pascal

essay: Blaise Pascal (Filosofie Magazine)

pascal
pascal en verveling
Historisch profiel Blaise Pascal
Filosofie Magazine, juni 2017
 

‘Wat is het innerlijk van de mens toch hol en tegelijk vol rotzooi!’ verzuchtte Blaise Pascal in een van zijn aantekeningen. Het is een van de talloze citeerbare aforismen waar deze Franse alleskunner om bekendstaat. Het is ook de conclusie van een van de scherpste analyses van de menselijke natuur – een die na drieënhalve eeuw alleen maar aan kracht wint. Uitgeverij Boom steekt nu de reeks ‘Grote Klassieken’ in een nieuw jasje en voorzag ook Pascals Gedachten van een nieuw, knalpaars stofomslag.

Pascal was zijn leven lang ziekelijk. Het scheelde niet veel of hij had zijn eerste jaren al niet overleefd. Zijn nicht verhaalde dat hij toen hij één jaar was ernstig ziek werd en dat men een oud vrouwtje uit de buurt ervan verdacht dat zij het kindje behekst had. Het vrouwtje bekende, gaf de schuld op haar beurt aan de familiekat, die sneuvelde, en beval een kruidendrankje aan, waarop het kind inderdaad genas. Zo bijgelovig als zijn tijdgenoten waren en zo slecht als zijn lichamelijke toestand was, zo scherp en gezond zou Pascals geest blijken.

Al op zijn dertiende was Pascal zo vaardig in de wiskunde dat zijn vader hem introduceerde bij zijn kring van geleerden in Parijs. Op zijn zestiende vond hij de projectieve meetkunde uit en op zijn negentiende bouwde hij de eerste mechanische rekenmachine, een voorloper van de computer. Toen hij drieëntwintig was, berekende hij luchtdruk; vijf jaar later stelde hij de waarschijnlijkheidsleer op en nog eens zeven jaar later volgde de integraalrekening. Niet voor niets noemde de Franse denker Chateaubriand hem ‘een angstaanjagend genie’.

Wie Pascal kent als wiskundig wonderkind en wetenschapsvernieuwer, zal versteld staan over het religieuze karakter van zijn denken. Pascal was namelijk evengoed een hartstochtelijk verdediger van het christelijk geloof. Juist zijn worstelingen met de verhouding tussen de wereld van de rede en wetenschap enerzijds en het geloof en de openbaring anderzijds, maken Pascal een spannende denker.

Het Memoriaal
De beroemdste anekdote over Pascals leven gaat precies over die spanning. In de periode dat zijn zus Jacqueline intreedt in het jansenistenklooster van Port-Royal is Pascal er slecht aan toe. Hij eet en drinkt nauwelijks, slaapt niet en komt niet buiten. Totdat hij laat op de avond een soort vuur ziet, het gevoel heeft los te komen van zijn lichaam en ten slotte flauwvalt. De volgende dag krabbelt hij gauw een aantal regels over het geloof op een vel papier en laat dat in zijn jas naaien, waar het na zijn dood wordt gevonden en bekend wordt als het ‘Memoriaal’.

Daarna gooide Pascal – hij was 31 jaar – zijn leven om. Hij deed de wiskunde, al dan niet retorisch, af als niet meer dan een aardig beroep of ijdele nieuwsgierigheid, en verschoof zijn aandacht naar het christelijke geloof, waar het in het leven echt op aankwam.

Geloofszaken kenden een geheel andere methode dan de natuurwetenschappen. Het geloof was volgens Pascal niet iets waartoe je kon besluiten of waar je naartoe kon redeneren, en hiermee zette hij zich af tegen de logische godsbewijzen van de scholastici en zijn tijdgenoot Descartes.

Het geloof in God was uiteindelijk een zaak van het hart. ‘Het is het hart dat God waarneemt, niet het verstand. Dát is geloven: God in het hart voelen, niet met het verstand.’ Zo bouwde niet alleen de natuurwetenschap, maar ook de theologie verder op Pascals denken.

Gedachten
De rede was evenwel geen belemmering voor het geloof. Na de nacht van het vuur vatte Pascal het plan op een boek te schrijven om het christelijk geloof te verdedigen, enerzijds tegen sceptici en libertijnen, anderzijds tegen de al te rationele filosofen. Tot een volledig en afgerond boek kwam hij echter nooit, vanwege zijn slechte fysieke gesteldheid.

In 1669, zeven jaar nadat Pascal op 39-jarige leeftijd overleed, werd Gedachten voor het eerst uitgegeven. Het was een verzameling van honderden korte en langere ingevingen, geheugensteuntjes en notities, ter voorbereiding van het boek dat hij in gedachten had. Een uitgewerkt plan was er niet, maar het eerste deel moest gaan over de menselijke natuur – dat wil zeggen, de ellende van de mens zonder God. Het tweede deel zou vervolgens de zaligheid van de mens met God tonen.

Deels betitelde en classificeerde Pascal zijn aantekeningen zelf, en hij bond ze samen met linten tot ‘liassen’, kleine bundeltjes met tekstfragmenten. Ze dragen veelzeggende titels als ‘IJdelheid’, ‘De natuur is verdorven’ of ‘Overgave en gebruik van het verstand’, maar ook ‘Bewijzen voor Jezus’, ‘De godsdienst aantrekkelijk maken’ en ‘De andere godsdiensten berusten niet op waarheid’.

Verveling
Eén bundeltje springt eruit. Dankzij die paar vlugge aantekeningen verkreeg Pascal een belangrijke plaats in de literatuur over verveling. Hoewel een bundeltje van Pascal de titel ‘Ennui’, (Verveling) meekreeg, leren we het meest over verveling uit ‘Divertissement’ (Verstrooiing). In slechts zeven pagina’s schetst Pascal daarin de malaise van de mens. Hiermee werd hij een spilfiguur in de ontwikkeling van het christelijke, premoderne denken naar het moderne denken over verveling.

In het christelijke denken werd wat we nu verveling noemen – een nare en lege ervaring van desinteresse en verlies van de zin of betekenis van het leven – gevangen in de zonde acedia. Door de eeuwen heen stelden denkers als Evagrius van Pontus, Johannes Cassianus en Thomas van Aquino diverse zondeschema’s op en acedia werd daarin een hoofdzonde. Wie de zin van het bestaan niet meer zag, twijfelde immers aan God en het geloof, en dat moest te allen tijde voorkomen worden. Verveling was dus moreel verwerpelijk.

Hier wijkt Pascal af van zijn christelijke voorgangers. In fragment 24 uit Gedachten vat Pascal het menselijk bestaan samen: ‘Toestand van de mens: onbestendigheid, verveling, onrust.’ In plaats van een zonde is verveling in zijn visie inherent aan het menselijk bestaan. Verveling is geen ziekte die voortkomt uit kwade gedachten, maar ‘uit het diepst van ons hart, waar ze haar wortels heeft in onze natuur, en onze geest geheel en al vergiftigt’.

Ellende
Het leven van de mens is volgens Pascal van nature ellendig. Alle menselijke ellende herleidt hij tot het feit dat we onoverkomelijke tegenstrijdigheden in ons dragen. Zo zijn we sterfelijk, ongelukkig, onwetend en onvolmaakt, maar streven we tegelijkertijd voortdurend naar onsterfelijkheid, geluk, kennis en perfectie. En zodra we gelukkig zijn, maken we ons al snel weer zorgen over het verliezen van dat geluk.

Pascal illustreert zijn punt met het voorbeeld van de koning. Het koningschap is de mooiste en hoogste functie die men op de wereld kan verzinnen. ‘En toch’, schrijft Pascal in fragment 136, ‘als men hem de gelegenheid geeft om na te denken en te piekeren over wat hij is, zal dit saaie geluk hem niet overeind houden.’ Ook de koning zal onvermijdelijk gaan denken aan ‘dreigende gevaren, opstanden die kunnen uitbreken, en ten slotte aan de dood en aan ziekten, die niet te vermijden zijn’.

De enige uitweg die Pascal ziet is het geloof – dat wil zeggen, de relatie met het volmaakte en oneindige: het leven met God. Maar aangezien het geloof geen kwestie is van redeneringen en keuzes, kunnen we niet van het ene op het andere moment besluiten in hem te geloven. Wel kunnen we ons volgens Pascal openstellen voor de gratie en ons alvast oefenen in de dingen die bij het geloof horen.

Verstrooiing
Maar Pascal signaleert dat de meeste mensen in zijn tijd de moeilijke vragen uit de weg gaan en verveling onderdrukken door afleiding te zoeken. Het liefst houden we ons niet bezig met onze sterfelijkheid en onvolmaaktheid; daarom zoeken we afleiding in allerlei gedaantes: van spelen, jagen en de omgang met vrouwen, zeereizen maken, hoge ambten nastreven en oorlogen voeren. Al dat vermaak vat Pascal samen in de term ‘verstrooiing’.

Het mooiste aan het koningschap is precies het feit dat de koning mensen heeft die hem voortdurend bezighouden en vermaak verschaffen. ‘Een koning wordt omringd door mensen die aan niets anders denken dan hem verstrooiing te bieden en te verhinderen over zichzelf te denken. Want als hij daaraan denkt wordt hij ongelukkig, al is hij honderdmaal koning.’

Zo draait de jacht niet per se om het vangen van een haas, schrijft Pascal. ‘Die haas zou ons er niet voor behoeden onze dood en ellende te zien, maar de jacht, die ons ervan afleidt, wel.’ Het is de mens te doen om drukte die hem bezighoudt en afleidt: vermaak met spanning en hartstocht.

Daarnaast ontwaart Pascal nog een tweede verborgen instinctieve drang. Want ook al zoeken we drukte, toch beseffen we dat alleen in de rust het geluk ligt. Die twee tegenstrijdige impulsen leiden tot de paradoxale toestand waarin we door drukke activiteit op zoek zijn naar rust. Tevergeefs maken we onszelf wijs dat we pas rust en geluk zullen vinden zodra we de haas hebben gevangen.

Verstrooiing is volgens Pascal dus geen wezenlijke oplossing. Die biedt nooit meer dan een schijn van geluk en vormt uiteindelijk ons grootste ongeluk. Verstrooiing maakt ons afhankelijk van de omstandigheden, want het zijn altijd zaken buiten onszelf die ons de afleiding bieden die we zoeken. Bovendien is onze behoefte aan verstrooiing onverzadigbaar.

De dood van God
Sinds de doodverklaring van God door Nietzsche en de secularisering van de samenleving is het christelijke leven dat Pascal aanbeval voor velen geen serieuze optie meer. Nietzsche schaarde Pascal overigens onder het ‘geringe aantal oudere Fransen naar wie ik steeds weer terugkeer’. In Ecce Homo schreef hij: ‘Dat ik Pascal niet lees maar van hem houd, dit leerzaamste slachtoffer van het christendom, langzaam vermoord, eerst lichamelijk, toen psychologisch, heel de logica van deze afgrijselijkste vorm van onmenselijke wreedheid.’

Sindsdien zijn we overgeleverd aan ‘moderne’ verveling: verveling die voortkomt uit het verlies van zingeving die met het geloof samenging. Of, als we Pascal volgen: nu we God zijn kwijtgeraakt, blijven we met de menselijke ellende over. Die moderne verveling proberen we, net als Pascal al opmerkte in zijn eigen tijd, te verdrijven met verstrooiing, vooral in de vorm van werk en amusement.

Uit de enorme omvang van de hedendaagse entertainmentindustrie kunnen we opmaken dat verveling inderdaad een groot hedendaags probleem is. Op een haas jagen of een kaartje leggen is nu vervangen door scrollen op Facebook en series bingewatchen. Wie dat te lang doet zal ongetwijfeld op een gegeven moment overvallen worden door een gevoel van zinloosheid.

Trump Taj Mahal
Hoewel verveling en verstrooiing bij Pascal geen nadrukkelijk maatschappelijke connotatie hebben, kunnen we nog een stap verdergaan. Er is weinig fantasie voor nodig om te zien dat amusement en plat vermaak in onze tijd ook actief worden ingezet om belangrijke vragen te verdrijven.

De macht van Donald Trump is in feite gebaseerd op entertainment. Zijn zakenimperium werd groot dankzij de Trump Taj Mahal, een foeilelijk kitschpaleis in Atlantic City met restaurants, een stripclub en gokhallen met eindeloze rijen fruitmachines. Zijn reputatie werd groot dankzij de tv-show The Apprentice, waarin de kandidaten streden om een baan bij een van Trumps bedrijven. Zo maakte Trump handig gebruik van het sterke verlangen naar vermaak en carrière.

De Trump Taj Mahal is niet meer van Trump en werd eind vorig jaar gesloten, maar ook als president bespeelt en misbruikt Trump de menselijke begeerte naar verstrooiing. Met Twitter-relletjes en mediaschandalen weet hij iedereen voortdurend af te leiden van de werkelijke problemen. Verstrooiing is dus niet alleen vaak lelijk en verwerpelijk, maar heeft ook grote en gevaarlijk politieke consequenties.

Na Pascal is er in de filosofie meer waardering gekomen voor verveling. Voor Kierkegaard was die eveneens een motivatie om tot een hernieuwd christelijk geloof te komen. Nietzsche noemde verveling een ‘onaangename windstilte van de ziel’ die je confronteert met jezelf en voorafgaat aan creativiteit. Heidegger zag in verveling zelfs de verborgen grondstemming van onze samenleving. Allemaal bouwden zij voort op die paar aantekeningen die Pascal naliet.

De belangrijkste boodschap voor onze tijd uit Pascals Gedachten is dat we moeten uitkijken voor te veel verstrooiing en het wegdrukken van verveling. God en het geloof boden voor Pascal zingeving, maar zonder God moeten we andere manieren zoeken om ons leven de moeite waard te maken. Wat dat betreft heeft amusement ons niets te bieden behalve een tijdelijke afleiding, en het belet ons over onszelf na te denken. Verstrooiing leidt ons af, terwijl verveling ons stimuleert onszelf te zien en te reflecteren op wat we zijn, waar we vandaan komen, waar we heen gaan en wat we werkelijk waardevol vinden.

 

Voor Filosofie Magazine schreef ik dit historisch profiel van filosoof Blaise Pascal over de menselijke natuur, verveling en de entertainmentindustrie, lees het hele stuk op hun site.
pascal
Lees ook het historisch profiel van Thomas Jefferson dat ik samen met Sadije Bunjaku schreef voor Filosofie Magazine.