Categorie: Vertaling

  • Virginia Woolf: Brief aan een jonge dichter

    Virginia Woolf: Brief aan een jonge dichter

    Brief aan een jonge dichter

    Deze beroemde brief van Virginia Woolf vertaalde ik in 2024 voor Nexus 96. Het Engelse origineel is hier te vinden.

    Woolf schreef deze brief op verzoek van John Lehmann, de jonge dichter die uitgever zou worden bij Hogarth Press, de uitgeverij van Virginia en Leonard Woolf. Woolfs brief werd gepubliceerd in 1932 in het juninummer van Yale Review, waarin ook onder meer Thomas Manns essay over Goethe werd opgenomen. In juli van datzelfde jaar verscheen de brief als zelfstandige uitgave, als het achtste nummer in de Hogarth Letters-reeks.

    24 september 1931

    Mijn beste John,

    Leefde hij voor jouw tijd of heb je die oude heer nog ontmoet – zijn naam wil me niet te binnen schieten – die vooral tijdens het ontbijt, wanneer de post werd bezorgd, gesprekken verlevendigde door te stellen dat de kunst van het brievenschrijven is uitgestorven? De goedkope post, zei de oude heer altijd, heeft de kunst van het brievenschrijven om zeep geholpen. Niemand heeft nog tijd, vervolgde hij dan, terwijl hij door zijn brillenglazen een envelop bestudeerde, om zelfs maar de puntjes op de i te zetten. We haasten ons, ging hij verder, zijn toast met marmelade besmerend, naar de telefoon. We vertrouwen onze halfgevormde gedachten in ongrammaticale zinnen toe aan de briefkaart. Gray is dood, vervolgde hij; Horace Walpole is dood; Madame de Sévigné… ook zij is dood, denk ik dat hij er nog aan wou toevoegen, maar hij werd onderbroken doordat hij zich verslikte en moest proestend de ruimte verlaten voor hij de kans kreeg om, zoals hij zo graag deed, alle kunsten naar het kerkhof te verbannen. Maar toen de post vanochtend kwam en ik je brief opende, volgestopt met blauwe velletjes, helemaal beschreven in een krampachtig maar niet onleesbaar handschrift – het spijt me echter te moeten opmerken dat meerdere i’s niet waren voorzien van een puntje en dat één zin me in grammaticaal opzicht twijfelachtig leek – antwoordde ik na al die jaren aan die bejaarde necrofiel: onzin. De kunst van het brievenschrijven is pas net ter wereld gekomen. Het is juist een kind van de goedkope post. En er schuilt wel wat waarheid in die opmerking, lijkt me.

    Toen het versturen van een brief nog een halve kroon kostte, moest hij uiteraard een document van enige waarde zijn: hij werd hardop gelezen, hij werd dichtgebonden met een groenzijden lint, en na een aantal jaar werd hij gepubliceerd ten gunste van de eindeloze verrukking van het nageslacht. Jouw brief moet daarentegen worden verbrand. Het kostte maar een paar stuivers om hem te versturen. Je kon het je daarom veroorloven om uiterst intiem, onverbloemd en indiscreet te zijn. Wat je me schrijft over die arme C. en zijn avonturen op de boot over het Kanaal is van uiterst vertrouwelijke aard; je schunnige grappen ten koste van M. zouden beslist jullie vriendschap verpesten als ze bekend zouden worden. Bovendien betwijfel ik dat het nageslacht, tenzij het veel sneller van begrip is dan ik verwacht, je gedachtegang zou kunnen volgen vanaf het lekkende dak (‘drup, drup, drup in het zeepbakje’) langs mevrouw Gape, de werkster, wier weerwoord aan de groenteboer ik altijd zo geestig vind; via juf Curtis en haar eigenaardige ontboezemingen op het trappetje van de omnibus; naar Siamese katten (‘Wikkel een oude kous om hun snuit als ze janken, zegt mijn tante’); en vervolgens naar de waarde van kritiek voor een schrijver; dan naar Donne; dan naar Gerard Hopkins; dan naar grafzerken; dan naar goudvissen; en dan plots op gealarmeerde toon naar ‘Schrijf en vertel me: waar gaat het heen met de poëzie, of is die op sterven na dood?’ Nee, jouw brief zal, omdat het een ware brief is – een die nu niet hardop gelezen kan worden en ook niet in de toekomst gepubliceerd mag worden – moeten worden verbrand. Het nageslacht zal het moeten doen met Walpole en Madame de Sévigné. De eeuw van het brievenschrijven, want dat is onze tijd, zal geen brieven nalaten. En bij het schrijven van mijn antwoord is er slechts één vraag die ik in het openbaar kan beantwoorden of proberen te beantwoorden: die over de poëzie en haar dood.

    Maar voordat ik begin, moet ik rekenschap geven van al mijn natuurlijke en aangeleerde tekortkomingen die, zoals je zult zien, alles wat ik te zeggen heb over poëzie vertekenen en ontkrachten. Door een gebrek aan degelijke academische scholing heb ik nooit een jambe van een dactylus kunnen onderscheiden, en als dat nog niet genoeg is om iemand voor altijd te diskwalificeren, wekte de praktijk van het prozaschrijven bij mij, net als bij de meeste prozaschrijvers, een dwaze jaloezie, een regelrechte verontwaardiging – in elk geval een gevoel waarvan de criticus verschoond zou moeten zijn. Wij verfoeide prozaschrijvers vragen ons als we bijeenkomen af: hoe moeten we zeggen wat we vinden én de regels van de poëzie in acht nemen? Hoe kunnen we begrijpen dat ‘mes’ erbij wordt gesleept omdat men ‘fles’ heeft gezegd; en dat ‘zorg’ hoort bij ‘borg’? Rijm is niet alleen kinderachtig, maar ook onoprecht, zeggen wij prozaschrijvers dan. En vervolgens zeggen we: ‘Moet je hun regels zien! Wat is het makkelijk om dichter te zijn! Wat is hun pad recht en duidelijk! Dit moet je wél doen, dat moet je níét doen.’ Ik heb prozaschrijvers horen zeggen dat ze nog liever als een kind in ganzenpas door een buitenwijk zouden lopen dan poëzie schrijven. Het moet zijn alsof je de sluier aanneemt en intreedt in een religieuze orde: de rituelen en regels van het metrum in acht nemen. Dat verklaart waarom ze keer op keer hetzelfde doen. Wij prozaschrijvers daarentegen (ik vertel je nu alleen maar welke onzin prozaschrijvers uitkramen als ze alleen zijn) zijn heersers over de taal, niet haar slaven; niemand kan ons wat leren; niemand kan ons ergens toe dwingen; wij zeggen wat we vinden; heel het leven is ons domein. Wij zijn scheppers, wij zijn ontdekkingsreizigers… Zo blijven we doorratelen – onzinnig, moet ik toegeven.

    Laten we, nu ik deze tekortkomingen van mijn hart heb, verdergaan. Uit bepaalde zinnen in je brief maak ik op dat je meent dat de poëzie in een precaire positie verkeert en dat jouw situatie als dichter in deze bewuste herfst van 1931 veel moeilijker is dan die van Shakespeare, Dryden, Pope of Tennyson was. Zelfs dat een zwaardere toestand dan de jouwe tot op heden niet heeft bestaan. Hier bied je me de gelegenheid om een lesje te geven, die ik met beide handen aangrijp. Beschouw jezelf nooit als uitzondering; beschouw je eigen situatie nooit als moeilijker dan die van anderen. Ik geef toe dat de tijd waarin we leven dit bemoeilijkt. Voor het eerst in de geschiedenis zijn er namelijk lezers – een grote groep mensen die zich bezighouden met zaken, sport, het verzorgen van hun grootvaders of het dichtbinden van pakketjes achter een balie –, die nu allemaal lezen en die willen horen hóé ze moeten lezen en wát ze moeten lezen, en hun leraren – de recensenten, referenten en radioreporters – moeten met al hun medemenselijkheid het lezen voor hen gemakkelijk maken en hun verzekeren dat literatuur wild en opwindend is, vol van helden en schurken; van tegengestelde krachten die voortdurend met elkaar in conflict zijn; van velden bezaaid met botten; van eenzame overwinnaars die wegrijden op een wit paard, gehuld in zwarte mantels, die bij de volgende bocht in de weg de dood zullen vinden. Er klinkt een pistoolschot. ‘Het tijdperk van romantiek was over. Het tijdperk van realisme was begonnen’ – je kent het wel. Natuurlijk weten de schrijvers donders goed dat daar geen waar woord aan is: er zijn geen veldslagen, geen moorden, geen nederlagen en geen overwinningen. Maar omdat het uiterst belangrijk is dat de lezers worden vermaakt, gaan de schrijvers erin mee. Ze trekken hun kostuum aan. Ze spelen hun rol. De een leidt, de ander volgt. De een is romanticus, de ander realist. De een is een voorloper, de ander uit de mode. Dat kan allemaal geen kwaad zolang je het ziet als een grap, maar zodra je erin begint te geloven, zodra je jezelf serieus als leider of als volger gaat zien, word je een ongemakkelijk, bijtend en krabbend diertje wiens werk voor niemand van enige waarde of enig belang is. Beschouw jezelf liever als iets veel nederigers en minder spectaculairs, maar in mijn ogen veel interessanters: als dichter in wie alle dichters uit het verleden voortleven en uit wie alle dichters van de toekomst zullen voortkomen. Je hebt een vleugje Chaucer in je en iets van Shakespeare; en Dryden, Pope en Tennyson – om maar je meest respectabele voorouders te noemen – zitten in je bloed en duwen soms je pen een beetje naar rechts of naar links. Kortom, je bent een enorm oude, complexe en continue persoon, dus behandel jezelf alsjeblieft met respect en denk twee keer na voor je je verkleed als Guy Fawkes en op de straathoeken schuchtere oude vrouwtjes bespringt en hun geld of hun leven eist. Maar laat me, omdat je zegt dat je in de penarie zit (‘Het is nog nooit zo lastig geweest om poëzie te schrijven als nu’) en dat de poëzie volgens jou wel eens op haar laatste benen zou kunnen staan in Engeland (‘Al het interessante gebeurt nu bij de romanschrijvers’), voordat de post komt wat tijd verdoen door me in je toestand in te leven en me wagen aan twee gissingen die, aangezien dit een brief is, niet al te serieus genomen of aangedikt moeten worden. Laat ik proberen me in je te verplaatsen; laat ik proberen me, met behulp van je brief, voor te stellen hoe het is om in de herfst van 1931 een jonge dichter te zijn. …

    Lees de hele brief in Nexus 96.


    Lees ook:

    • ‘Woorden willen losjes leven’, mijn vertaling van essays van Woolf
    • Mijn vertaling van Woolfs bespreking van Toergenjev
    • Blogpost over regen bij Woolf
    • Blogpost over de makrelen van Woolf
    • Blogpost over mannenzinnen volgens Woolf
    • Blogpost over wolkachtige zinnen bij Woolf en De Quincey
    • Blogpost Wegdromen met Woolf
    • Mijn bespreking van Naar de vuurtoren van Woolf
    • Mijn bespreking van Over ziek zijn van Woolf

  • Ray Monk: de vlag overdragen

    De vlag overdragen aan het einde van je leven

    In 2024 vertaalde ik een brief van Wittgenstein-biograaf Ray Monk voor Nexus 96.

    Waarschijnlijk heb ik niet lang meer te leven. Dit verschaft nieuwe urgentie aan mijn vastberadenheid om op te komen voor, of zogezegd de vlag te dragen van datgene waar ik in geloof. Ik zou ook graag anderen overhalen deze vlag te hijsen.

    Dit gevoel van urgentie komt namelijk niet alleen voort uit mijn eigen wankele gezondheid, maar ook uit de gezondheid van onze planeet, die net als ik ziek is geworden en op haar beurt lijdt aan de wrede behandeling die haar door de mens ten deel valt. Ook moeten we denken aan de gezondheid van de mensheid in brede zin. Veel mensen menen dat we een kritiek punt hebben bereikt. In de nasleep van de Tweede Wereldoorlog hadden velen datzelfde idee. Zo schreef de filosoof Ludwig Wittgenstein in 1945 in het voorwoord van zijn Filosofische onderzoekingen over de ‘duisternis van deze tijd’. Misschien is het maar goed dat hij niet heeft meegemaakt hoeveel duisterder de tijden sindsdien zijn geworden. Wie wat licht in deze duisternis wil laten schijnen moet harder werken en, misschien belangrijker nog, samenwerken. …

    Lees de hele brief in Nexus 96.


    Lees ook:

    Mijn bespreking van de Nederlandse vertalingen van Wittgensteins Tractatus logico-philosophicus

  • Scheet vol trots

    Scheet vol trots

    Scheet vol trots
    scheet vol trots
    Een brief aan de Koninklijke Academie te Brussel
    Benjamin Franklin

    Heren,

    Ik heb gekeken naar uw recente wiskunde prijsvraag voor komend jaar, die in de plaats komt van een natuurfilosofische prijsvraag en luidt:

    Une figure quelconque donnee, on demande d’y inscrire le plus grand nombre de fois possible une autre figure plus-petite quelconque, qui est aussi donnee. (Teken binnen een willekeurige figuur die is gegeven zo vaak mogelijk een kleinere willekeurige figuur die is gegeven.)

    Ik was verheugd om uit de volgende woorden – ‘l’Acadeemie a jugee que cette deecouverte, en eetendant les bornes de nos connoissances, ne seroit pas sans utilite’ (de Academie is van mening dat deze ontdekking, door het verleggen van de grenzen van onze kennis, niet zonder nut zal zijn) – op te maken dat ‘nut’ van essentieel belang is in uw onderzoekingen – wat niet altijd het geval is geweest bij alle academies. Ik kom daarom tot de conclusie dat u déze vraag hebt uitgeschreven in plaats van een vraag met betrekking tot de filosofie of, zoals geleerden het noemen, het ‘fysieke’, omdat u destijds geen dergelijke vraag kon verzinnen die zou leiden tot een antwoord met meer ‘nut’.

    Staat u me toe er in alle bescheidenheid een voor te stellen van dat soort, te uwer overweging en, via u – als u ermee instemt – ook voor serieus onderzoek van alle geleerde fysici, chemici, enzovoorts, van deze verlichte tijd.

    Het is algemeen bekend dat het verteren van ons alledaagse voedsel in de darmen van menselijke wezens leidt tot het ontstaan of de productie van een grote hoeveelheid wind.

    Dat het laten ontsnappen van dit gas en het te laten vermengen met de lucht om ons heen doorgaans aanstootgevend is voor gezelschap, vanwege de onaangename geur die ermee gepaard gaat.

    Dat ieder welopgevoed mens er, om die aanstoot te vermijden, alles aan doet om de natuurlijke drang zich te verlossen van deze wind tegen te houden.

    Dat onnatuurlijk ophouden op deze manier niet alleen geregeld tot veel acute pijn leidt, maar dikwijls ook tot toekomstige ongemakken zoals kolieken, breuken, tympanie, enzovoorts, die vaak slecht voor de conditie en soms zelfs levensbedreigend zijn.

    Zonder die aanstootgevende walgelijke walm die er bij zulke ontsnappingen komt kijken, zouden ook beschaafde personen er in gezelschap net zo weinig moeite mee hebben een dergelijke wind te laten schieten als bijvoorbeeld met spugen of het snuiten van de neus.

    Mijn prijsvraag is dus:

    Ontwikkel een soort medicijn, dat heilzaam en niet onsmakelijk is, dat kan worden verwerkt in ons alledaagse voedsel of in een saus, en dat ervoor zorgt dat de natuurlijke ontluchting van wind uit ons lichaam niet alleen geen aanstoot geeft, maar zelfs een aangenaam geurtje krijgt.

    Dat dit geen chimerische, onuitvoerbare onderneming is, mag blijken uit de volgende overwegingen. We beschikken reeds over enige kennis van de wijze waarop we die geuren zouden kunnen veranderen. Wie oud vlees eet, vooral met veel ui, zal in staat zijn een stank te produceren die geen enkel gezelschap kan verdragen; terwijl wie een tijdje alleen op groentes heeft geleefd, een zucht zal voortbrengen die zo zuiver is dat hij zelfs de meest gevoelige neus ontgaat; en als wie het voor elkaar krijgt dat niemand het opmerkt, kan overal zorgeloos zijn ongemak laten vliegen. Maar aangezien er veel mensen zijn voor wie een volledig vegetarisch dieet onaangenaam zou zijn, en aangezien een beetje ongebluste kalk in de poepdoos een wonderbaarlijke hoeveelheid stank die opstijgt uit de enorme massa rottend materiaal op dergelijke plekken verhelpt en het best aangenaam laat ruiken, heeft wat kalkpoeder (of iets soortgelijks) in ons eten, of een glas kalkwater bij het avondeten misschien wel dezelfde uitwerking op het gas dat ontstaat en voortkomt uit onze darmen. Dit is een experiment waard. Bovendien staat het vast dat we in staat zijn om betrekkelijk eenvoudig de geur van een andere vorm van ontlasting te veranderen, namelijk die van onze plas. Het eten van een paar aspergestengels geeft onze urine een onaangename geur, en een pilletje terpentijn niet groter dan een erwt geeft er juist een aangename geur van viooltjes aan. En waarom zou men denken dat er in de natuur wel een middeltje is dat een parfum maakt van onze plas maar niet van onze winden?

    Ga maar na, ter bemoediging van dit onderzoek (naast de eeuwige roem die de uitvinder redelijkerwijs kan verwachten), hoe weinig baat de mens heeft gehad of hoe weinig mensen baat hebben gehad bij de wetenschappelijke uitvindingen waaraan filosofen tot nu toe hun roem hebben ontleend. Zijn er vandaag de dag in heel Europa twintig mensen te vinden die zich gelukkiger of gerieflijker voelen door de kennis die ze hebben ontleend aan Aristoteles? Welke troost kunnen de wervelingen van Descartes bieden aan iemand met wervelstormen in zijn darmen? Kan kennis van Newtons wet van de onderlinge aantrekkingskracht van deeltjes iets van comfort geven aan iemand die wordt geplaagd door hun onderlinge afstotingskracht en de vreselijke spanningen die dat veroorzaakt? Weegt het plezier dat een paar filosofen ervaren als ze een enkele keer in hun leven zien hoe lichtstralen ontrafeld en in zeven kleuren gescheiden worden door Newtons prisma werkelijk op tegen de ontspanning en het gemak dat ieder levend mens zeven keer per dag mag ervaren door vrijelijk gas te laten ontsnappen uit zijn darmen? Vooral als het wordt omgezet in een parfum, want de geneugten van het ene zintuig doen maar weinig onder voor die van een ander, en in plaats van het plezier van de aanblik kan hij plezier scheppen in de geur van degenen om hem heen en op zijn beurt weer vele anderen verblijden, wat voor een welwillende geest eindeloos veel voldoening moet opleveren. De vrijgevige ziel, die nu probeert te achterhalen of zijn vrienden meer houden van een clairet of bourgogne, champagne of madera, zal dan vragen of ze houden van de geur van muskus of lelie, rozen of bergamot, en die vervolgens verschaffen. En deze ‘persvrijheid’ en de gelegenheid om elkaar te behagen is toch zeker van oneindig groter belang voor het menselijk geluk dan de vrijheid van drukpers of het recht elkaar te beledigen, waar de Engelsen hun leven voor in de waagschaal leggen.

    Kortom, eenmaal ontwikkeld zou deze uitvinding ervoor zorgen dat filosofie, zoals Bacon schrijft, ‘de zaken en de ziel der mensen raakt’. En ik kan niet anders dan concluderen dat, aangaande het algemeen en blijvend ‘nut’, hiermee vergeleken de wetenschap van de eerder genoemde filosofen – ja, heren, zelfs zonder toevoeging van uw ‘willekeurige figuur’ en de daarin getekende figuren – alles bij elkaar haast geen kont waard zijn.

     

    Benjamin Franklin schreef deze brief in 1781, als ambassadeur in Frankrijk en gerenommeerd denker. Franklin verzond de brief niet naar de Academie in Brussel, maar wel naar enkele vrienden, waaronder Joseph Priestley die onderzoek deed naar gassen. Het Engelse origineel, bekend als ‘Fart proudly’, is onder meer hier te vinden.

    Vertaling: Thomas Heij, november 2020.
    Lees ook mijn andere vertalingen en teksten.

  • Een lekkere kop thee – George Orwell

    Een lekkere kop thee – George Orwell

    Wat de lezer leert
    een lekkere kop thee
    Vertaling van ‘A Nice Cup of Tea’
    George Orwell

    Wie ‘thee’ opzoekt in het eerste het beste kookboek, vindt waarschijnlijk niets vermeld, of hooguit een paar zinnetjes met onduidelijke aanwijzingen die geen uitsluitsel geven over een aantal heikele kwesties. Dit is merkwaardig, niet alleen omdat thee een van de steunpilaren der beschaving in dit land en in Éire, Australië en Nieuw-Zeeland is, maar omdat er felle debatten worden gevoerd over hoe je hem het beste zet.

    Als ik mijn eigen recept voor het perfecte kopje thee bekijk, dan zie ik maar liefst elf punten van belang. Over twee daarvan zal men het over het algemeen waarschijnlijk wel eens zijn, maar ten minste vier van de andere punten zijn uiterst controversieel. Hieronder mijn elf regels, die ik stuk voor stuk beschouw als gulden:

    • Ten eerste moet men thee uit India of Ceylon gebruiken. Chinese thee heeft zo zijn voordelen die vandaag de dag niet miskend moeten worden – hij is niet duur en men kan hem drinken zonder melk – maar hij is weinig verkwikkend. Na het drinken ervan voelt men zich niet wijzer, moediger of optimistischer. Wie de troostrijke uitdrukking ‘een lekkere kop thee’ gebruikt, doelt steevast op Indiase thee.
    • Ten tweede moet de thee in kleine hoeveelheden worden gezet, dus in een theepot. Thee uit een thee-urn heeft geen smaak en thee zoals die in het leger wordt gezet, met een grote ketel, smaakt naar vet en witkalk. De theepot moet gemaakt zijn van porselein of aardewerk. Een theepot van zilver of Britannia-metaal levert inferieure thee op, en emaille potten zijn nog erger – maar een tinnen theepot (tegenwoordig zeldzaam) is vreemd genoeg zo slecht nog niet.
    • Ten derde moet de theepot worden voorverwarmd. Dat gaat beter door hem op het fornuis te zetten dan door hem om te spoelen met heet water, zoals de meeste mensen doen.
    • Ten vierde moet het sterke thee worden. Voor een pot van ongeveer een liter die je tot de rand vult met water zou ongeveer zes onafgestreken theelepels moeten volstaan. Als thee op de bon gaat is dit waarschijnlijk niet iedere dag van de week haalbaar, maar ik blijf erbij dat één sterke kop thee beter is dan twintig slappe kopjes. De echte theeliefhebber drinkt zijn thee niet alleen sterk, maar met het jaar zelfs steeds iets sterker – dat blijkt wel uit het feit dat er extra rantsoen is voor oude gepensioneerden.
    • Ten vijfde moet de thee los in de pot worden gedaan. Geen zeefjes, netelzakjes of andere dingen die de thee gevangen houden. In sommige landen zijn de theepotten voorzien van kleine bungelende mandjes onder de tuit, om de zogenaamd ongezonde losse blaadjes op te vangen. Men kan echter grote hoeveelheden theeblaadjes doorslikken zonder nadelige effecten op de gezondheid, en als de thee niet los in de pot zit, kan hij ook niet goed trekken.
    • Ten zesde moet men de theepot naar de fluitketel brengen en niet andersom. Het water moet eigenlijk koken op het moment dat het de thee raakt, dus moet hij op het vuur blijven terwijl men giet. Sommige mensen staan er zelfs op dat men alleen water moet gebruiken dat voor het eerst aan de kook is gebracht, maar ik heb daar zelf nooit verschil in gemerkt.
    • Ten zevende moet men na het zetten van de thee goed roeren, of beter nog, de pot een stevige draaibeurt geven, en daarna de blaadjes laten bezinken.
    • Ten achtste moet men drinken uit een flinke ontbijtkop, dus een cilindrische kop en geen vlak, ondiep kopje. Er kan meer in een ontbijtkop en bij het andere soort is de thee altijd lauw voordat men goed en wel is begonnen met drinken.
    • Ten negende moet de room eerst van de melk worden gegoten voordat hij in de thee kan. Melk die te romig is geeft de thee altijd een misselijkmakende smaak.
    • Ten tiende moet de thee als eerst worden ingeschonken. Dit is een van de meest controversiële punten – waarschijnlijk zijn alle Britse gezinnen te verdelen in twee denkrichtingen wat betreft dit onderwerp. Het ‘melk eerst’-kamp kan een aantal sterke argumenten aandragen, maar ik meen dat mijn eigen redenering niet te weerleggen is. Door de thee eerst in te schenken en te roeren terwijl men de melk erin giet, kan men namelijk de hoeveelheid melk goed in de hand houden; doet men het andersom, dan bestaat het risico dat men te veel melk inschenkt.
    • Tot slot moet thee – tenzij men het op zijn Russisch drinkt – worden gedronken zónder suiker. Ik besef terdege dat ik hier tot de minderheid behoor. Maar hoe kun je jezelf een echte theeliefhebber noemen als je de smaak van je thee verpest door er suiker in te doen? Je zou er net zo goed peper of zout in kunnen gooien. Thee hoort bitter te smaken, net als bier bitter hoort te smaken. Maak je hem zoet, dan proef je geen thee meer, maar alleen nog de suiker; je zou een vergelijkbaar drankje kunnen maken door alleen wat suiker op te lossen in heet water.

    Sommigen zullen misschien zeggen dat ze niet van thee op zich houden, dat ze alleen thee drinken ter verwarming en verkwikking en dat ze de suiker nodig hebben om de smaak weg te nemen. Tegen deze verwarde figuren zou ik willen zeggen: probeer eens twee weken lang thee te drinken zonder suiker, dan zul je daarna waarschijnlijk nooit meer je thee verpesten door hem weer te zoeten.

    Er zijn nog meer controversiële kwesties met betrekking tot het drinken van thee, maar de bovenstaande punten tonen al wel hoe nauw dit hele gebeuren is gaan luisteren.

    Dan zijn er ook nog de geheimzinnige sociale omgangsvormen rond de theepot (waarom is het bijvoorbeeld onbeschaafd om uit het schoteltje te drinken?) en er zouden veel woorden vuil gemaakt kunnen worden over het bijkomende nut van theeblaadjes, zoals het voorspellen van de toekomst van gasten, het voeren van konijnen, het genezen van brandwonden en het vegen van het tapijt. Het is de moeite waard om te letten op details als het verwarmen van de pot en het gebruiken van echt kokendheet water, om er zeker van te zijn dat een portie van het rantsoen ook daadwerkelijk twintig goede, sterken koppen oplevert die dat aantal grammen, mits juist gebruikt, zouden moeten opleveren.

     

    Vertaling: Thomas Heij
    Oorspronkelijk verschenen als ‘A Nice Cup of Tea’, George Orwell, Evening Standard, 12 januari 1946.

     

    Lees ook Tegen totalitarisme, mijn vertaling van essays van Orwell over politiek en literatuur.
    En bekijk mijn andere vertalingen en teksten.

     

  • Patti Smith over Jean Genet

    Jean Genet
    heilige ongehoorzaamheid
    Patti Smith over Jean Genet
    vertaling: Thomas Heij, 2019

    In de eerste aangrijpende regels van Dagboek van een dief  toont Jean Genet zijn jeugdige verlangens, zijn uitgangspunten als dichter en zijn leefregels als man. Hij begint met een enkel zinnetje – ‘De kleding van dwangarbeiders is roze met wit gestreept’ – en zet zich vervolgens tot een paragraaf van proustiaanse proporties, waarin de lezer gelijk wordt meegesleurd naar het innerlijke heiligdom van de veroordeelde en vertrouwd raakt met zijn gebaren, geluiden en geuren, zijn onuitgesproken codes. We zien de bravoure van gespierde goden, gekleed in de gekleurde strepen van een pak voor een kinderfeestje of van een verkleurde suikerstok – kleuren die waarschijnlijk gekozen zijn om de dragers, de meest hardvochtige criminelen van Frankrijk, te bespotten.

    Toch heeft Genet deze spot voorzien van een zekere grandeur. Dit zijn de kleuren van de leerschool van zijn keuze, waarvan hij overtuigd is dat hij ze op een dag zelf zal dragen, wanneer hij promoveert van vondeling tot crimineel tot veroordeelde. Als dat eenmaal achter de rug is, zal hij het voorrecht verkrijgen om zijn zelfgekozen kameraden te vergezellen op hun scheepstransport vanuit de Bretonse haven van Brest naar de Îles du Salut, vlak voor de kust van het nauwelijks gekoloniseerde Frans-Guyana. Hij verbeeldt zich als een van hen, geketend aan de enkels, op het modderige pad naar de gevangenis van Saint-Laurent-du-Maroni, waar de meest gevreesden op een veer over de van piranha’s vergeven Maroni rivier worden gevaren om vervolgens weg te rotten in de hel van Duivelseiland.

    In zijn jonge geest ziet hij zichzelf als een stralende volgeling, gekroond met een doornige lauwerkrans, getooid in de kleuren van een heilige omkering. Toen hij zeven maanden oud was, werd hij in een mandje achtergelaten bij het Bureau d’abandon, de vondelingenkamer. Op zijn vijftiende belandde hij in de strafkolonie voor lichte vergrijpen en overtredingen in Mettray. Op zijn negentiende werd hij oneervol ontslagen uit het Franse vreemdelingenlegioen wegens zijn al te intieme omgang met een andere soldaat. Op amper twintigjarige leeftijd werd hij een vagebond die door de vreselijkste omstandigheden laveerde. Dit is het pad dat hij kiest in zijn jacht op de roze en witte strepen van de dwangarbeiders.

    Zonder een duit op zak baant hij zich een weg door het Europa van 1932, dat krioelt van een netwerk vol bedelaars, door ongedierte geplaagd, verkleumd en hongerig, op zoek naar een beetje brood, een slappe kool, de miniemste schuilplaats. Vlaanderen. Polen. Nazi-Duitsland. Tsjechoslowakije. Andalusië, de Spaanse kunst, parallel in pas met pelgrims op de St. Jacobsroute. De jonge Jean, de zelfbewuste luis, de vagebond-dief, die pooiers en drugsdealers van dienst is. Stelen betekent eten, haast als een baan, maar misdaden plegen waarop een gevangenisstraf staat is een drang van geheel andere orde. Hij voert alle benodigde inwijdingsrituelen uit en verandert op zijn beurt de sfeer, hij verheft deze mannen en kroont ze met zijn zelfontworpen lauweren. Salvador, Lucien, Guy en Stilitano, blond als een schip, Billy Budd blond. Dit is een mannenwereld, waarin alle vrouwelijkheid verborgen blijft in een ruwe bolster. Hij houdt van hen op zijn meest miserabele momenten, of het nu is om hun kracht, elegantie, lelijkheid of een geweldig geschapen geslacht. En waarom houden zij van hem? Misschien omdat ze al voorzien dat ze ooit herinnerd zullen worden dankzij hem, ieder als een viooltje, een vergeet-me-nietje platgedrukt in het boek van zijn nog niet opgetekende levensverhaal.

    Veertien jaar later schrijft Genet Dagboek van een dief, zijn allermooiste autobiografische fictietekst…
    Lees hier het hele verhaal.

    November 2019
    Patti Smith
    Dit persoonlijke verhaal van Patti Smith over Dagboek van een dief van Jean Genet mocht ik met haar toestemming vertalen en publiceren bij Nexus.
     
    Lees verder
    Lees ook mijn bespreking van de Cahiers van Paul Valéry en Een spoor van mezelf van Fernando Pessoa.
  • Ágnes Heller: een voorbeeld

    Ágnes Heller: een voorbeeld

    ágnes heller: een voorbeeld
    Mitchell Cohen over Ágnes Heller Dissent / Nexus
    vertaling: Thomas Heij, oktober 2019

    Het eerste gesprek dat we voerden ging over het marxistisch humanisme. Dat was in 1986. Filosoof Ágnes Heller, afgelopen juli overleden in haar geboorteland Hongarije, was de belangrijkste student van Georg Lukács (1885–1971), de meest invloedrijke marxistische filosoof na Marx, ondanks zijn moeizame verhouding met de Hongaarse Communistische Partij.

    Heller was naar New York gekomen om de Hannah Arendt-leerstoel in politieke filosofie aan de New School for Social Research te bekleden. Ik belde haar gewoon op en vertelde haar dat ik aan het schrijven was over Lucien Goldmann (1913–70), de Roemeens-Franse marxistisch humanist die zich in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in Frankrijk sterk had gemaakt voor het werk van Lukács. Zij had Goldmann nog gekend en ik wilde het met haar hebben over een debat dat ze met hem had gevoerd. ‘Kom morgen naar ons toe in de lobby’, zei ze. Daar trof ik haar met haar man en collega, Ferenc Fehér.

    Zij was klein van postuur, maar barstte van de ideeën; hij, langer, met grijs haar en een terugwijkende haargrens, zat vol bedachtzame observaties. Ik liep over van vragen en was een tikje van mijn à propos toe zij juist eerst aan mij, een onbekende academicus, allerlei vragen stelden. Hoe en waarom was ik geïnteresseerd geraakt in het socialistisch humanisme? Wat vond ik van de interpretatie van tragedie van de jongere Lukács en van die van Goldmann in diens boek over Pascal en Racine? En wat dacht ik over onze tijd? Zijn humanistische waarden nog houdbaar, zelfs als een groot deel van Marx’ denken onhoudbaar is?

    Uiteindelijk vroeg ik, ietwat aarzelend, naar het symposium dat Goldmann in 1968 had georganiseerd in Royaumont, een plek in Frankrijk beroemd als locatie voor gedachtenuitwisselingen – in dit geval was ook Theodor Adorno aanwezig. Heller en Goldmann raakten daar in een discussie verwikkeld over de esthetica van Lukács. Lukács had een relatief beperkte kijk op het realisme in de literatuur, hoewel zijn essays over Balzac, Zola en Mann vaak scherpzinnig waren en kwalitatief (meestal) van een totaal andere orde dan het socialistisch realisme dat de ‘partijlijn’ voorschreef. Heller verdedigde haar mentors pleidooi voor de roman die de aard van een samenleving onthulde via overtuigende personages en hun omstandigheden. Goldmann distantieerde zich van de minachting die de oudere Lukács koesterde jegens het surrealisme, Brecht, de ‘nouveau roman’ en andere avant-gardistische initiatieven.

    ‘Goldmann had gelijk, ik had ongelijk’, zei Heller tegen me. Deze simpele en eerlijke opmerking was veelzeggend over haar karakter: ze doordacht en heroverwoog de dingen voortdurend; als dat leidde tot een ander oordeel en een andere opvatting, dan was dat maar zo. Al snel werden we vrienden en werd ik uitgenodigd voor de feestjes die Heller en Fehér hielden bij hen thuis, toen nog in Chelsea, waar een keur aan academici en intellectuelen bijeenkwam. Mijn gesprekken met haar gingen door, zij het sporadisch, ook na haar terugkeer naar Boedapest in 1989.

    Ik zag Ágnes voor het laatst in de herfst van 2018 in Manhattan, tijdens een feest voorafgaand aan haar negentigste verjaardag…

    Lees het hele verhaal hier.

    Dit verhaal, dat oorspronkelijk in het Engels verscheen in het legendarische tijdschrift Dissent, vertaalde ik voor het Nexus Instituut.
     
    Lees ook mijn interview met Sean Wilentz en mijn bespreking van de politieke filosofie van Vaclav Havel.