
Brief aan een jonge dichter
Deze beroemde brief van Virginia Woolf vertaalde ik in 2024 voor Nexus 96. Het Engelse origineel is hier te vinden.
Woolf schreef deze brief op verzoek van John Lehmann, de jonge dichter die uitgever zou worden bij Hogarth Press, de uitgeverij van Virginia en Leonard Woolf. Woolfs brief werd gepubliceerd in 1932 in het juninummer van Yale Review, waarin ook onder meer Thomas Manns essay over Goethe werd opgenomen. In juli van datzelfde jaar verscheen de brief als zelfstandige uitgave, als het achtste nummer in de Hogarth Letters-reeks.
24 september 1931
Mijn beste John,
Leefde hij voor jouw tijd of heb je die oude heer nog ontmoet – zijn naam wil me niet te binnen schieten – die vooral tijdens het ontbijt, wanneer de post werd bezorgd, gesprekken verlevendigde door te stellen dat de kunst van het brievenschrijven is uitgestorven? De goedkope post, zei de oude heer altijd, heeft de kunst van het brievenschrijven om zeep geholpen. Niemand heeft nog tijd, vervolgde hij dan, terwijl hij door zijn brillenglazen een envelop bestudeerde, om zelfs maar de puntjes op de i te zetten. We haasten ons, ging hij verder, zijn toast met marmelade besmerend, naar de telefoon. We vertrouwen onze halfgevormde gedachten in ongrammaticale zinnen toe aan de briefkaart. Gray is dood, vervolgde hij; Horace Walpole is dood; Madame de Sévigné… ook zij is dood, denk ik dat hij er nog aan wou toevoegen, maar hij werd onderbroken doordat hij zich verslikte en moest proestend de ruimte verlaten voor hij de kans kreeg om, zoals hij zo graag deed, alle kunsten naar het kerkhof te verbannen. Maar toen de post vanochtend kwam en ik je brief opende, volgestopt met blauwe velletjes, helemaal beschreven in een krampachtig maar niet onleesbaar handschrift – het spijt me echter te moeten opmerken dat meerdere i’s niet waren voorzien van een puntje en dat één zin me in grammaticaal opzicht twijfelachtig leek – antwoordde ik na al die jaren aan die bejaarde necrofiel: onzin. De kunst van het brievenschrijven is pas net ter wereld gekomen. Het is juist een kind van de goedkope post. En er schuilt wel wat waarheid in die opmerking, lijkt me.
Toen het versturen van een brief nog een halve kroon kostte, moest hij uiteraard een document van enige waarde zijn: hij werd hardop gelezen, hij werd dichtgebonden met een groenzijden lint, en na een aantal jaar werd hij gepubliceerd ten gunste van de eindeloze verrukking van het nageslacht. Jouw brief moet daarentegen worden verbrand. Het kostte maar een paar stuivers om hem te versturen. Je kon het je daarom veroorloven om uiterst intiem, onverbloemd en indiscreet te zijn. Wat je me schrijft over die arme C. en zijn avonturen op de boot over het Kanaal is van uiterst vertrouwelijke aard; je schunnige grappen ten koste van M. zouden beslist jullie vriendschap verpesten als ze bekend zouden worden. Bovendien betwijfel ik dat het nageslacht, tenzij het veel sneller van begrip is dan ik verwacht, je gedachtegang zou kunnen volgen vanaf het lekkende dak (‘drup, drup, drup in het zeepbakje’) langs mevrouw Gape, de werkster, wier weerwoord aan de groenteboer ik altijd zo geestig vind; via juf Curtis en haar eigenaardige ontboezemingen op het trappetje van de omnibus; naar Siamese katten (‘Wikkel een oude kous om hun snuit als ze janken, zegt mijn tante’); en vervolgens naar de waarde van kritiek voor een schrijver; dan naar Donne; dan naar Gerard Hopkins; dan naar grafzerken; dan naar goudvissen; en dan plots op gealarmeerde toon naar ‘Schrijf en vertel me: waar gaat het heen met de poëzie, of is die op sterven na dood?’ Nee, jouw brief zal, omdat het een ware brief is – een die nu niet hardop gelezen kan worden en ook niet in de toekomst gepubliceerd mag worden – moeten worden verbrand. Het nageslacht zal het moeten doen met Walpole en Madame de Sévigné. De eeuw van het brievenschrijven, want dat is onze tijd, zal geen brieven nalaten. En bij het schrijven van mijn antwoord is er slechts één vraag die ik in het openbaar kan beantwoorden of proberen te beantwoorden: die over de poëzie en haar dood.
Maar voordat ik begin, moet ik rekenschap geven van al mijn natuurlijke en aangeleerde tekortkomingen die, zoals je zult zien, alles wat ik te zeggen heb over poëzie vertekenen en ontkrachten. Door een gebrek aan degelijke academische scholing heb ik nooit een jambe van een dactylus kunnen onderscheiden, en als dat nog niet genoeg is om iemand voor altijd te diskwalificeren, wekte de praktijk van het prozaschrijven bij mij, net als bij de meeste prozaschrijvers, een dwaze jaloezie, een regelrechte verontwaardiging – in elk geval een gevoel waarvan de criticus verschoond zou moeten zijn. Wij verfoeide prozaschrijvers vragen ons als we bijeenkomen af: hoe moeten we zeggen wat we vinden én de regels van de poëzie in acht nemen? Hoe kunnen we begrijpen dat ‘mes’ erbij wordt gesleept omdat men ‘fles’ heeft gezegd; en dat ‘zorg’ hoort bij ‘borg’? Rijm is niet alleen kinderachtig, maar ook onoprecht, zeggen wij prozaschrijvers dan. En vervolgens zeggen we: ‘Moet je hun regels zien! Wat is het makkelijk om dichter te zijn! Wat is hun pad recht en duidelijk! Dit moet je wél doen, dat moet je níét doen.’ Ik heb prozaschrijvers horen zeggen dat ze nog liever als een kind in ganzenpas door een buitenwijk zouden lopen dan poëzie schrijven. Het moet zijn alsof je de sluier aanneemt en intreedt in een religieuze orde: de rituelen en regels van het metrum in acht nemen. Dat verklaart waarom ze keer op keer hetzelfde doen. Wij prozaschrijvers daarentegen (ik vertel je nu alleen maar welke onzin prozaschrijvers uitkramen als ze alleen zijn) zijn heersers over de taal, niet haar slaven; niemand kan ons wat leren; niemand kan ons ergens toe dwingen; wij zeggen wat we vinden; heel het leven is ons domein. Wij zijn scheppers, wij zijn ontdekkingsreizigers… Zo blijven we doorratelen – onzinnig, moet ik toegeven.
Laten we, nu ik deze tekortkomingen van mijn hart heb, verdergaan. Uit bepaalde zinnen in je brief maak ik op dat je meent dat de poëzie in een precaire positie verkeert en dat jouw situatie als dichter in deze bewuste herfst van 1931 veel moeilijker is dan die van Shakespeare, Dryden, Pope of Tennyson was. Zelfs dat een zwaardere toestand dan de jouwe tot op heden niet heeft bestaan. Hier bied je me de gelegenheid om een lesje te geven, die ik met beide handen aangrijp. Beschouw jezelf nooit als uitzondering; beschouw je eigen situatie nooit als moeilijker dan die van anderen. Ik geef toe dat de tijd waarin we leven dit bemoeilijkt. Voor het eerst in de geschiedenis zijn er namelijk lezers – een grote groep mensen die zich bezighouden met zaken, sport, het verzorgen van hun grootvaders of het dichtbinden van pakketjes achter een balie –, die nu allemaal lezen en die willen horen hóé ze moeten lezen en wát ze moeten lezen, en hun leraren – de recensenten, referenten en radioreporters – moeten met al hun medemenselijkheid het lezen voor hen gemakkelijk maken en hun verzekeren dat literatuur wild en opwindend is, vol van helden en schurken; van tegengestelde krachten die voortdurend met elkaar in conflict zijn; van velden bezaaid met botten; van eenzame overwinnaars die wegrijden op een wit paard, gehuld in zwarte mantels, die bij de volgende bocht in de weg de dood zullen vinden. Er klinkt een pistoolschot. ‘Het tijdperk van romantiek was over. Het tijdperk van realisme was begonnen’ – je kent het wel. Natuurlijk weten de schrijvers donders goed dat daar geen waar woord aan is: er zijn geen veldslagen, geen moorden, geen nederlagen en geen overwinningen. Maar omdat het uiterst belangrijk is dat de lezers worden vermaakt, gaan de schrijvers erin mee. Ze trekken hun kostuum aan. Ze spelen hun rol. De een leidt, de ander volgt. De een is romanticus, de ander realist. De een is een voorloper, de ander uit de mode. Dat kan allemaal geen kwaad zolang je het ziet als een grap, maar zodra je erin begint te geloven, zodra je jezelf serieus als leider of als volger gaat zien, word je een ongemakkelijk, bijtend en krabbend diertje wiens werk voor niemand van enige waarde of enig belang is. Beschouw jezelf liever als iets veel nederigers en minder spectaculairs, maar in mijn ogen veel interessanters: als dichter in wie alle dichters uit het verleden voortleven en uit wie alle dichters van de toekomst zullen voortkomen. Je hebt een vleugje Chaucer in je en iets van Shakespeare; en Dryden, Pope en Tennyson – om maar je meest respectabele voorouders te noemen – zitten in je bloed en duwen soms je pen een beetje naar rechts of naar links. Kortom, je bent een enorm oude, complexe en continue persoon, dus behandel jezelf alsjeblieft met respect en denk twee keer na voor je je verkleed als Guy Fawkes en op de straathoeken schuchtere oude vrouwtjes bespringt en hun geld of hun leven eist. Maar laat me, omdat je zegt dat je in de penarie zit (‘Het is nog nooit zo lastig geweest om poëzie te schrijven als nu’) en dat de poëzie volgens jou wel eens op haar laatste benen zou kunnen staan in Engeland (‘Al het interessante gebeurt nu bij de romanschrijvers’), voordat de post komt wat tijd verdoen door me in je toestand in te leven en me wagen aan twee gissingen die, aangezien dit een brief is, niet al te serieus genomen of aangedikt moeten worden. Laat ik proberen me in je te verplaatsen; laat ik proberen me, met behulp van je brief, voor te stellen hoe het is om in de herfst van 1931 een jonge dichter te zijn. …
Lees de hele brief in Nexus 96.
Lees ook:
• ‘Woorden willen losjes leven’, mijn vertaling van essays van Woolf
• Mijn vertaling van Woolfs bespreking van Toergenjev
• Blogpost over regen bij Woolf
• Blogpost over de makrelen van Woolf
• Blogpost over mannenzinnen volgens Woolf
• Blogpost over wolkachtige zinnen bij Woolf en De Quincey
• Blogpost Wegdromen met Woolf
• Mijn bespreking van Naar de vuurtoren van Woolf
• Mijn bespreking van Over ziek zijn van Woolf