voor Tirade

Posted by Thomas in Recensie, Tekst
De Nederlandse doorbraak van natuurbeschermer Aldo Leopold

De Nederlandse doorbraak van natuurbeschermer Aldo Leopold

De Nederlandse doorbraak van Aldo Leopold

Deze bespreking van ‘Denken als een berg’ van Aldo Leopold, vertaald door Joris Capenbergs, schreef ik in februari 2025 voor Trouw.

De auteur

De Amerikaanse bosbeheerder en natuurliefhebber, hoogleraar en schrijver Aldo Leopold (1887-1948) schreef met kennis en liefde over de wildernis en dacht er bovendien over na, wat resulteerde in teksten vol natuur en filosofie.

Zijn bekendste boek is A Sand County Almanac. Het verscheen postuum en geldt intussen als klassieker in de natuurliteratuur en basisboek van de milieu-ethiek. Nu is het mooi vertaald door Joris Capenberghs onder de titel Denken als een berg.

Waarom Leopold niet eerder naar het Nederlands is vertaald, is een raadsel. Misschien komt het doordat we hier geen grote wildernis met bergen hebben. Weinig Nederlanders zullen dag in, dag uit kunnen rondzwerven en genieten van het natuurgebeuren, zoals Leopold dat kon op zijn eigen landgoed in Wisconsin. Toch heeft Leopold voor zelfs de meest stadse Nederlander veel te bieden.

Het thema

Om te beginnen is het gewoon heerlijk wegdromen bij alle natuurbeschrijvingen. Leopold start met de seizoenen op zijn land: een stinkdier ontwaakt uit zijn winterslaap en sleept zijn buikje door de sneeuw; vogels komen en gaan; boompjes groeien op. Misschien een tikje zoetsappig soms, maar we lezen ook over het afschieten van ganzen, verwoestingen door overstroming en het uitroeien van inheemse flora. En Leopold geeft een weergaloze beschrijving van het omzagen van een oude eik.

Dan is er zijn blik. Leopold levert tedere, literaire natuurbeschrijvingen, zelfs van de kleinste diertjes en onaanzienlijkste bloemen. Hij benadrukt bijvoorbeeld hoe lang een plant ergens al groeit en welk gevoel het hem geeft, en houdt geen wetenschappelijk college of algemene geschiedenisles. Voor zulke opmerkzaamheid heb je geen bergen nodig. Die kun je ook hier in de achtertuin, het stadspark of in de weilanden oefenen.

Het grote belang van zo’n blik spreekt uit een terloops zinnetje: ‘We rouwen alleen om wat we begrijpen of weten’. Met andere woorden: wie niet goed kijkt naar de natuur, er niets bij voelt en er niets over weet, zal ook niets geven om al de bijen en bloemen die zijn gesneuveld in de huidige biodiversiteitscrisis.

Kenmerkende zinnen

Zelfs rouwen om uitgestorven soorten kon Leopold trouwens goed. Neem dit stukje bij de onthulling van een monument voor de trekduif: ‘De trekduif was een biologische storm. Hij was de bliksem die tussen twee tegengestelde polen van ondraaglijke intensiteit ontvlamde: de overvloed van het land en de mateloze zuurstof in de lucht. Elk jaar raasde hij als een wervelwind over het continent, verzwolg de rijkdom aan vruchten van bossen en velden en verbrandde ze in een zwervende explosie van leven.’

Redenen om dit boek te lezen

Een van de mooie ideeën van Leopold geeft hij in een verhaal over de wolvenjacht. Als jongeling schoot hij ooit een wolvin en vervolgens zag hij het ‘helgroene vuur in haar ogen uitdoven’. Hij dacht dat hij de lokale hertenpopulatie een dienst had bewezen met de jacht, maar besefte toen dat hij fout zat. Geen wolf betekent namelijk een overdaad aan herten die alles kaalvreten, en zo raakt het hele ecosysteem verstoord. We moeten dus niet denken als een jager, een wolf, een hert of een boom, maar proberen het geheel te zien: ‘denken als een berg’.

Leopold eindigt met een aanzet voor een milieu-ethiek: normen voor een goede omgang met onze leefomgeving. Zo’n ethiek ontbrak destijds nog en is nu extra relevant door Trump, een felle tegenstander van milieubescherming, die van plan is om onder de slogan ‘drill, baby, drill’ het land te plunderen. Net wat we volgens de milieu-ethiek níét moeten doen. Leopolds kritiek op kortzichtig nutsdenken, versnippering van natuurgebieden en intensieve landbouw en veeteelt snijdt nog altijd hout.

Tot slot bevat deze uitgave een goed voorwoord van hoogleraar filosofie Johan Braeckman. We leren over de inspirators en invloed van Leopold, en bijvoorbeeld hoe die met eigen ogen in het Duitsland van de jaren dertig het natuurbeheer de verkeerde kant op zag gaan door het nationaalsocialisme.

In het nawoord benadrukt hoogleraar gedragsecologie en natuurbehoud Hans Van Dyck dat natuurcontact de intellectuele ontwikkeling stimuleert en de gezondheid bevordert. Dus: lezen dit boek en dan hup, naar buiten!


Lees ook:

• Blogpost over bewegende bomen bij Tolkien, Shakespeare en Holberg
• Blogpost over victoriaanse varens en seks

Posted by Thomas in Recensie, Tekst
Waarom laten mensen zich meeslepen door autoritaire demagogen?

Waarom laten mensen zich meeslepen door autoritaire demagogen?

Waarom laten mensen zich keer op keer meeslepen door autoritaire demagogen?

Deze tekst schreef ik voor het tijdschrift Nexus en werd ook gepubliceerd bij NIVOZ.

‘Als ik nadenk over de geschiedenis’, mijmerde hij, ‘raak ik er steeds meer van overtuigd dat alles van waarde in de wereld voortkomt uit de vrije, onderzoekende en kritische geest, en dat het behouden van die geest belangrijker is dan welk sociaal systeem dan ook. Maar de aanhangers van rituelen en van barbarij zijn in staat de aanhangers van de wetenschap monddood te maken en voor eeuwig het zwijgen op te leggen.’

– Sinclair Lewis, It can’t happen here

‘It can’t happen here’, zoiets gebeurt hier niet. De industrieel, de bankier, de schoolbestuurder, de geestelijke en uiteindelijk zelfs de journalist: in de dystopische roman It can’t happen here van Nobelprijswinnaar Sinclair Lewis uit 1935 verklaren ze allen dat het in de Verenigde Staten onmogelijk is dat een fascist de macht zou grijpen. Een land zo vrij en groot als Amerika kan simpelweg geen dictator hebben, dat accepteert geen autoritaire leider. Een tiran aan de macht in de VS? Ondenkbaar. Maar de bevolking laat zich meevoeren door een demagoog, die binnen acht dagen na zijn inauguratie een militaire dictatuur installeert die steeds verder doordringt in het dagelijks leven.

In 1967 – iets meer dan dertig jaar na de publicatie van Lewis’ dystopie, wanneer bovendien de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog in volle omvang bekend zijn geworden – beseft Ron Jones, een 26-jarige, Joodse geschiedenisdocent aan Cubberley High School in Palo Alto, Californië, dat zijn leerlingen dezelfde vooroordelen hebben als de personages van Lewis. Wanneer hij met zijn vierde klas de geschiedenis van nazi-Duitsland behandelt, stelt een van zijn leerlingen een paar eenvoudige maar fundamentele vragen. Hoe kwam het toch dat het Duitse volk zich zo gemakkelijk liet meeslepen door Hitler? En hoe konden zoveel Duitser na de oorlog beweren: wir haben es nicht gewusst?

Jones geeft les volgens de principes van Carl Rogers, de Amerikaanse psycholoog die met Abraham Maslow aan de basis van de humanistische psychologie stond. De humanistische psychologie gaat in het algemeen uit van het belang van vrijheid en zelfverwezenlijking, en in het onderwijs stelt ze de leerling centraal en dient de leraar een open leeromgeving te scheppen, waarin de nieuwsgierigheid van de leerlingen wordt geprikkeld en hun interesses worden gevolgd. Jones besluit de vragen van zijn leerling te adresseren in een experiment. Hij keert zijn aan Rogers ontleende principes volledig om en bouwt in korte tijd een autoritair klimaat op in de klas. 

De leerlingen vormen een groep genaamd de ‘Derde Golf’, met een vlag, eigen groet, ledenpassen, strikte regels en disciplinering door Jones. Het experiment brengt verbazingwekkend snel verbeteringen in de leerprestaties van de klas. Al even vlug komen echter de meest duistere aspecten van sociale druk en groepsdynamiek naar boven. Op drie kritische meisjes na doet de hele groep gewillig mee. Ook leerlingen uit andere klassen sluiten zich aan en samen worden ze – inclusief Jones zelf – meegevoerd in de dynamiek van de groep. Maar voor het echt uit de hand loopt, maakt Jones een einde aan het project. De betrokkenen begrijpen dan maar al te goed hoe het autoritaire regime in Duitsland heeft kunnen ontstaan. Een les die ze hun leven lang bijblijft.

In 1976 kijkt Jones terug op de periode van het schoolexperiment en schrijft hij zijn ervaringen op. Het resultaat, een kort verhaal getiteld ‘The Third Wave’, verschijnt in deze Nexus voor het eerst in Nederlandse vertaling, van Gertjan Wallinga, met persoonlijke toestemming van Jones.

Dit verhaal van Jones slaat aan. In 1981 wordt het nagespeeld in The Wave, de verfilming van regisseur Alexander Grasshoff. The Wave is meermaals op tv te zien en wordt aangeprezen als ‘a high school experiment in mind control that showed how the horrors of Nazi Germany happened.’ De film wordt bekroond met een Emmy, Morton Rhue (pseudoniem van Todd Strasser) verwerkt hem tot roman, en er komen toneelvoorstellingen en zelfs een musical van. Scholen en leraren maken dankbaar gebruik van al dit materiaal, om de lessen die eruit te trekken zijn door te geven aan volgende generaties.

Bijna dertig jaar later blijft het verhaal van Jones en zijn klas tot de verbeelding spreken. In 2018 baseert de Duitse filmregisseur Dennis Gansel er zijn film Die Welle op. Het experiment verloopt daarin grotendeels volgens dezelfde lijnen, maar speelt zich af in het hedendaagse Duitsland en is iets anders opgezet, met een anarchistische en een autoritaire groep leerlingen. Het schoolproject loopt bovendien verder uit de hand, met geweld en een dramatisch einde. In 2019 maakte Gansel de zesdelige dramaserie Wir Sind Die Welle, die weer een andere verhaallijn kent, maar eveneens gebaseerd is op het oorspronkelijke verhaal en dezelfde strekking heeft.

Niet alleen de gefictionaliseerde bewerkingen van het verhaal blijven populair, maar ook de originele versie. Daarvan getuigen twee recente documentaires: Lesson Plan uit 2010, gemaakt door Philip Neel en Mark Hancock – twee leerlingen uit de klas van het oorspronkelijke experiment –, en The Invisible Line – Die Geschichte der Welle uit 2019. Via interviews met Ron Jones, zijn oud-leerlingen, en hoogleraar Philip Zimbardo – beroemd om zijn spraakmakende en veelbekritiseerde Stanford-gevangenisexperiment – wordt de week uit 1967 uitgebreid gereconstrueerd en geduid.

Jones, die nu al bijna vijftig jaar onvermoeibaar zijn verhaal blijft vertellen op scholen, in theaters en in films, vat de lessen zelf samen in een paar heldere en duidelijke observaties — observaties die niet alleen gelden voor vijftienjarige leerlingen. Het verhaal van de Derde Golf laat volgens Jones zien hoe gemakkelijk we vrijheid opgeven ten behoeve van een superioriteitsgevoel. Het toont hoezeer we geneigd zijn naar simpele antwoorden te grijpen. Het maakt inzichtelijk dat wanneer we ons onderdeel voelen van een groep, we bereid zijn om ver te gaan om die groep te verdedigen.

‘De Derde Golf’ maakt ook duidelijk hoe groot het belang is van geschiedenislessen en goede docenten. Daarvoor hoeft het experiment niet eens herhaald te worden — sterker nog, Jones zou het zelf niet nog eens doen, omdat hij vindt dat hij zijn leerlingen destijds in een te kwetsbare en gevaarlijke positie bracht. Maar het is wel van belang dat dit verhaal en de overleveringen en feiten uit de Tweede Wereldoorlog steeds weer doorverteld, gehoord en begrepen worden, ten behoeve van bijvoorbeeld historisch besef, inzicht in de menselijke natuur, en de morele oproep die eruit spreekt.

Het experiment van Jones was geen wetenschappelijk experiment, het was een kort project van één docent op een middelbare school. Maar het is een treffend, begrijpelijk en herkenbaar verhaal, waarin de verteller voor een moreel dilemma komt te staan en dat aanzet tot denken. Het raakt bovendien aan enkele wezenlijke eigenschappen van de mens, zoals onze neiging tot saamhorigheid, loyaliteit en volgzaamheid, maar ook onze gevoeligheid voor groepsdruk, onze goedgelovigheid en discipline.

Onze natuurlijke drang tot groepsvorming is niet per definitie slecht, maar kan wel vrij gemakkelijk ten kwade worden aangewend en uitgebuit. Om ons daarvan bewust te zijn, is zelfreflectie en kritisch kunnen denken essentieel. Om zelf de juiste keuzes te kunnen maken, is morele vorming onmisbaar. Voor beide zijn een juiste opvoeding, serieus onderwijs en goede voorbeelden nodig.

In recente interviews benadrukt Jones dat zijn eigen levenshouding het tegendeel is van de houding die hij tijdens het experiment aannam tegenover zijn leerlingen, namelijk een open, tolerante en creatieve houding, met liefde voor poëzie en jazz. Jones vertelt dat onderwijzers hem geregeld vragen of zo’n experiment ook op hun school zou werken en dat journalisten van hem willen weten of een dictatuur ook in hun land zou kunnen ontstaan. Het antwoord laat zich raden.

Er zijn genoeg tekenen te vinden dat ook de jongere generaties van nu en in ons land maar al te bereid zijn om achter een demagoog aan te lopen, om kritiekloos de groep te volgen en anderen hardhandig buiten te sluiten. Zo waren vorig jaar de twee populairste partijen bij de Scholierenverkiezingen radicaal-rechtse partijen met extreemrechtse en fascistische trekken. Bijna een derde van alle leerlingen was bereid daarvoor te kiezen.

Onlangs waarschuwden de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid en het Landelijk Steunpunt Extremisme nog voor de toegenomen populariteit van extreemrechts onder Nederlandse jongeren tussen de veertien en achttien jaar. Rechtsextremistische uitingen worden onder jongeren steeds normaler, zien beide instituten, waarbij interesse in de Tweede Wereldoorlog en de verheerlijking van het nazisme een rol spelen in een radicalisering richting geweld. Ze constateren dat jongeren zich onzeker voelen, bij een groep willen horen en zich afvragen welke groep dat moet zijn. Met het verhaal van Jones in het achterhoofd, is dat heel begrijpelijk – zeker omdat het gaat om jongeren, die op die leeftijd uitvinden wie ze zijn. Maar anders dan in de jaren zestig vindt die zoektocht naar een identiteit en groep nu grotendeels plaats op internet, waar volgens de NCTV en het LSE een enorm aanbod van extreemrechtse denkbeelden te vinden is.

Sinclair Lewis verwijst in zijn dystopie naar woorden van Romain Rolland – de beroemde Europees humanist en een van Lewis’ voorgangers als winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur – die relevant zijn in dezen. De hoofdpersoon van het verhaal krijgt door zijn zoon, die is ingepalmd door het dictatoriale regime, voor de voeten geworpen dat je nu eenmaal geen omelet kan bakken zonder eieren te breken, dat het doel de middelen heiligt als het resultaat een hernieuwd land is. Op deze bolsjewistische retoriek antwoordt hij fel:

Dat kan ik absoluut niet! Ik zal kwaadaardige, leugenachtige en wrede middelen nooit vergeven, en de fanatici die aankomen met dat excuus zal ik al helemaal niet vergeven! Om met Romain Rolland te spreken: een land dat kwaadaardige middelen – slecht gedrag en slechte normen – een generatie lang tolereert, zal zo vergiftigd raken dat het nooit meer goed afloopt.

Lewis en Rolland waarschuwen ons dus: als wij tolereren dat ook maar één generatie jongeren wordt meegevoerd door extreemrechts, zal dat ernstige consequenties hebben voor de gehele maatschappij en zijn die moeilijk af te wenden.

Net als It can’t happen here van Lewis is ‘De Derde Golf’ van Jones een waarschuwing en een dringende oproep om niet onverschillig te zijn, niet weg te kijken en serieuze dreigingen niet te bagatelliseren. Want door de eeuwen heen waren autoritaire leiders meestal geen welwillende geschiedenisleraren die de stekker er tijdig uittrokken. Wat in het verleden kon gebeuren, kan in het heden en in de toekomst weer gebeuren. ‘It can happen here’, zoiets kan hier ook.


Lees ook:

Tegen totalitarisme – George Orwell

Posted by Thomas in Artikel, Tekst
Walt Whitman en de kracht van gras

Walt Whitman en de kracht van gras

Jan-Hendrik Bakker – De kracht van gras

Recensie voor Trouw
november 2024

Filosoof Jan-Hendrik Bakker schreef met De kracht van gras een doordenking van de opvattingen van Walt Whitman (1819-1892). In Nederland is Whitman nog altijd betrekkelijk onbekend en daar probeert Bakker verandering in te brengen. Bakker heeft al vele filosofische werken op zijn naam en put ook voor dit boek uit zijn achtergrond in de filosofie, psychologie en literatuur.

Bakker laat zien dat we voor democratische inspiratie nog steeds naar Amerika kunnen kijken. Misschien niet per se naar het heden, maar wel naar Whitman, die als journalist, essayist en vooral dichter de opkomst van de moderne samenleving van dichtbij meemaakte. Whitman geldt bovendien als de grondlegger van de Amerikaanse poëzie. Niet de minste dus.

Het thema

Bakker kiest ervoor om één vraag centraal te stellen: hoe ziet de verhouding tussen individu en samenleving eruit? En die keuze pakt goed uit. Hij brengt het beste in Whitman naar boven, bijvoorbeeld een even simpele als mooie metafoor. De democratische samenleving is volgens Whitman als een grasveld: ieder sprietje is weer anders, zoals ook iedere mens anders is.

Achter die op het oog eenvoudige vergelijking gaat een visioen voor de samenleving schuil, laat Bakker zien. In de kapitalistische samenleving die Whitman zag opkomen, is de mens meestal geen grasspriet, geen eigen persoon. Vaak worden we gereduceerd tot consument, politieke stem en intussen op internet zelfs tot clicks, likes en views. Die eenheden vormen samen geen veld van met elkaar verbonden en unieke grassprieten, maar eerder een kleurloze massa die gemakkelijk kan worden uitgebuit door grote bedrijven en populistische politici. 

Kenmerkende zin

Toch was Whitman minder pessimistisch over grote mensenmenigtes dan zijn tijdgenoten, schrijft Bakker: ‘In Whitmans visioenen is de massa geen homogene, aan zichzelf gelijke meute die zich willoos laat besturen door krachten van buitenaf, maar de verzameling van alle afzonderlijke mensen, met elk hun eigen geschiedenis, hun eigen dromen.’

Whitmans ideaal was de democratie. Daarmee bedoelde hij veel meer dan naar de stembus gaan. Voor hem was het eerder een manier van leven. De democratische samenleving die Whitman voor zich zag, was er een met veelvormige maar gelijkwaardige mensen die liefde hebben voor zichzelf, elkaar en de natuur.

Grote, hooggestemde woorden. Maar in een anekdote die Bakker aanhaalt, worden ze concreet en persoonlijk. In een tijd waarin de Verenigde Staten nog veel verdeelder waren dan nu – namelijk tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog – verzorgde Whitman als vrijwilliger gewonde soldaten. Toen Whitman een jongen die hij verzorgde hem zei dat hij bij de vijand hoorde, maakte dat voor Whitman niets uit en bleef hij hem dagelijks bezoeken. Liefde voor iedere mens dus, ongeacht het kamp waarvoor hij strijdt.

Redenen om dit boek niet te lezen

Wie een studie naar alleen Whitman wil, kan beter verder zoeken. Bakker bespreekt wel enkele belangrijke gedichten en essays, maar gaat vooral met ideeën van Whitman aan de slag. Daar knoopt hij allerlei andere denkers aan vast. We krijgen bijvoorbeeld een stoomcursus over het humanisme in de Renaissance en duiken zelfs even de neurologie in, om te leren wat zelfbewustzijn is. Ook verwacht Bakker van de lezer stevige voorkennis van filosofische begrippen.

Redenen om dit boek wel te lezen

Bakker keert wel steeds weer netjes terug bij Whitman en zijn verhaal is een samenhangend geheel. De lijnen die hij tussen Whitman en andere denkers trekt, zijn vaak overtuigend en prikkelend. Ze verrijken het lezen van Whitman beslist. Bovendien heeft Bakker een aangename verteltrant en een heldere schrijfstijl.

Aan het slot doet Bakker suggesties voor het naar de praktijk vertalen van Whitmans ideeën. Zo moet er in het onderwijs aandacht zijn voor vorming en persoonlijke ontwikkeling in plaats van alleen opleiding en prestaties. Daarnaast moeten linkse politici meer gaan doen voor sociale zekerheid en zou er een nieuw links handvest moeten komen. Ook zouden we openbare ontmoetingsplaatsen meer moeten koesteren.

Die ideeën neemt Bakker nadrukkelijk voor eigen rekening en hij wrijft ze Whitman niet aan. Ze laten goed zien welke kanten je tegenwoordig op kan met de gedachten en beelden van Whitman en hoe zijn gedichten vol levensvreugde, optimisme en liefde ons ook vandaag de dag nog kunnen inspireren.


Lees ook:

• Blogpost: Sprietjes en velden, de woorden van Walt Whitman
• Essay: Literatuur ten tijde van Trump

Posted by Thomas in Recensie, Tekst
Gramsci: marxist gekaapt door rechts

Gramsci: marxist gekaapt door rechts

Antonio Gramsci: marxist gekaapt door rechts

Deze bespreking van ‘Filosofie van de praxis’ van Antonio Gramsci, vertaald en samengesteld door Yvonne Scholten, schreef ik in januari 2025 voor Trouw.

De auteur

De marxistische filosoof Antonio Gramsci (1891-1937) was voorman van de Italiaanse communistische partij. Hij werd het tegenbeeld van Mussolini, die hem in 1921 nog ‘een gebochelde Sardijn met ongetwijfeld een goed stel hersens’ noemde. Vijf jaar later pakten Mussolini’s fascisten Gramsci op en veroordeelden hem tot twintig jaar gevangenisstraf. “We moeten ervoor zorgen dat dit stel hersens twintig jaar lang niet kan functioneren”, zou de aanklager hebben gezegd.

Dat mislukte. Want hoewel Gramsci fysiek werd gebroken, wist hij in de gevangenis jarenlang notitieboekjes vol te schrijven met filosofische en politieke gedachten. Een deel daarvan werd naar buiten gesmokkeld en uitgegeven als de Quaderni del carcere (’Schriften uit de gevangenis’). Daaruit werd weer een selectie gekozen, vertaald en ingeleid door Yvonne Scholten. Onlangs verscheen een heruitgave, onder de titel Filosofie van de praxis.

Filosofie van de praxis

Met ‘filosofie van de praxis’ bedoelt Gramsci het marxisme; soms in het algemeen, soms zijn eigen variant. Praxis betekent handelen, het actief veranderen van de wereld. Filosofie doet er pas toe als ze leidt tot handelingen en omgekeerd spreekt uit elke handeling wel een zekere filosofie.

Als de filosofie van de praxis de samenleving wil hervormen, moet ze niet alleen politici en machthebbers, maar ook het volk overtuigen. De geesten moeten worden gerijpt. Voorafgaand aan een politieke strijd, moet er daarom in het onderwijs, de wetenschap, kunsten en media een culturele strijd worden gevoerd. Pas dan kan een ideologie streven naar ‘hegemonie’: meer aanhangers hebben in een samenleving dan andere ideologieën. Hoe dit mechanisme werkt, is grofweg Gramsci’s onderwerp.

Kenmerkende zin

Bij Gramsci klinkt dat zo: ‘Het gaat er om [sic] een filosofie uit te werken die – omdat zij al verbreid is of verbreid kan worden omdat zij samenhangt met, impliciet is in de praktijk van het leven – een hernieuwd alledaags denken kan worden, maar dan met de coherentie en de kracht van de individuele filosofieën: dat kan niet gebeuren als de behoefte aan cultureel contact met de ‘eenvoudigen’ niet voortdurend aanwezig is.’

Redenen om dit boek niet te lezen

Het mag duidelijk zijn: we lezen hier fragmenten die niet zijn klaargemaakt voor een breed publiek. Gramsci hult zijn gedachten in een sluier van jargon en schuwt concrete voorbeelden. Zijn notities konden worden gelezen door de gevangenisbewaarders, dus enige voorzichtigheid was geboden. Zoals Scholten in haar inleiding bekent: je moet eerst een beetje kennismaken met Gramsci’s ideeën voor je je aan de notities zelf waagt.

Daarbij komt dat het marxisme tegenwoordig geen serieuze rol meer speelt. Veel passages in dit boek gaan over ontwikkelingen in het marxisme en zijn niet langer actueel. De vertaling en inleiding in deze heruitgave komen uit 1972 en zijn niet geactualiseerd. Het in 2019 verschenen Alle mensen zijn intellectuelen bevat deels dezelfde notities en is veel beter ingeleid en vertaald door Arthur Weststeijn.

Redenen om dit boek wel te lezen

Gramsci nam afscheid van het marxistische idee dat veranderingen in de samenleving economische wetmatigheden gehoorzamen. Volgens hem is ieders denken en handelen belangrijk. Iedereen houdt door wat hij doet wel een bepaald wereldbeeld in stand. Dat zet aan het denken: welke ideeën houden wij met ons eigen doen en laten in stand?

In zijn voorwoord (dat wél nieuw is) stipt Stijn Klarenbeek daarnaast aan dat Gramsci tegenwoordig populair is in onverwachte hoek. Nadat Gramsci in de jaren zestig een held was van Nieuw Links, wordt hij nu juist veel geciteerd door Nieuw Rechts. Kennelijk is er, eenmaal ontdaan van de communistische inhoud, veel van Gramsci te leren over de mechanismen van macht. Hij wordt wel gezien als een moderne Machiavelli – aan wie hij zelf aantekeningen wijdt.

De haatreacties tegen lhbti+’ers, de boekverbanningen in Florida, en de (mislukte) plannen van Forum voor Democratie om een eigen zuil met eigen scholen op te richten: je kunt ze zien als onderdeel van een lange cultuurstrijd, die deels is terug te voeren op het denken van Gramsci. Of zijn filosofie een serieuze oplossing biedt voor linkse politici valt zeer te betwijfelen. Maar om dat te beoordelen, moeten we Gramsci zelf lezen en daar zet dit handzame boek toe aan.


Lees ook:

• ‘Tegen totalitarisme’, mijn vertaling van George Orwell
• Mijn profiel van Leszek Kolakowski

Posted by Thomas in Recensie
In alles tot het uiterste. Leven en denken van Simone Weil

In alles tot het uiterste. Leven en denken van Simone Weil

In alles tot het uiterste. Leven en denken van Simone Weil

Deze bespreking van ‘In alles tot het uiterste’ van Frits de Lange schreef ik december 2024 voor Trouw.

De auteur

Toen theoloog en filosoof Frits de Lange in Parijs een boekje van Simone Weil in handen kreeg, was hij meteen verkocht. Weils compromisloosheid wekte irritatie, maar ook fascinatie. De Lange verzamelde in boekhandels en antiquariaten al het werk van Weil, tot hij zo’n beetje een meter aan boeken van haar had. Hij las alles van en over Weil, vertaalde haar werk en schreef over haar. Zijn decennialange fascinatie heeft nu geleid tot de biografie In alles tot het uiterste.

Het onderwerp

De Lange is niet de enige bewonderaar van deze Frans-Joodse filosofe. Nobelprijswinnaar Albert Camus gaf haar werk uit en noemde Weil ‘de enige grote geest van zijn tijd’. Zonder haar werk was de wederopbouw van Europa volgens hem niet mogelijk. Nu woedt er in onze tijd in Nederland een bescheiden Weil-hype. Afgelopen jaren verschenen vertalingen van haar essays – van haar pleidooi tegen politieke partijen zelfs twee tegelijk.

Weil leefde van 1909 tot 1943, ze werd maar 34 jaar oud. Maar in die jaren leefde ze meerdere levens. Dat aan alle recente publicaties nu een biografie is toegevoegd, is dus niet gek. De Lange zet haar neer met een paar prikkelende tegenstellingen. Zo was Weil fysiek een klungel, maar geestelijk messcherp. Ze was een filosofielerares die in de autofabriek van Renault ging werken, een pacifiste die in de Spaanse Burgeroorlog zou strijden en een politiek filosoof die zich ontpopte als mystica.

Kenmerkende zinnen

De Lange kijkt bewonderend en tegelijk kritisch naar Weil: ‘Wie nu, ruim tachtig jaar na haar vroegtijdige dood in 1943, voor het eerst kennismaakt met haar werk, ondervindt – zo verging het mij tenminste toen ik haar voor het eerst las – dezelfde gemengde gevoelens van irritatie en fascinatie die Thibon (een met Weil bevriende wijnboer, red.) ervoer bij zijn eerste ontmoeting.’

Weil kan bij vlagen onuitstaanbaar stellig en veeleisend zijn, maar je raakt toch verwonderd zodra je haar wat langer leest, meent De Lange. Een prettige, eerlijke houding voor een biograaf, die hier een vlotte, persoonlijke verteltrant oplevert.

Redenen om dit boek niet te lezen

Het boek is niet chronologisch, maar thematisch ingedeeld. Verrassend, maar het levert wel wat herhalingen op en soms is de lijn een beetje moeilijk te volgen. Strikt genomen is alleen het tweede hoofdstuk de chronologische biografie en daarin vliegen we in tien pagina’s door Weils leven. Daarna krijgt de mystieke Weil meer aandacht dan de politieke. Verwacht ook geen spectaculaire nieuwe ontdekkingen, daar is het De Lange niet om te doen.

Opvallend is dat De Lange Weil telkens weer ‘Simone Weil’ noemt. Dat zien we vaker. Bij mannelijke denkers als Descartes en Sartre wordt dan alleen de achternaam genoemd, maar bij vrouwelijke filosofen als Hannah Arendt en Simone de Beauvoir komt ineens consequent de voornaam erbij. Met die gewoonte moest het maar eens afgelopen zijn.

Redenen om dit boek wel te lezen

In dit geval is het telkens noemen van de voornaam een kleinigheid, want De Lange neemt zijn onderwerp gelukkig serieus. Waar anderen Weil nog weleens behandelden als pathologisch geval of juist als heilige, vermijdt De Lange beide. Daardoor biedt In alles tot het uiterste een fijne kennismaking met Weils leven en denken, voor wie de hype nog niet had meegekregen.

De gekozen thema’s zijn ook boeiend. Zo verbindt De Lange Weils ideeën over lichamelijkheid met haar eigen fysiek. Daar leent een biografie zich natuurlijk goed voor. Hij toont overtuigend dat haar slechte motoriek, eetproblemen en vooral de aanhoudende hoofdpijnen grote invloed hadden op Weil en haar werk.

De Lange kent duidelijk de weg in Weils oeuvre, van haar dissertatie over Descartes tot haar postuum verschenen hoofdwerk Verworteling, en haar essays, brieven en cahiers – haar ‘laboratorium voor het denken’.Hij lardeert zijn verhaal met mooie citaten en tekenende anekdotes.

Neem het advies dat ze kreeg van Alain, haar filosofieleraar op de middelbare school: ‘Elke dag minstens twee uur schrijven, maakt niet uit waarover!’ Je gelooft meteen dat Weil het ter harte nam. En dat beeld zal bij wie enige aspiraties heeft als schrijver of filosoof nog wel even door het hoofd blijven spoken.


Lees ook:

• Mijn bespreking van Over oorlog van Simone Weil

Posted by Thomas in Recensie
Opstand. Marijn Kruk

Opstand. Marijn Kruk

Opstand

De populistische revolte en de strijd om de ziel van het Westen

Deze bespreking van ‘Opstand’ van Marijn Kruk schreef ik december 2024 het Nexus Instituut.

Mei 1968, Parijs. Terwijl op straat linkse studenten slaags raken met de politie in hun poging de gevestigde orde op te schudden met hun protesten, zit ergens in het Quartier Latin een Britse student binnen met de neus in de boeken, genietend van de memoires van Charles de Gaulle. Een schitterend contrast. Die student is Roger Scruton en hij zou uitgroeien tot beroemde rechts-conservatieve filosoof, misschien wel de belangrijkste criticus van mei ’68 en de links-progressieve ideeën die erbij hoorden.

In Opstand ziet Marijn Kruk, journalist, historicus en filosoof, Scruton als geestelijk vader van een veelstemmig politiek-maatschappelijk verzet. In zijn boek onderzoekt Kruk een bont gezelschap van radicaal-rechtse denkers, politici en activisten die zich tegen de moderne liberale democratie keren.

Kruk is daarvoor de ideale persoon, want afgelopen jaren hield hij menig interview met spilfiguren uit dat bonte gezelschap en schreef hij al vele reportages over politieke verschuivingen. Voor dit boek heeft Kruk ze herzien en bijeengebracht. Hij neemt ons mee in een min of meer geografisch ingedeeld verhaal. We beginnen in Hongarije, reizen naar Frankrijk, Engeland, Oostenrijk, weer Frankrijk, Italië, weer Hongarije, Tunesië, Turkije en eindigen opnieuw in Hongarije. Dat Hongarije zo prominent aanwezig is, komt natuurlijk doordat Viktor Orbán daar al jarenlang een radicaal-rechtse regering in stand weet te houden. Daarmee inspireert hij andere propagandisten en politici in Europa en zelfs in de VS.

Het verhaal wordt verteld aan de hand van persoonlijke ervaringen van Kruk, vermengd met zijn reflecties daarop. Daardoor blijven bijvoorbeeld de VS, Rusland en ook het Duitse AfD, Spaanse Vox en de Griekse Gouden Dageraad een beetje buiten beeld of onderbelicht. Maar dat is vergeeflijk, want je kunt als journalist nou eenmaal niet overal zijn en bovendien staat er veel goeds tegenover.

Het voordeel van deze aanpak is namelijk dat we een spannend eerstehands verslag krijgen van de terreuraanslagen in Parijs, waar Kruk bovenop zat. Ook maakt Kruk persoonlijk kennis met Brexiteers, vluchtelingen, spindoctors en zelfs Matteo Salivini en Emmanuel Macron. Hij luistert kritisch naar zowel antiliberalen als liberalen – waaronder Nexus-sprekers als Rod Dreher, Rached Ghannouchi en Patrick Deneen, maar ook Michael Ignatieff, Antonio Scurati, Philipp Blom en Ivan Krastev.

Nog een voordeel is dat Kruk met eigen ogen allerlei kleine maar betekenisvolle details waarneemt. In Oostenrijk ontmoeten we bijvoorbeeld een groepje mannen met ieder een litteken op de wang. Aan dat litteken herken je een lid van een Burschenschaft: uiterst conservatieve studentengenootschappen, die aspirant-leden bij hun initiatie een schermduel laten uitvechten. Wie dapper genoeg is, kijkt niet weg en vangt dan het litteken. Leden van die clubs vormen een invloedrijke elite in Oostenrijk en sturen de politiek een rechts-conservatieve kant op. Zo wordt een klein detail dus een haakje voor het bespreken van een hele wereldbeschouwing en de bijbehorende politieke consequenties.

De rechts-radicalen en antiliberalen die Kruk beschrijft, vormen geen eenduidige politieke groep of stroming. Ze hangen een gedachtegoed aan dat losjes samenhangt en op specifieke punten verschilt. Zo maakt Kruk kennis met Renaud Camus op diens kasteel in Frankrijk. Camus is geliefd bij extreemrechts vanwege zijn complottheorie van ‘omvolking’, maar schreef in de jaren tachtig ook romans met behoorlijk expliciete homoseksuele passages. De conservatieve christenen en islamisten die Kruk bespreekt, zien homoseksualiteit juist als een teken van westerse decadentie en als een enorme bedreiging voor het gezinsleven waar ze zo verknocht aan zijn.

Overigens hebben niet alle homofoben consequent gehandeld naar hun uitgesproken opvattingen. Kruk herinnert ons fijntjes aan de ophef rond József Szájer – Orbán-getrouwe van het eerste uur en medeoprichter van Fidesz, een partij die heeft verklaard homoseksualiteit net zo erg te vinden als pedofilie. In 2020 werd hij door de Brusselse politie opgepakt nadat hij via een regenpijp was weggevlucht van een illegaal seksfeest in een gaybar.

Wat rechts-radicalen onderling verbindt, is dat ze allemaal gretig gebruikmaken van felle retoriek tegen immigranten – vooral uit overwegend islamitische landen. Vandaar dat Kruk 2015, het jaar waarin er een Europese vluchtelingencrisis werd uitgeroepen, als keerpunt ziet en er een heel hoofdstuk aan wijdt. Orbán, Le Pen, Johnson, Kickl, Meloni en Wilders: alle radicaal-rechtse politici die enige politieke macht wisten te vergaren, deden dat over de rug van vluchtelingen en migranten.

Daaronder schuilt volgens Kruk een gedeelde afkeer van de moderne wereld. De westerse samenleving is door de ‘globalistische elite’ leed aangedaan en dat moet ongedaan gemaakt worden. Kruk signaleert een trend van nostalgie en een politiek die niet gericht is op imperialisme, maar zich juist naar binnen keert.

Na het onderzoeken van al die beklemmende ideeën en denkers komt Kruk tot een verrassend optimistische conclusie:

Zeker is dat de westerse samenleving sinds 1968 ingrijpend is veranderd. Traditionele opvattingen over de natie, de religie, het gezin en de vaderlijke autoriteit hebben sterk aan gezag ingeboet. Tegelijk is sprake van een vergaande individualisering en hebben allerlei minderheden met succes rechten geclaimd.

Het homohuwelijk is sinds de eerste invoering in 2001 in Nederland bezig aan een gestage opmars. Zelfs in Orbáns Hongarije is zestig procent van de bevolking voor de acceptatie van lhbti’ers. Scruton is in Boedapest de naamgever van een hip café – ‘wat moeilijk anders is te omschrijven dan een links-liberaal cliché’ – waar niemand zijn ideeën kent. Je kunt het tij van de moderniteit niet keren.

Dat betekent niet dat we geen reden tot zorg hebben. De terugslag van conservatieve, illiberale krachten kan veel schade aanrichten en moet bestreden worden. Juist in een moderne, geïndividualiseerde samenleving moet politieke vrijheid steeds worden bevochten en bewaakt, stelt Kruk. Dankzij Opstand weten we met wat voor soort krachten we te maken hebben en wat de consequenties kunnen zijn van de ideeën van de illiberale contrarevolutie.

Posted by Thomas in Recensie
Lucianus’ rommelmarkt van filosofen

Lucianus’ rommelmarkt van filosofen

Lucianus – Filosofen te koop

Recensie voor Trouw
september 2024

Boerenbedrog is schering en inslag bij lui die zich uitgeven voor filosofen, vond Lucianus van Samosata. Deze Syrische satiricus uit de tweede eeuw deed niets liever dan van leer trekken tegen allerlei autoriteiten. Hij bespotte goden, priesters, machthebbers, wonderdokters en filosofen.

Met zijn beroemdste werk, Ware reizen,parodieerde hij eigentijdse reisverhalen en inspireerde hij eeuwen later schrijvers als Bacon, More, Erasmus en Swift. Een reis naar de maan, doden die spreken, levende bezemstelen: niks was hem te gek. In Lucius, of: de ezel laat hij de hoofdpersoon in een ezel veranderen die allerlei scabreuze avonturen beleeft.

Meer dan zeventig werken zijn er van Lucianus overgeleverd en zo af en toe verschijnt er weer een in modern Nederlands. Nu is daar Filosofen te koop aan toegevoegd.

In dit werkje doet de Grieks schrijvende grappenmaker een stel filosofen in de uitverkoop. Hij voert de goden Zeus en Hermes op als marktlui die hun waar aanprijzen. Die waar bestaat uit de filosofen Pythagoras, Diogenes, Aristippus, Democritus en Heraclitus, Socrates, Epicurus, Chrysippus, Aristoteles en Pyrrho.

Op verzoek van de potentiële kopers licht Hermes of de filosoof zelf de ideeën toe. Zo komt bij elke filosoof de kern van zijn denken naar voren – alleen dan wel op een lachwekkende manier, in vertekende portretjes.

Kenmerkende zin

‘Ga voor de sulligste vorm van seks en verorber ten slotte een rauwe octopus of inktvis en sterf’, dat is het beste advies dat Diogenes te bieden heeft. Hij raadt zijn koper aan om, als iedereen toekijkt, dapper te doen wat niemand durft. Onbeschaamd zijn en doorpakken, daar heb je geen opleiding, geen ‘mooie woorden en bullshit’ voor nodig, zegt hij. Typerend voor de filosofen, die zichzelf en hun leer niet altijd even aantrekkelijk presenteren.

Democritus lacht iedereen uit. Chrysippus dreigt met een hersenverrekking en redeneert eerst dat zijn koper een steen is, om vervolgens het tegendeel te bewijzen. Hedonist Aristippus is zelfs zo dronken dat hij zelf niks kan zeggen. Maar wel een prima drinkmaatje, aldus Hermes.

Socrates – zo vaak opgehemeld en bestempeld als belangrijkste westerse filosoof – komt bij Lucianus naar voren als een liefhebber van overspel, die ook nog eens graag met knappe jonge jongens onder de dekens kruipt. Hier schuurt het even. Bij de andere filosofen zijn de aantijgingen vrij onschuldig, maar hier voel je gezien het thema ook als hedendaagse lezer ongemak en venijn.

Redenen om dit boek niet te lezen

Filosofen te koop is maar een dun boek. De helft van de uitgave is bovendien het Griekse origineel. De daadwerkelijke dialogen zijn dus echt kort. Verwacht daarin ook geen nieuwe filosofische inzichten of meeslepende verhalen.

De grappen snappen vraagt om enige kennis van de denkers in kwestie. Wie was de ‘viezerik van de Zwarte Zee’? Vanwaar die bonen bij Pythagoras? Waarom is het geinig dat juist Dio van Syracuse er met Socrates vandoor gaat? Gelukkig zit er een uitstekend nawoord van de vertaler bij, waarin alle nuances worden aangestipt, zonder dat het droog of schools wordt.

Redenen om dit boek wel te lezen

Die vertaler, Vincent Hunink, heeft van deze tekst een pareltje gemaakt. Zijn Nederlands is speels, vrolijk en creatief. Voor grapjes en fratsen in het Grieks verzint Hunink slimme oplossingen. Zo spreken Pythagoras en Heraclitus bij Lucianus in een dialect; in vertaling klinken ze Vlaams. Hier en daar krijgen we een vleugje Engels voor hippe taal en inside jokes van toen worden soepel vervangen door hedendaagse verwijzingen. Zelfs Willem van Hanegem en Loeki de Leeuw zitten erin verstopt. Docenten Grieks kunnen hun lol op: als je leerlingen hiermee niet aan de praat krijgt…

Wat Lucianus doet is ook een aardige denkoefening voor in onze tijd, nu allerhande vormen van filosofie en levenskunst weer volop worden vermarkt. Wie heeft bijvoorbeeld interesse in deze fitte Amerikaanse filosofe die ieders mogelijkheden ziet, put uit literatuur en de Griekse Oudheid, en wel raad weet met emoties in de politiek? Of neem dit Sloveense denkbeest: barst van de energie en laat gegarandeerd je hoofd tollen met verwijzingen naar Freud en Lacan! Of toch liever deze kalme, communicatieve Duitser, bekend van het ‘blauwe monster’? Wie biedt?!


Lees ook:

Lucianus, Bacon en Swift

Lucianus
Posted by Thomas in Recensie, Tekst