Artikel

Literaire helden: Huysmans

Literaire helden: Huysmans

Literaire helden: J.-K. Huysmans

George Orwell schreef geregeld liefdevol en met inzicht over de literaire helden die hem inspireerden. Over Jonathan Swift, Jevgeni Zamjatin, Charles Dickens bijvoorbeeld, en over een schrijver die in zijn jeugd de grootste van zijn land was, H.G. Wells, bekend van The War of the Worlds en andere verhalen vol technologische uitvindingen.

Begin jaren veertig schreef Orwell, inmiddels volwassen en zelf een schrijver van naam (al had hij Animal Farm en 1984 toen nog niet geschreven), een stuk over zijn jeugdheld Wells. Orwell koesterde zijn herinneringen aan het lezen van Wells en hij bleef hem een belangrijke plaats toedichten: ‘Weldenkende mensen die rond het begin van deze eeuw werden geboren, zijn in zekere zin geschapen door Wells.’

Maar het wereldbeeld van Wells was Orwell uiteindelijk te rationeel, met al te veel vertrouwen in technologie. Terwijl hij bezig was met zijn stuk over Wells, schreef Orwell, vlogen er nazi’s – met behulp van zeer geavanceerde technologie – over Engeland om daar dood en verderf te zaaien. Rationaliteit en technologie alleen gingen de wereld niet redden. Dat had Wells, gebonden aan de negentiende eeuw, niet gezien. Orwells jeugdheld was held af.

Zo gek was dat niet: tijden, normen en persoonlijke voorkeuren veranderen. Dat roept de vraag op: heb ik zelf eigenlijk literaire jeugdhelden waar ik uiteindelijk anders over ben gaan denken? Wie las ik vroeger graag, maar stelde me toch teleur of zie ik nu in een ander licht? En is er toch iets van liefde blijven hangen?

Voor iedereen van mijn leeftijd zou Harry Potter waarschijnlijk een goede casus kunnen zijn. Zeker sinds J.K. Rowling er achteraf allerlei dingen over haar personages bij verzon en verschillende (gender)politieke relletjes veroorzaakte. Van serieuzere literatuur ben ik zelf gaan genieten door Tolkien. Maar In de ban van de ring ben ik eigenlijk alleen maar meer gaan waarderen, of in elk geval niet minder.

Ik ga nu toch voor een Franse schrijver kiezen en een beetje valsspelen, want het gaat om een boek dat ik niet in mijn jeugd, maar als puber las. Voor mij is het een goed voorbeeld van een werk waar ik helemaal in opging, maar met een wereld- en mensbeeld waar ik me nu toch niet in kan vinden.

In The Picture of Dorian Gray brengt Oscar Wilde via een van de personages een geel boek ter sprake dat de ‘Bijbel van het decadentisme’ zou zijn. Titel en auteur blijven bij Wilde onvermeld, maar het gaat om Tegen de keer (À rebours) van de Franse schrijver Joris-Karl Huysmans. Dat klonk al meteen interessant, misschien wel juist omdat de titel en auteur niet genoemd werden. Ik zocht het op en dook erin.

Tegen de keer is een nagenoeg plotloos boek waarin de neurotische Franse aristocraat Des Esseintes zich uit afkeer van de platheid van de moderne tijd terugtrekt in een landhuis, om daar met de luiken dicht een eigen paradijsje te scheppen, helemaal naar zijn eigen, overdadig verfijnde smaak. Hij stelt zijn bibliotheek nauwkeurig samen, bouwt een drankorgel met verschillende likeuren en laat zelfs een schildpad met edelstenen bezetten. Huysmans maakt zo een beknopte encyclopedie van de decadente smaak. Met lichte afkeur maar toch vooral met welwillende interesse en onder de indruk van de eruditie van Huysmans nam ik het allemaal in me op.

Huysmans zette zich met dit boek af van zijn eigen literaire held, de naturalist Émile Zola. Daarvoor in de plaats stelde hij het symbolisme en het pessimisme van Schopenhauer. Heel kort samengevat: het leven is een ellende en andere mensen zijn afschuwelijk; de enige troost is te vinden in de kunst en zintuiglijke genietingen.

Misschien hoort zo’n houding ook wel een beetje bij de puberteit. Je zet je af tegen je ouders en de maatschappij, en je probeert tegelijk je eigen smaak te ontwikkelen door houvast te zoeken bij andere autoriteiten.

Maar het decadentisme van Des Esseintes is een ziekelijke levenshouding, die je uiteindelijk niks brengt. Ja, er is een hoop platheid in de hedendaagse wereld; ja, er is een grote nadruk op nutsdenken; en ja, ook ik kan me soms kapot ergeren aan anderen (bijvoorbeeld in een stiltecoupé in de trein als ik net een mooi boek probeer te lezen). Maar je zo afsluiten van de wereld en buiten de maatschappij stellen, zwelgen in je ongenoegen en je puur richten op zinnelijke genoegens – is dat een serieuze oplossing?

Om dan toch maar het enige spannende aan het boek te verklappen: aan het eind van Tegen de keer is Schopenhauer ook niet troostrijk genoeg voor Des Esseintes. Huysmans stelde in een voorwoord dat hij twintig jaar later schreef dat Schopenhauers denken vraagt om een volgende stap. Die stap was volgens Huysmans te vinden in het katholicisme – een ontwikkeling die hij uitwerkte in zijn latere romans.

Hoewel ik er zelf niet aan moet denken een mensenschuwe aristocraat te zijn, blijft Tegen de keer evengoed een fascinerende roman, bomvol verwijzingen naar literatuur en muziek, en bespiegelingen over de symboliek van bloemen en edelstenen. En hoe onuitstaanbaar hij soms ook is, de worstelingen van Des Esseintes – die Huysmans zelf ook tenminste deels moet hebben gevoeld – maken hem een interessant personage.

Althans, zo herinner ik het me. Eigenlijk zou ik Huysmans weer eens moeten herlezen om echt te merken hoe ik hem nu zie. Houdt de herinnering aan een dierbaar boek stand bij herlezing? Meteen een mooie vraag voor een volgende bespiegeling.

juli 2021
Deze column, aftrap voor de reeks ‘Van het voetstuk’, schreef ik voor Bazarow Magazine.
Lees verder
Mijn opiniestuk over literatuur lezen, dat ik schreef voor NRC.
Posted by Thomas in Artikel, Tekst
Over het vertalen van George Orwell

Over het vertalen van George Orwell

over het vertalen van
george orwell
Vertalersrubriek Athenaeum, juni 2021

‘De taal wordt lelijker en minder accuraat door onze dwaze gedachten, maar ons onzorgvuldige taalgebruik maakt het ook makkelijker om dwaze gedachten te hebben.’ Zo luidt een veelgeciteerde uitspraak van George Orwell. Van dat soort stellingen word je als vertaler toch een tikje zenuwachtig. Fouten maak je natuurlijk sowieso liever niet. Zeker niet bij een auteur die zelf extra aandacht had voor taal. En al helemaal niet in een tekst die over taalgebruik gaat. Dat geldt nou precies voor Orwell en zijn beroemde essay ‘Politiek en de Engelse taal’, opgenomen in Tegen totalitarisme. Essays over politiek en literatuur.

Geen vrijbrief voor vertalers

In dit essay formuleert Orwell zijn zes regels voor een heldere schrijfstijl. Regel twee is bijvoorbeeld ‘Gebruik nooit een lang woord waar een kort woord volstaat’ en regel drie is ‘Als het mogelijk is een woord te schrappen, doe dat altijd’. Als je die regels al te strikt probeert na te leven, durf je waarschijnlijk algauw niks meer te schrijven of vertalen. Maar Orwells zesde regel neemt al wat zenuwen weg: ‘Breek liever een van deze regels dan dat je iets ronduit barbaars zegt’. Bovendien betekent Orwell: ‘Als u dit essay terugleest, zult u zeker opmerken dat ik zelf keer op keer de fouten bega waartegen ik protesteer.’ Dat betekent dat je als vertaler niet al die overtredingen gaat wegwerken in je vertaling en ook dat je zelf niet bang hoeft te zijn om bijvoorbeeld eens een keer een woordje extra te gebruiken.

Het blijft wel goed opletten, want soms speelt Orwell met zijn adviezen. Kijk maar hoe hij een slechte schrijfstijl omschrijft en tegelijk nabootst in deze zin:

In addition, the passive voice is wherever possible used in preference to the active, and noun constructions are used instead of gerunds

Je leest er zo overheen, maar de vorm volgt hier prachtig de inhoud. Dat wil je in de vertaling behouden:

Daarnaast wordt waar mogelijk gekozen voor een passieve zin in plaats van een actieve zin, en valt de keuze op een naamwoordconstructie in plaats van een gerundium.

Pretentieus taalgebruik

Regel zes is misschien geruststellend, maar zeker geen vrijbrief om er als vertaler zo maar wat van te maken. Het verbaast me dus dat eerdere vertalers van dit essay kozen voor de titel ‘Politiek en taal’ in plaats van ‘Politiek en de Engelse taal’. Orwell noemt inderdaad tal van woordjes of constructies waar velen zich ook nu nog aan ergeren – neem het gebruik van woorden die uit het Latijn komen omdat dat deftiger klinkt. Maar hij heeft het ook over taalgebruik dat specifiek is voor het Engels en voor zijn tijd. Zou Orwell in onze tijd in het Nederlands zo’n stuk schrijven, dan zou hij zich misschien juist ergeren aan interessantdoenerij met Engelse leenwoorden in de ICT of marketing. Bovendien – en voor mij doorslaggevend – koos Orwell zelf niet voor ‘Politics and Language’ maar voor ‘Politics and the English Language’.

Orwells kijk op taal hangt nauw samen met zijn visie op politiek. Hij spreekt zich fel uit tegen gemakzucht, vaagheid en onoprechtheid, maar is er niet op uit om zelf nieuwe dogma’s te formuleren. Trouwens, is ‘dogma’ niet ook zo’n pretentieus leenwoord? Orwell heeft het voortdurend over ‘orthodoxies’. ‘Een orthodoxie’, zeg je dat in het Nederlands? ‘Stelregel’ of ‘beginsel’ klinkt te positief. In sommige gevallen kun je eromheen: iemand kan ‘rechtzinnig’ of ‘recht in de leer’ zijn. Waar dat niet kan, moet ‘dogma’ maar volstaan, bij gebrek aan een beter equivalent. Oei! ‘Equivalent’…

Vertalers en hun vrienden

Misschien wel de grootste vertaaluitdagingen zaten in een van de radiopraatjes die Orwell begin jaren veertig hield voor de BBC. Een ervan was een denkbeeldig interview met zijn literaire held Jonathan Swift. Orwell deed alsof Swift in zijn tijd was beland en ondervroeg hem over de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen. Swift stond erop dat er in de tussenliggende eeuwen niks wezenlijks was veranderd. Orwell bracht daar tegenin dat Londen toch op zijn minst een stuk gezonder en schoner was geworden:

Tegenwoordig gaat men geregeld in bad, en vrouwen steken hun haar niet een hele maand op en ze hebben [little silver goads] bij zich om mee op hun hoofd te krabben. Kunt u zich uw gedicht ‘A Description of a Lady’s Dressing Room’ nog herinneren?

Swift:   Strephon, who found the room was void
And Betty otherwise employed
Stole in, and took a strict survey
Of all the litter as it lay:
Whereof, to make the matter clear,
An inventory follows here.

‘Little silver goads’: wat moeten we daar nu mee? Een ‘goad’ is volgens het woordenboek een puntige stok die gebruikt wordt om dieren mee op te drijven. Dat leek hier toch niet te passen. Kon het dan misschien ook iets anders betekenen? Aan de auteur kon ik het natuurlijk niet meer vragen. Gelukkig kwam er hulp van een studievriend, die zelf native speaker is en wiens moeder hoogleraar vroegmoderne Engelse literatuur is. Een ‘goad’ bleek inderdaad een veeprikker. Het vee? Vlooien of hoofdluizen! Grapje van Orwell. Past perfect bij het gedicht van Swift, dat chique dames bespot. ‘Zilveren veeprikkertjes’ dus.

En ja, wat moeten we eigenlijk met dat gedicht? Het is niet ongebruikelijk een gedicht onvertaald te laten. Het vertalen van poëzie is een aparte kunst. Toch dacht ik de strekking van deze dichtregels wel te begrijpen en waagde ik een poging. Alleen bij de laatste twee regels lukt het me niet een goede vertaling te vinden met het juiste rijm, register en metrum. ‘Nu volgt van deze exploratie / Een hele inventarisatie’: past net niet qua lettergrepen, plus twee ‘Latijnse’ woorden waar Orwell vermoedelijk van zou gruwelen. ‘Daarom nu voor de helderheid / Een opsomming van al die schijt’: prachtig qua lengte en metrum, maar veel te plat voor Swift. Gelukkig kwam er andermaal hulp van een studievriend: ‘Daar helderheid dit van ons eist, / Volgt nu een inventarislijst.’ Bingo!

Ik zou een zevende regel willen toevoegen aan Orwells tips: weet je niet hoe je iets schrijft of vertaalt, schakel dan hulp in. Ook voor schrijvers en vertalers geldt: zonder vrienden ben je nergens.

Voor de site van Athenaeum Boekhandel schreef ik dit stuk over het vertalen van George Orwell. Lees ook mijn vertaling van Een lekkere kop thee van Orwell.

Posted by Thomas in Artikel, Tekst
Mary Shelley: tussen boeken en graven

Mary Shelley: tussen boeken en graven

Mary Shelley
Illustratie van Cheyenne Goudswaard
Mary Shelley: tussen boeken en graven

Mary Shelley (1797–1851) is een van de beroemdste auteurs aller tijden. Die faam heeft ze grotendeels te danken aan de verfilmingen van haar boek Frankenstein uit de jaren dertig, en de talloze spin-offs die daarop volgden. Maar die films doen eigenlijk geen recht aan de complexiteit van het boek. En wie denkt dat Shelley een schrijver van oppervlakkige horrorverhalen is, zit ernaast. Haar werken zijn doorleefd, en filosofisch en literair interessant.

Een belangrijk thema in Shelley’s romans Frankenstein en The Last Man, is de dood. In de victoriaanse tijd en het Romantische denken was de dood sowieso al een geliefd onderwerp, maar voor Shelley stond er meer op het spel. Wie haar levensverhaal kent, ontdekt een extra laag in Shelley’s verhalen.

 

Leven met de dood

Nog geen twee weken oud is Mary Wollstonecraft Godwin als haar leven voor het eerst wordt getekend door de dood. Op 30 augustus 1797, tegen middernacht wordt Mary geboren als dochter van de beroemde schrijvers-filosofen William Godwin en Mary Wollstonecraft. Maar de arts gaat onhygiënisch te werk bij de geboorte en bezorgt de moeder kraamvrouwenkoorts. Na elf zenuwslopende dagen waarin Wollstonecraft ziekelijk zweeft tussen leven en dood, noteert Godwin op 10 september tot zijn verdriet in zijn dagboek: ‘She expired at twenty minutes before eight.’ Ze wordt begraven op het kerkhof van Saint Pancras. Mary groeit op zonder moeder.

Voor de jonge Mary is het graf van haar moeder een soort schuilplaats waar ze hele dagen doorbrengt. Zeker als haar vader een aantal jaar na het overlijden van haar moeder trouwt met een buurvrouw, met wie Mary het niet kan vinden. Ze ontglipt het huis geregeld en verblijft bij het graf. Urenlang zit ze daar verscholen te lezen en probeert ze via boeken – zoals Wollstonecrafts beroemde Pleidooi voor de rechten van de vrouw – de moeder die ze nooit heeft ontmoet, toch te leren kennen.

In 1812, als Mary zestien is, dient de negentienjarige drieste dichter Percy Bysshe Shelley zich aan. Als groot bewonderaar van het werk van zowel Mary’s vader als moeder, zoekt Percy contact met Godwin. Percy is dan al getrouwd, maar als Romantische ziel gelooft hij ook in de vrije liefde. Zijn oog valt al snel op Mary, die op haar beurt smoorverliefd wordt op hem. Mary voert Percy vaak in het geheim mee naar het kerkhof waar haar moeder ligt. Ze wandelen en lezen er samen. Hun liefde bloeit op tussen de graven. Het verhaal gaat dat ze op het graf van Mary’s moeder zelfs voor het eerst de liefde bedrijven.

Nadat Percy – nog steeds een getrouwd man – in 1814 zijn liefde voor Mary ook bekend maakt aan haar vader, ontsteekt die begrijpelijkerwijs in woede. Samen met Mary’s stiefzusje Claire ontvluchten Percy en Mary Engeland en reizen door Frankrijk, Zwitserland en Duitsland.

Eenmaal terug van de reis is Mary zwanger. En dan, begin 1815, slaat de dood wederom toe. Op 22 februari bevalt Mary twee maanden te vroeg van een dochtertje, dat niet veel later overlijdt. Enkele dagen later schrijft Mary een veelzeggend en aangrijpend zinnetje in haar dagboek: ‘Dream that my little baby came to life again; that it had only been cold, and that we rubbed it before the fire, and it lived.’ Deze ervaringen, de dood van haar moeder en dochtertje, laten niet alleen diepe littekens achter in het leven van Mary, maar vinden ook hun weg in wat haar beroemdste roman zal worden.

Alsof dat nog niet genoeg is, wordt het stel nog drie keer geconfronteerd met het overlijden van een kind. Zoontje William wordt in 1816 geboren en zal nooit ouder worden dan drie en een half; dochtertje Clara wordt in 1817 geboren en overlijdt een jaar later al; en in 1822 krijgt Mary een miskraam waarbij ze bijna zelf het leven laat. Hun laatste zoon, Percy Florence Shelley, die in 1819 geboren wordt, overleeft zijn kindertijd en weet de zeventig te halen.

Dan verliest Mary in de zomer van 1822, niet lang na haar miskraam, haar geliefde. Percy en Mary verblijven in Lerici, aan de Italiaanse kust, in een huis aan zee. Het stel ruziet veel; Mary is er slecht aan toe en wordt geplaagd door nachtmerries en hallucinaties. Op een dag gaat Percy, ondanks slechte weersvoorspellingen, uit zeilen op zee. Hij wordt door een storm overvallen en weigert hulp van een ander schip.

Tien dagen later spoelt zijn levenloze lichaam aan op het strand. Mary schrijft: ‘I was never the Eve of any Paradise, but a human creature blessed by an elemental spirit’s company & love – an angel who imprisoned in flesh could not adapt himself to his clay shrine & so has flown and left it.’ In het bijzijn van zijn boezemvriend en collega dichter Lord Byron wordt Percy’s lichaam een maand later verbrand, waarna de as wordt begraven in Rome.

Voor de dood haar een aantal jaar met rust laat, heeft Mary nog één verlies te verwerken. Byron besluit in juli 1823 mee te strijden in de Griekse onafhankelijkheidsoorlog tegen Turkije. Op zoek naar avontuur en glorie verkoopt Byron een landgoed, stuurt hij geld richting een Griekse militie en reist hij vervolgens zelf af naar Griekenland om daar leiding te geven in het leger. Hoewel zijn steun de harten van de Grieken sneller en patriottischer doet kloppen en ook de Europese grootmachten de vrijheidsstrijd steunen, is het Byron niet gegund de uiteindelijke Griekse overwinning mee te maken. Op 19 april 1824 overlijdt hij aan koortsen, waarschijnlijk veroorzaakt door malaria.

Al die verliezen, die Mary al op zo jonge leeftijd krijgt te verduren, weet ze te verwerken in haar verhalen.

 

Frankenstein: de grens tussen leven en dood

Veruit het beroemdste werk van Shelley is natuurlijk Frankenstein. Het ontstaansverhaal van die roman is inmiddels haast even legendarisch als het boek zelf.

In de zomer van 1816 zijn Percy, Mary en Claire voor de tweede maal op het continent. Ze verblijven in Villa Diodati aan het meer van Genève, bij Lord Byron – met wie Claire een affaire heeft – en diens lijfarts John Polidori. Door de uitbarsting van een vulkaan in Indonesië is het weer die zomer zelfs tot in Europa ontregeld. Geen zon, dus het gezelschap blijft binnenshuis. Ter vermaak daagt Byron de aanwezigen uit om een spookverhaal te verzinnen. Uit deze uitdaging komen twee van de bekendste horrorfiguren aller tijden voort. Polidori werkt een verhaal uit over een vampier – met overigens verdacht veel trekjes van Byron – dat later een inspiratiebron zou worden voor Bram Stokers Dracula. Shelley bedenkt het monster van Frankenstein.

In 1818 verschijnt Frankenstein; or, The Modern Prometheus; in 1831 volgt een flink herziene versie. In haar voorwoord bij die tweede editie beschrijft Shelley het ontstaan van het verhaal in Villa Diodati:

Lord Byron en Shelley voerden vele en lange gesprekken, waarbij ik een devoot maar vrijwel zwijgend toehoorster was. Tijdens een van die gesprekken werden diverse filosofische doctrines bediscussieerd, onder andere de aard van het levensprincipe en de vraag of het ooit zou worden ontdekt en bekendgemaakt. (…) Misschien kon een lijk tot leven worden gebracht; het galvanisme had daar aanwijzingen voor gegeven; misschien konden de onderdelen van een schepsel worden vervaardigd, bijeengebracht, en begiftigd worden met levenswarmte.

In die tijd wordt er volop geëxperimenteerd met het tot leven wekken van dode materie. Het bekendste experiment is dat van Luigi Galvani, een natuurfilosoof uit Bologna, die met behulp van stroomstoten beweging krijgt in pootjes van dode kikkers. (Waarmee hij overigens geen kikkers tot leven wekt, maar wel het ‘galvanisme’ ontdekt: het samentrekken van spiertjes door elektrische geleiding.)

Die experimenten en het gesprek dat Percy en Byron erover hebben, brengen wat teweeg in de verbeelding van Mary. De nacht na het gesprek droomt ze onrustig en vraagt ze zich af: hoe moet het zijn om, tegen de regels van God in, zelf een wezen tot leven te wekken? Angstwekkend, waarschijnlijk. Dat wordt de insteek van haar spookverhaal.

In Frankenstein onderzoekt Shelley die vraag door de ogen van Victor Frankenstein, een jonge, Romantische medicus uit Genève die bezeten raakt van de (al)chemie en het geheim van leven. Koortsachtig doet Frankenstein zijn proeven met lichaamsdelen die hij uit een knekelhuis heeft ontvreemd. Zijn motief omschrijft hij zelf als volgt:

Leven en dood leken mij ideale grenzen, die ik moest doorbreken om een stortvloed van licht in onze donkere wereld te brengen. Een nieuwe soort zou mij zegenen als zijn schepper en bron; vele gelukkige, voortreffelijke wezens zouden hun bestaan aan mij te danken hebben. Geen vader zou zoveel aanspraak kunnen maken op de dankbaarheid van zijn kind als ik die van hen zou verdienen. Voortbordurend op deze overpeinzingen dacht ik dat ik, als ik leven kon schenken aan levenloze stof, mettertijd (het scheen me op dat moment onmogelijk) leven zou kunnen terugbrengen waar de dood het leven kennelijk al aan ontbinding had overgegeven.

En dan, ‘op een sombere avond in november’, lukt het Frankenstein een lichaam tot leven te wekken. Terwijl de regen troosteloos tegen de ramen klettert, opent het wezen zijn doffe gele ogen en begin hij met schokkend oor zijn hele lichaam te ademen. In de rest van de roman werkt Shelley de morele consequenties uit van deze schepping.

Vanaf de eerste moeizame ademtocht van het schepsel, is Frankenstein vol afschuw over zijn creatie en bestempelt hij het wezen als een gruwelijke mislukking. Hij laat zijn schepping aan zijn lot over. Het wezen weet zichzelf op wonderbaarlijke wijze op te voeden, door het observeren van de eenvoudige en vredelievende familie De Lacey en door boeken te lezen. Maar als hij door zijn afzichtelijke uiterlijk door het gezin wordt verstoten en als Frankestein weigert voor hem een vrouw te maken, neemt het wezen wraak op zijn schepper en slaat hij aan het moorden.

De vraag die het verhaal oproept is: was dit project, de poging de dood te overwinnen, van meet af aan gedoemd te mislukken of ligt de fout elders? En in het verlengde daarvan de tijdloze vragen: in hoeverre ligt de morele verantwoordelijkheid voor bepaalde keuzes en handelingen bij het individu, bij de opvoeding of bij de sociale omgeving?

Shelley geeft geen eenduidig antwoord op die vragen. Maar buiten kijf staat dat ze voortkomen uit haar eigen leven. In Frankensteins schepping zien we Shelley’s intellectuele interesse in de wetenschap versmelten met haar persoonlijke verlangens.

 

The Last Man: wat als geliefden sterven?

De verliezen die Shelley voor haar kiezen kreeg, spelen ook in haar minder bekende meesterwerk, The Last Man, een belangrijke rol.

In 1824, als Shelley werkt aan het boek, is ze naast haar moeder en eerste kind ook haar zoontje William, dochtertje Clara en man Percy verloren. Ze schrijft op 14 mei in haar dagboek: ‘The last man! Yes I may well describe that solitary being’s feelings, feeling myself as the last relic of a beloved race.’ De dag erna krijgt ze te horen dat ook Byron is overleden, wat haar gevoel van eenzaamheid alleen maar versterkt.

Rond de eeuwwisseling hebben andere auteurs al verhalen gepubliceerd over de laatste mens op aarde. Shelley is dus niet de werkelijke grondlegger van dit genre. Maar het mag duidelijk waarom juist die figuur haar persoonlijk aan het hart gaat en wat haar beweegt om The Last Man te schrijven.

De hoofdpersoon van de roman is Lionel Verney, een ruwe herdersjongen die zich ontwikkelt tot een gecultiveerd man die mee kan draaien in de hoogste elite van het land. Dat land is Engeland in de 21e eeuw; maar behalve dat Engeland dan een jonge republiek is, lijkt er weinig veranderd in de wereld.

Lionel groeit op met zijn zus Perdita – die lijkt op Shelley’s stiefzusje Claire – op het platteland. Hij wordt eerst op sleeptouw genomen door Adrian – gemodelleerd naar Percy – graaf van Windsor en bovendien de zoon van de voormalige koning, en later ook door Lord Raymond – gemodelleerd naar Byron – een avontuurlijke aristocraat die enorm rijk is geworden door zijn rol als legerleider in de Grieks-Turkse oorlog. Het eerste deel staat in het teken van de strijd tussen de sympathieke filantroop Adrian en de flamboyante politicus Raymond, tot beide heren uiteindelijk de beste vrienden worden en Perdita een romantische verhouding krijgt met Raymond. Dan komt er plots een verontrustend bericht. Er is een pestepidemie uitgebroken rond de Nijl. Het gevaar lijkt aanvankelijk ver weg, maar vanaf dat moment gaat alles langzaam maar zeker bergafwaarts.

Raymond vertrekt wederom naar het Griekse front. Ditmaal om Constantinopel te veroveren. Maar als blijkt dat de pest daar zijn intrede heeft gedaan, glippen Turkse soldaten stiekem de belegerde stad uit en durven Raymonds troepen de stad niet in te nemen. Raymond denkt dan zelf besmet te zijn, maar wuift het gevaar weg – ‘Does not the plague rage each year in Stamboul?’, tegenwoordig zou men zeggen ‘het is maar een griepje’. Koppig trekt hij in zijn eentje toch de stad binnen, om dan zelf maar de christelijke vlag te hijsen op de moskee.

In een bloedstollende en fantastisch geschreven scène, zoekt Lionel naar Raymond in de brandende en ineenstortende stad. Hij gaat af op het geblaf van Raymonds hond en dat leidt hem naar het levenloze, verminkte lichaam van zijn vriend. En zo vindt Raymond – net als Byron een Griekse legerheld en besmet met een dodelijke ziekte – toch de dood.

De pest houdt huis in de wereld en zaait overal dood en verderf. Adrian neemt de leiding over de overlevende Britten, die besluiten een desolaat en bevroren Engeland te ontvluchten richting het mildere klimaat van Italië. Overal om Lionel heen vallen steeds meer mensen ten prooi aan de pest. Na vele omzwervingen, met onder meer religieuze fanatici en een aangrijpende scène waarin een zieke dochter orgel speelt voor haar blinde vader, komt uiteindelijk ook Adrian aan zijn einde. Hij vergaat – net als Percy – in een storm voor de Italiaanse kust. Lionel blijft eenzaam achter op de wereld.

De autobiografische aspecten in The Last Man zijn, net als bij Frankenstein, slechts één laag in het verhaal. Maar wel een laag die voor Shelley diepte en betekenis geeft aan de filosofische vragen die ze onderzoekt: wat betekenen menselijkheid en kunst nog als samenlevingen uiteenvallen? Wat is het leven nog waard als je al je geliefden verliest? Waar vinden we hoop in extreme omstandigheden, te midden van onheil?

februari 2020
 
Ter ere van de 170e sterfdag van Mary Shelley schreef ik dit artikel. Karakters.nu publiceerde het.
 
Lees verder
Lees ook mijn bespreking van Prelude van William Wordsworth, en mijn stuk over Margaret Cavendish.
Posted by Thomas in Artikel
Het belang van Primo Levi

Het belang van Primo Levi

het belang van primo levi

Nu we langzaamaan afscheid moeten nemen van de generatie die de oorlog persoonlijk meemaakte, wordt literatuur steeds belangrijker. Ze biedt ons een blijvende en persoonlijke vorm van contact met de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust. Wat betreft die literatuur, geldt de Joods-Italiaanse chemicus Primo Levi (1919-1987) als een van de beste en beroemdste auteurs. Hij overleefde Auschwitz en tekende in 1947 de verschrikkingen van het kamp op in Se questo è un uomo, in het Nederlands verschenen onder de titel Is dit een mens. Waarom moeten we ons dit verhaal blijven herinneren en het doorgeven aan de volgende generaties?

 

Is dit een mens

Begin 1944 staat een trein klaar voor vertrek in Fossoli, een concentratiekamp in Noord-Italië. De twaalf wagons zijn gevuld met zeshonderdvijftig ‘stuks’, dat wil zeggen zeshonderdvijftig Joodse gevangenen. Onder hen is de 24-jarige Primo Levi, opgepakt door fascistische milities. Uitgehongerd, verkleumd, dorstig en vermoeid zien ze vijf dagen lang door het luchtgat de namen van Midden-Europese steden en dorpjes voorbijglijden. Bij vertrek hebben ze de labels op de treinwagons gezien, zonder te begrijpen wat het woord precies betekent: ‘Auschwitz’.

‘Met opluchting hadden we ons reisdoel vernomen. Auschwitz: een naam zonder betekenis op dat ogenblik en voor ons, maar die hoe dan ook bij een plek op deze aarde moest horen’, schrijft Levi. Volgens hem wist destijds niemand in Italië wat Auschwitz precies betekende. Later zou hij inzien dat de Duitsers alles deden om te voorkomen dat de gruwelen uit de vernietigingskampen naar buiten zouden komen en dat bekend zou worden wat ‘in Auschwitz de mens van de mens heeft durven maken’.

Na een helse tocht van een paar dagen, wordt Levi bij aankomst in kamp Monowitz-Auschwitz alles ontnomen; kleren, schoenen, haar, alles. Hij begrijpt waar men hier op uit is: de vernietiging van een mens.

‘Laat men zich nu een mens voorstellen wie de mensen die hem lief zijn ontnomen worden, en zijn huis, zijn gewoonten, zijn kleren, alles kortom, letterlijk alles wat hij bezit: dat zal een leeg mens zijn, een mens die niets anders meer is dan lijden en behoefte, die geen waardigheid meer heeft en geen oordeelsvermogen (…) Als men dat alles bedenkt, zal men de dubbele betekenis van de term “vernietigingskamp” begrijpen (…)’

Zoals Vergilius Dante door de hel leidt, zo initieert Levi de lezer in het kamp – of zoals hij het steeds noemt, het Lager. Hij leert ons over de mores, economie, honger en woorden van het kamp, en de hiërarchie van Häftlinge (gevangenen), Kapo’s (gevangenen die op de rest moesten toezien), Blockältester (de verantwoordelijken voor een blok) en Muselmannen (de allerzwaksten). Levi doorstaat dag na dag, maand na maand het extreem harde kampbestaan en het zware ‘werk’ voor de nabijgelegen fabriek, waar synthetisch rubber gemaakt zou moeten worden. Uiteindelijk belandt hij, als scheikundige van opleiding, in een speciaal commando voor chemici en profiteert hij van kleine maar levensreddende voordelen.

Ongeveer halverwege het boek begint in de verte het diepe gerommel van de bombardementen te klinken die de uiteindelijke bevrijding van Auschwitz door de Russen aankondigen. De dynamiek in het kamp verandert en op een dag vindt er ten overstaan van alle gevangenen plotseling een executie plaats. De veroordeelde is een gevangene uit het nabijgelegen Birkenau en is betrokken geweest bij het opblazen van een van de crematoria. Levi schrijft:

‘Feit is dat in Birkenau enige honderden mensen, weerloze, uitgeputte slaven net als wij, in zichzelf de kracht hebben gevonden om te handelen (…) Hij zal vandaag voor onze ogen sterven; en misschien zullen de Duitsers niet begrijpen dat de eenzame dood, het sterven als mens dat hem is toegedacht, hem eer zal brengen en geen schande.’

Net voor de veroordeelde wordt opgehangen, schreeuwt hij uit ‘Kameraden, ich bin der Letzte!’ Toch constateert Levi tot zijn eigen verdriet dat de kracht van dit moment direct vervliegt terwijl de gehangene stuiptrekkend aan zijn einde komt. De overige gevangenen staan even apathisch toe te kijken als de SS’ers:

‘[H]un werk is gedaan, en goed gedaan (…) Een mens vernietigen is moeilijk, haast even moeilijk als er een scheppen: het is niet gemakkelijk geweest, het heeft niet weinig tijd gekost, maar het is jullie gelukt, Duitsers. Hier lopen we, gedwee onder jullie ogen. Van ons hebben jullie niets meer te vrezen: geen opstandige daden, geen uitdagende woorden, niet eens een oordelende blik.’

Wanneer de Russen verder optrekken, beginnen in zekere zin de zwaarste dagen. Om te voorkomen dat hun misdaden aan het licht komen, besluiten de nazi’s het kamp te ontruimen. De gevangenen worden richting het binnenland gestuurd, op kilometerslange uitputtingstochten te voet door de sneeuw – de ‘dodenmarsen’.

Levi ontsnapt hieraan, omdat hij op dat moment in de ziekenboeg ligt. In de bittere Poolse winter proberen de overgebleven zieken in het kamp te overleven. Het weinige voedsel dat hij en zijn paar lotgenoten vinden, delen ze onderling: het Lager is dood, de menselijkheid keert langzaam terug. Op 27 januari 1945 arriveren de Russen in het kamp en daarmee eindigt Is dit een mens.

 

Als alle beschavingsvernis wordt afgepeld

Op de vraag waarom hij zijn verhaal schreef, heeft Levi zelf een aantal antwoorden geformuleerd. In het voorwoord dat hij schreef bij een uitgave uit 1958 stelt hij dat hij zijn boek heeft geschreven ‘in de eerste plaats als innerlijke bevrijding’. Het schrijven had voor hem een therapeutische werking.

Voor de lezer geeft hij twee redenen waarom zijn boek waardevol is. Ten eerste: ‘[Het kan] als materiaal dienen om enkele eigenschappen van de mens eens rustig te overdenken.’ In het boek zelf noemt hij het kamp een reusachtig biologisch en sociaal experiment. Een van de conclusies die Levi uit dit ‘experiment’ trekt is dat het geloof in de oorspronkelijke gelijkheid van alle mensen ongegrond is. Ook in het kamp geldt: aan wie heeft, zal gegeven worden. Maar daarnaast leert hij toch ook optimistischer lessen:

‘Ik geloof niet aan de meest voor de hand liggende conclusie: dat de mens in de grond een egoïstische, domme bruut is en zich als alle beschavingsvernis van hem wordt afgepeld als zodanig gedraagt (…) Ik denk eerder dat men, wat dit betreft, niet verder kan gaan dan de constatering dat dringende nood en lichamelijke ontbering veel sociale instincten en gewoonten tot zwijgen brengen.’

Levi stelt dat hij wél gelooft in een natuurlijke solidariteit van mensen. Dat hij tot die conclusie kan komen in de extreme en afgrijselijke omstandigheden die hij heeft meegemaakt, is veelzeggend.

De tweede reden die Levi zelf aanreikt voor het lezen van zijn verhaal, is de belangrijke waarschuwing die het bevat:

‘Veel mensen, en volken, zijn min of meer bewust de mening toegedaan dat “elke vreemdeling een vijand is”. Meestal ligt die overtuiging ergens diep weggestopt, als een sluimerend virus; ze komt alleen in losse, toevallige reacties tot uiting en leidt niet tot een samenhangend gedachtesysteem. Maar als dat wel gebeurt, als het onuitgesproken dogma het uitgangspunt van een sluitende redenering wordt, dan staat aan het eind van de keten het Lager. Het Lager is het product van een met uiterste consequentie in praktijk gebrachte wereldbeschouwing; zolang die wereldbeschouwing bestaat, dreigen ons de consequenties. De geschiedenis van de vernietigingskampen behoort door ieder mens begrepen te worden als een sinister alarmsignaal.’

Dit alarmsignaal ligt Levi nog wat toe in een voorwoord uit 1972. Eerst benadrukt hij daarin de centrale plek die de kampen hadden: de kampen waren geen akelig bijverschijnsel, maar de ‘ruggengraat van de Duitse oorlogsindustrie’ en een ‘fundamentele instelling van het fascistische Europa’. Vervolgens signaleert hij dat een element uit de Holocaust, de kampen, op verschillende plekken in de wereld nog steeds bestaat:

‘Nee, er bestaan op dit ogenblik geen gaskamers of verbrandingsovens, maar er bestaan wel concentratiekampen, in Griekenland, in de Sovjet-Unie, in Vietnam, in Brazilië. Er bestaan in bijna alle landen gevangenissen, opvoedingsgestichten, krankzinnigengestichten waar, net als in Auschwitz, een mens zijn gezicht verliest, zijn waardigheid en zijn hoop.’

In 1986 vat Levi ten slotte nog eens kernachtig samen waarom de getuigenissen van de Holocaust zo belangrijk blijven: ‘Het is gebeurd en het kan dus weer gebeuren; dat is de kern van wat we te zeggen hebben.’

Nu, in onze tijd, kost het nauwelijks moeite te ontdekken dat het dogma van ‘elke vreemdeling is een vijand’ bepaald niet is verdwenen. En ook al probeert men ze geheim te houden, nog steeds bestaan er werkkampen in Rusland en ‘heropvoedingskampen’ in China. Helaas hebben Levi’s oproepen na meer dan dertig jaar dus niets aan actualiteit ingeboet.

 

Vernedering en vernietiging

Politiek filosoof Avishai Margalit heeft een groot deel van zijn denken gewijd aan de Holocaust. Hij geeft een filosofische analyse van de Holocaust die aansluit bij de ervaringen en opmerkingen van Levi.

In het essay ‘Het unieke van de Holocaust constateert Margalit dat er een toenemende interesse is in de Holocaust. Zo probeert men het trauma te verwerken of te waarschuwen voor soortgelijke rampen in de toekomst. Daarnaast kunnen we de Holocaust volgens Margalit zien als ‘symbool voor de grenssituatie van het mens-zijn’. Met andere woorden: de uitzonderlijke omstandigheden leren ons iets over hoe de mens in elkaar steekt. Dat zijn motieven die precies overeenkomen met Levi’s intenties voor het opschrijven en delen van zijn ervaringen.

Wat maakt de Holocaust nu zo bijzonder? Volgens Margalit is het buitengewoon zeldzaam dat een groep mensen zowel systematisch vernietigd als vernederd is. Stalin vernietigde en Mao vernederde, maar de nazi’s combineerden beide.

Die combinatie kwam voort uit de ideologie van de nazi’s, die in de kern racistisch was. Eerst werden Joden gezien als een inferieur type mens, maar algauw werd hun hun menselijkheid algeheel ontzegd. Margalit laat zien dat hierin een paradox schuilt. Als het henzelf betrof, was er volgens de nazi’s geen universele mensheid of mensenras, maar bestonden er alleen verschillende mensenrassen – het Arische was superieur. Zodra het Joden betrof, gebruikten ze echter weldegelijk het idee van een universele mensheid, om aan te geven dat de Joden daar niet bijhoorden. Volgens Margalit verschoof de nazi-ideologie van de ene vorm van racisme naar een andere. Omdat rassen volgens de nazi’s hoe dan ook niet vaststonden, zouden Joden kunnen leiden tot degeneratie van het Arische dan wel mensenras. Dit giftige geheel werd de ideologische basis voor hun vernietiging.

De vernedering van Joden ontstond doordat de nazi’s probeerden de relatie die ze hadden met de Joden zoveel mogelijk door te snijden. Dat Joden qua uiterlijk sterk leken op de Duitsers – in ieder geval meer dan bijvoorbeeld Afrikanen of Aziaten – was dus problematisch. Om te voorkomen dat ze zichzelf in de Joden zouden herkennen, zagen de nazi’s zich volgens Margalit genoodzaakt de Joden te vernederen. Het kaalscheren en uithongeren leidde ertoe dat Joden ook fysiek minder op mensen begonnen te lijken.

De deportatie was volgens Margalit eveneens bedoeld om de band tussen de nazi’s en de Joden te doorbreken. Door Joden te verplaatsen uit een normale omgeving en hen weg te stoppen in kampen, werd er letterlijk, geografisch, afstand gecreëerd tussen dader en slachtoffer. En ook in de kampen werden nazi’s en Joden tot op zekere hoogte op afstand van elkaar gehouden door het aanstellen van Kapo’s – zij waren zelf immers ook gevangenen. ‘Allemaal bedoeld om de Duitser te ontsmetten, hen ervoor te behoeden dat ze met de gevolgen van hun eigen daden zouden worden bezoedeld’, schrijft Margalit.

De scène die Levi beschrijft waarin de opstandeling opgehangen wordt, is een goed voorbeeld van hoe het eigenlijk niet moest gaan volgens de nazi’s. De opstandeling sterft hier niet anoniem en ontmenselijkt in een verbrandingsoven, maar als een mens die zijn mens-zijn zelfs nog weet te bekrachtigen met zijn uitroep. Deze dood geeft hem een zekere waardigheid en zelfs eer, en daardoor kleeft er een misdaad aan de SS’ers die de nazi-ideologie nu juist moest verdoezelen.

Ten slotte beschouwt Margalit de Holocaust als een ‘negatieve ontstaansmythe’, een verhaal over waar wij vandaan komen en hoe onze huidige wereld is ontstaan. De Holocaust heeft, juist door wat hij vernietigde, laten zien wat we koesteren en hoe broos dat eigenlijk is. Het is ons pijnlijk duidelijk geworden dat bijvoorbeeld vooruitgang, een liberale wereld, de menselijke waardigheid en een universele mensheid geen vanzelfsprekendheden zijn.

April 2020
Karakters
Dit artikel schreef ik voor literair platform Karakters.nu.
 
Lees verder
Lees ook mijn stuk over het vertalen van De Toverberg van Thomas Mann, en mijn recensie van Wat de lezer leert.
Posted by Thomas in Artikel, Tekst
Verveling in tijden van corona

Verveling in tijden van corona

verveling
verveling in tijden van corona
iFilosofie, maart 2020

Nu het coronavirus rondwaart zitten we aan huis gekluisterd. Verveling ligt al gauw op de loer. Een mooi moment dus om eens een paar boeken uit de kast te pakken om te zien wat filosofen zoal over verveling hebben geschreven.

Wie dat doet, ontdekt dat er al eeuwen over verveling wordt nagedacht en dat dat nare, onbestemde gevoeletje in feite een enorm rijk filosofisch begrip is. Thomas van Aquino, Pascal, Kierkegaard, Nietzsche en Heidegger: de filosofie van de verveling omvat enkelen van de grootste denkers aller tijden.

Vrijwel al die denkers maken een onderscheid tussen twee soorten verveling. Er is gewone, alledaagse verveling, en er is een diepere, existentiële verveling.

De eerste soort komt voort uit iemands omgeving. Je weet dan in een bepaalde situatie even niet wat je moet – denk aan onze thuisquarantaine. De andere vorm van verveling is niet afhankelijk van specifieke situaties, maar van onze algehele toestand. Je twijfelt dan aan de zin van je leven en het bestaan. Ze zijn niet altijd strikt te scheiden en omgevingsverveling kan best leiden tot existentiële verveling.

Verder is er een onderscheid tussen premoderne en moderne verveling. In het premoderne, christelijke denken heette verveling acedia. Dat was aanvankelijk een Griekse term (a-keideia) die ‘zorgeloosheid’ betekende, maar werd moreel geladen door de kerkvaders als ‘roekeloosheid’, ‘luiheid’ of ‘onverschilligheid’. Acedia werd zelfs een hoofdzonde, omdat ze twijfel aan God en het geloof betekende.

In de vierde eeuw schreef Evagrius van Pontus over acedia. Over isolatie gesproken: hij leefde een ascetisch bestaan in een stenen monnikscel in de Egyptische woestijn. Volgens Evagrius was acedia een zonde die bestond uit uit twijfels en kwade gedachten. De oplossing was dus je gedachten weer op orde krijgen. Dat kon door je te richten op behapbare taken, handarbeid, bidden of door de ascese iets te minderen.

Bij moderne verveling ligt dat anders. Blaise Pascal schreef in zijn Pensées dat verveling, ennui, geen zonde is maar een natuurlijke toestand van de mens. Van hem komt de mooie spreuk ‘alle ellende van de mensen heeft maar één oorzaak, namelijk dat zij niet in staat zijn rustig in een kamer te blijven’. We willen gelukkig en onsterfelijk zijn, maar dat lukt ons niet en daar kunnen we ons maar moeilijk bij neerleggen.

De mens is volgens Pascal daarom naarstig op zoek naar verstrooiing, bijvoorbeeld door een potje biljart – wij zouden misschien eerder denken aan Netflixseries of games. Het probleem is echter dat die afleiding altijd maar tijdelijk is. Ze is niet meer dan de illusie van geluk. De echte oplossing voor verveling lag voor Pascal in een herwonnen geloof in God.

Maar wat moeten wij, ongelovigen na de dood van God, met onze verveling aanvangen?

Omgevingsverveling is relatief eenvoudig: verander je omstandigheden en die verveling zal verdwijnen. Wanneer we straks weer vrijuit de wereld in kunnen, zal de verveling van het thuiszitten natuurlijk weg zijn. Tot die tijd is het geduldig zijn of verstrooiing zoeken.

En die diepere, existentiële verveling? Ik denk dat we die verveling niet moeten verwerpen als zonde, maar moeten beseffen dat ze typisch menselijk is. Probeer deze verveling niet te verdrijven met amusement. Durf in plaats daarvan de ongemakkelijke maar waardevolle vragen die ze oproept te stellen en te onderzoeken.

Dit artikel schreef ik voor iFilosofie #49. Zie iFilosofie.nl.
Lees ook mijn profiel van Blaise Pascal voor Filosofie Magazine of mijn essay over verveling voor de Fusie.
Posted by Thomas in Artikel, Tekst
De filosofische wraak van Margaret Cavendish

De filosofische wraak van Margaret Cavendish

de filosofische wraak van margaret cavendish
Profiel van Margaret Cavendish
iFilosofie, november 2019

Wat doe je als leergierige en ambitieuze jonkvrouw als de wetenschap, politiek en filosofie worden gedomineerd door mannen? Dan trek je onverschrokken ten strijde en schep je je eigen wereld. Althans, dat is wat Margaret Cavendish deed met haar feministische utopie De stralende wereld. Weinig utopieën zijn zo fantasierijk, grensverleggend en persoonlijk als dit boek, dat onlangs voor het eerst in Nederlandse vertaling verscheen. Wie was Cavendish? Wat bewoog haar? Hoe nam zij wraak op haar tijd?

Het scheelde weinig of het oeuvre van Margaret Cavendish was nooit tot stand gekomen. Half juli 1644 was de Engelse Burgeroorlog tussen de koningsgezinden en de parlementsgezinden in volle gang. Margaret bevond zich op een Nederlands schip, dat maar net wist te ontsnappen uit een haven in het uiterste puntje van Cornwall. Opgegroeid in de rijke, koningsgezinde familie Lucas, vluchtte ze nu als hofdame met de Engelse koningin naar het continent.

Margaret was een verlegen, introverte jonge vrouw, en daardoor slecht op haar plek aan het hof. Maar in Parijs ontmoette ze een edelman in ballingschap, William Cavendish. Deze markies van Newcastle was vóór de burgeroorlog een steenrijke aristocraat en leidde het koninklijke leger in Noord-Engeland. William keek door de verlegenheid van Margaret heen en zag de intelligente, fantasierijke denkster die – totaal tegen de tijdgeest in – als vrouw zou uitgroeien tot een van de beroemdste geleerden van haar tijd. Ze trouwden en verlieten Parijs.

 

Een vrouw in de wetenschap

Samen betrokken ze in 1648 het Rubenshuis in Antwerpen. Een levendige stad en iets goedkoper dan het luxueuze hofleven. Daar vonden ze de tijd voor hun hobby’s. William richtte zijn eigen rijschool op in de achtertuin, terwijl Margaret zich stortte op het schrijven en de filosofie. Daarbij werd ze geïnspireerd door de voorname gasten van William en zijn broer Charles: René Descartes, Pierre Gassendi, Marin Mersenne en Thomas Hobbes.

Cavendish had geen formeel onderwijs genoten. Haar broers hadden gestudeerd aan Cambridge, maar dat zat er voor Margaret – als vrouw – niet in. Ze las graag, maar alleen Engels. Voor haar studie was ze verder afhankelijk van William en Charles en wat ze via hen meekreeg van de filosofische discussies. Ze trok zich er niets van aan dat de filosofie en wetenschap gedomineerd werden door mannen.

Net als haar mannelijke tijdgenoten boog ze zich over de vraag hoe de wereld in elkaar zat: waren er vier elementen, bestond alles uit atomen of was er slechts één soort substantie? Hoe zag de verhouding tussen geest en materie of ziel en lichaam eruit? Wie hadden er gelijk: de materialisten die stelden dat er niets dan materie was, of de idealisten en platonisten die stelden dat alles juist bestond uit geest?

In eerste instantie ging Cavendish uit van de vier elementen, maar daar kwam ze al snel op terug. Ze koos voor een soort materialisme: alles moest bestaan uit één materie, maar wel een ‘denkende’ materie. Zo goed en kwaad als het ging, zette ze haar eigen overwegingen op papier. Toen ze in 1653 in Engeland probeerde geld los te krijgen, wist ze een vooraanstaande uitgever in London te bewegen tot de publicatie van haar Poems and Fancies en Philosophicall Fancies. Zo werd ze de eerste vrouw die een wetenschappelijke verhandeling onder haar eigen naam publiceerde.

Cavendish bleef schrijven in Antwerpen. Ze kwam in contact met Constantijn Huygens, de voorname diplomaat, dichter, geleerde en kunstliefhebber uit Den Haag. Huygens was het Engels machtig en zo kon Cavendish dus met hem corresponderen. Ze schreven elkaar over Rupert’s Drops, kleine druppels van gehard glas die heel bleven als er met een hamer op de kop geslagen werd, maar uiteenspatten zodra er een stukje van de staart werd afgebroken. Destijds cutting-edge wetenschap. Huygens bewonderde Cavendish, maar ook samen kwamen ze niet tot een sluitende verklaring voor de werking van de druppels.

Enkele jaren later, in 1660, keerde het tij voor de royalisten in de burgeroorlog. De Britse prins, een oud leerling van William Cavendish, werd gekroond tot koning Karel II, en de Cavendishes keerden terug naar Engeland. William werd hertog van Newcastle en bracht hun financiën en bezittingen op orde.

 

De stralende wereld

Haar beroemdste werk publiceerde Cavendish in 1666: De stralende wereld. Een van de bijzonderste literair-filosofische teksten. In feite was het een aanhangsel bij een filosofische traktaat, maar tegelijk de allereerste feministische utopie en een van de eerste sciencefictionromans.

De stralende wereld vertelt het verhaal van een jonkvrouw die wordt ontvoerd en via de noordpool in een andere wereld belandt. De steden zijn er gemaakt van de mooiste edelstenen en de mensen lijken er op dieren. In een mum van tijd schopt de jonkvrouw het tot keizerin en zet ze de wetenschap, politiek en religie naar haar hand.

De keizerin ondervraagt haar verschillende soorten onderdanen, die allen een specifieke functie hebben. Zo zijn de vogelmensen astronomen, vismensen natuurfilosofen, vosmensen politici en papegaaimensen haar redenaars, enzovoorts. Met hen filosofeert ze over de methodes van hun specifieke discipline en over hoe de wereld in elkaar steekt.

Via die gesprekken maken we kennis met Cavendish’ eigen ideeën. De beermensen bijvoorbeeld, de experimentele filosofen van de keizerin, zijn hoogstwaarschijnlijk een parodie op de leden van de Royal Society. Dit instituut was opgericht in de geest van Nieuw-Atlantis, de utopie van de wetenschapsvernieuwer Francis Bacon, en stelde het experiment centraal. Cavendish vond daarentegen dat je niet zomaar in het wilde weg kon experimenteren om te kijken wat er gebeurde, maar eerst goed en redelijk moest nadenken over hoe het experiment werd opgezet.

Ook komt de keizerin over het geloof te spreken. Volgens de priesters is het beter dat er geen vrouwen in de gemeentes komen, anders zou de man zijn aandacht niet richten op God maar op zijn minnares. Dat laat de keizerin niet over haar kant gaan: geloof is niet alleen voor mannen. Ze besluit een congregatie voor vrouwen op te richten, zodat ook zij hun geloof kunnen belijden.

Om de stralende wereld gelovig te houden, richt de keizerin twee kapellen in, waarin ze strenge preken houdt voor misdadigers en geruststellende preken voor hen die berouw tonen. Zo weet ze de wereld gelovig te houden, zónder bloed te vergieten:

‘Want ze wist heel goed dat het geloof de mens niet met dwang of druk opgelegd kan worden, maar moet worden aangewakkerd in de geest door vriendelijke aansporing. (…) Angst zorgt er weliswaar voor dat men gehoorzaamt, maar slechts voor korte duur, en is lang niet zo betrouwbaar om toewijding in stand te houden als liefde.’

Hier horen we Cavendish zelf spreken. Maar even verderop wordt Cavendish’ stem nog duidelijker.

De keizerin raakt in gesprek met immateriële geesten, wezens die al lang in de stralende wereld verkeren en haar helpen bij het vinden van een secretaris voor het maken van een kabbala. Ze vraagt om de geest van iemand als Descartes of Hobbes, maar de immateriële geesten antwoorden haar:

‘Dat zijn inderdaad heel vernuftige, maar tegelijk ook zo verwaande schrijvers dat ze nooit secretaris zouden willen zijn van een vrouw. Maar er is een dame, de hertogin van Newcastle, die, ook al is ze misschien niet de meest geleerde, welbespraakte en gevatte denker, toch een heldere en redelijke schrijver is. Want dat zijn haar schrijfprincipes: verstandigheid en redelijkheid.’

Dan neemt het verhaal een wonderlijke wending, want vervolgens verschijnt de ziel van de hertogin van Newcastle ten tonele, oftewel Margaret Cavendish zelf. De ziel van de hertogin praat de keizerin het plan van de kabbala uit het hoofd en de twee raken innig bevriend, ‘platonische geliefden’ zelfs.

Op een dag bekent de hertogin aan de keizerin haar diepste wens: net zo machtig en beroemd te zijn als de keizerin, en een eigen wereld te besturen. Als alle werelden al voorzien blijken van een regering, komen de immateriële geesten met een gouden tip: zelf een wereld scheppen met behulp van fantasie. Een grappige, creatieve vondst die getuigt van reflectievermogen. Cavendish hunkerde in het echte leven ook naar roem en macht, en met het verzinnen van De stralende wereld deed ze precies wat ze de hertogin in het verhaal laat doen.

De keizerin en de hertogin gaan vervolgens enthousiast aan de slag met het verzinnen van fantasiewerelden en testen verschillende filosofieën als grondbeginsel. De demonen van Thales, ideeën van Plato, atomen van Epicurus, Aristoteles, Descartes en Hobbes: allemaal schieten ze tekort in de ogen van de hertogin. Ze besluit uiteindelijk een wereld te scheppen op basis van voelende en denkende zelfbewegende materie. Hiermee giet Cavendish haar kritieken op de genoemde filosofen en haar eigen oplossing in fictievorm.

 

Zoete wraak in fictie

Verderop in het verhaal verweeft Cavendish nog meer feiten in haar fictie. Op een gegeven moment bezoeken de keizerin en hertogin de wereld van de hertogin. Ze nemen een kijkje bij de landgoederen Welbeck en Bolsover, die Cavendish in werkelijkheid ook bezat. Daar zien ze de hertog van Newcastle bezig met zijn paarden, en de hertogin verzoekt de keizerin om de hertog te verzoenen met Fortuna, de godin van het lot.

Er volgt een korte fabel met Waarheid als rechter, Fortuna als de beklaagde, met Dwaasheid en Onbesuisdheid als secondanten, en de hertog als aanklager, bijgestaan door zijn vrienden Eerlijkheid en Inzicht. De verschillende personages doen hun zegje en de hertogin verdedigt haar man, met toespelingen op het werkelijke leven van Cavendish. Nog voor het vonnis wordt uitgesproken, gaat Fortuna er echter woedend vandoor. Het punt mag duidelijk zijn.

Ook in deel twee van De stralende wereld vinden we toespelingen op het leven van Cavendish. Daar treffen we een stukje onvervalste wraakfictie. Cavendish laat de hertogin een plan uitdokteren om de vijanden van haar thuisland te overwinnen. De keizerin vaart daarop met haar indrukwekkende vloot naar de wereld van de hertogin. Met veel machtsvertoon, geweld en slimme trucs onderwerpt ze de gehele wereld aan de koning van ‘Esfi’, oftewel Engeland Schotland, Frankrijk en Ierland.

Die koning was Karel II. Zo neemt Cavendish in haar roman dus wraak op de tegenstanders van de Engelse kroon en het onrecht dat haar in werkelijkheid was aangedaan. Ze laat zichzelf glorieus zegevieren. En wie dacht dat de fantasie van Cavendish alleen maar over liefdesverhalen en fantasiewezens zou gaan, komt bedrogen uit. In De stralende wereld kan een vrouw zich zelfs met oorlog bezighouden.

 

Gestoord, verwaand en belachelijk

Toen De stralende wereld verscheen was de Engelse monarchie weer in ere hersteld en waren de royalisten uit hun ballingschap teruggekeerd naar hun thuisland. Cavendish was nu niet alleen een vooraanstaande aristocrate, maar ook een beroemd auteur. Hoewel ze in De stralende wereld en ander werk kritiek had geleverd op twee van de bekendste leden van de Royal Society, sprak ze in 1667 de wens uit om het instituut te bezoeken. Haar verzoek werd ingewilligd en met veel grandeur arriveerde ze in een gouden koets. Als allereerste vrouw werd Cavendish daar ontvangen en ze nam er kennis van de aanwezige instrumenten en experimenten. Het zou honderden jaren duren voor die eer weer aan een vrouw ten beurt zou vallen.

De beroemde dagboekenschrijver Samuel Pepys, zelf in 1665 lid geworden van de Royal Society, vermeldde dat Cavendish experimenten bekeek en prees, waarna ze door de heren weer naar buiten werd geleid. Zijn kijk op Cavendish is typerend voor de tijd:

‘Ze heeft inderdaad donker haar en mooie, donkere oogjes, maar verder is ze in mijn ogen een doodgewone vrouw, hoewel ze goed kan zingen. De hertogin was een knappe, bevallige vrouw, maar haar jurk zó ouderwets en haar houding zó gewoontjes, dat ze me desalniettemin helemaal niet aanstaat. Ze had evenmin iets waardevols te zeggen, behalve dat ze vol bewondering was, alleen maar bewondering.’

Een jaar later schreef Pepys dat hij The Life of William Cavendish gelezen heeft: ‘[dit belachelijke werk], geschreven door zijn echtgenote, toont dat zij een gestoorde, verwaande en belachelijke vrouw is, en dat hij een gek is dat hij haar toestaat zo aan en over hem te schrijven.’ Daarmee stond zijn oordeel over Cavendish en haar werk vast.

Deze reactie van Pepys laat precies zien waarom De stralende wereld zo’n belangrijke tekst is. Vrouwen werden niet door iedereen serieus genomen. En dit thema dat Cavendish met haar utopie aansneed, is ook vandaag de dag in Nederland nog relevant. Meer dan drie-en-een-halve eeuw later zijn vrouwen onder politici, bestuurders en wetenschappers nog steeds ondervertegenwoordigd.

Lezen en nadenken over een fantasiewereld kan volgens Cavendish helpen dat te veranderen. Niet alleen omdat het vermakelijk is, maar vooral omdat onze verbeelding ons een leven voorschotelt dat we nog niet hebben bereikt. Een wereld waarin we onszelf wel kunnen zijn als de echte wereld dat niet toestaat. Een wereld die volgende generaties laat zien waarom dat gewenste leven van ons geen werkelijke mogelijkheid was, zodat zij die mogelijk wél kunnen realiseren en de samenleving in de toekomst iets mooier en beter wordt.

Lees meer over De stralende wereld.

 

 

Dit profiel van Margaret Cavendish schreef ik voor het novembernummer van iFilosofie.
Lees ook mijn stuk over het vertalen van De stralende wereld.
Posted by Thomas in Artikel, Tekst
Het verhaal van twee Toverbergen

Het verhaal van twee Toverbergen

het verhaal van twee toverbergen
Artikel over twee vertalingen van De Toverberg
Karakters.nu, september 2019

‘Pé is dood & dat is kut’, schreef Herman Brood nadat Petrus Hermandus Hubertus (Pé) Hawinkels in 1977 was bezweken aan een hartaanval. In de jaren ervoor had Hawinkels liedteksten voor Brood geschreven, maar hij was ook bekend om zijn gedichten, columns en vertalingen van literaire en filosofische werken. Sophocles, Shakespeare, Sontag en Duitsers als Nietzsche, Herman Hesse en Thomas Mann. Hij werd slechts 34 jaar, maar groeide uit van een ‘schrijfnozem’ tot een cultheld die nog steeds wordt bewonderd, ook door vakgenoten.

Toch waren de meningen over Hawinkels’ vertaalkunsten behoorlijk verdeeld toen in 1975 zijn vertaling van De Toverberg van Thomas Mann verscheen. Er ontstond zelfs een heuse rel rond de meest prestigieuze vertaalprijs van Nederland. Deze anekdote is nu meer dan veertig jaar oud en al vaker opgetekend; er is zelfs al een nieuwe vertaling van Manns meesterwerk. Toch loont het de moeite dit verhaal nogmaals op te rakelen, omdat het raakt aan een fundamentele vertaalkwestie die nog steeds actueel is.

 

Kuren in Davos

Eerst kort iets over Thomas Mann en Der Zauberberg. In 1912 reist Mann af naar Davos, omdat zijn vrouw daar kuurt tegen een longontsteking. In het kuuroord doet Mann inspiratie op voor Der Zauberberg. De plot is simpel: Hans Castorp, een eenvoudige jongeman, reist af naar een kuurhotel in Davos voor een kort bezoek aan zijn neef, maar blijft er vervolgens zeven jaar. Dat klinkt misschien wat mager voor een pil van bijna duizend pagina’s, toch zien velen het werk als een van de hoogtepunten uit de wereldliteratuur.

Dat heeft onder meer te maken met de ideeënrijkdom van het boek. Castorp wordt door die ideeën gevormd in zijn ontmoetingen met andere gasten in het kuuroord. Zo wordt hij verliefd op madame Chauchat en leert hij van de discussies tussen de Italiaanse humanist Lodovico Settembrini en de jezuïet Leo Naphta. Tegelijk krijgt de lezer een sfeervolle indruk van de toestand in Europa aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog – Mann noemde de roman zelf ‘een document van de Europese zielstoestand en geestelijke problematiek uit het eerste derde deel van de twintigste eeuw’.

Daarnaast behoedt ook Manns schrijfstijl dat het boek al te zwaar wordt. Zijn toon is ironisch en speels. Mann wisselt lange, complexe volzinnen en de geëxalteerde manier van spreken van zijn personages af met korte, komische zinnetjes. Precies die stijl en toon maken Der Zauberberg zo’n grote uitdaging voor vertalers.

 

Hawinkels’ Toverberg

Nu de rel. Begin 1974 krijgt Pé Hawinkels de opdracht een nieuwe Nederlandse vertaling van Der Zauberberg te maken. De oude, vooroorlogse vertaling is dan bijna vijftig jaar oud en aan een opvolger toe. Een droomklus voor Hawinkels. Na negen maanden is hij klaar en begin 1975 ligt het boek in de winkel.

Lovende woorden vallen Hawinkels ten deel, onder meer van criticus en vertaler Paul Beers. Ook G.A. von Winter, de bibliothecaris van het Goethe-Institut, die naar verluidt hele passages uit het origineel uit zijn hoofd kan opdreunen, is complimenteus: ‘[Hawinkels heeft] er naar mijn mening als vertaalprestatie ook meteen maar een magnum opus van gemaakt.’ Maar Von Winter is misschien niet geheel objectief, aangezien hij degene was die vóór publicatie met de stofkam door Hawinkels manuscript was gegaan.

In het Leidsch Dagblad uit ook criticus Jaap Goedegebuure zich positief: ‘[E]en vertaling die grote bewondering afdwingt door de grote precisie, en die het hele boek door zonder noemenswaardige inzinkingen de toon van Thomas Mann weet vast te houden.’ Maar Goedegebuure maakt aan de hand van een paar kleine voorbeelden deze kanttekening: ‘Hier en daar treft in zijn vertaling wel iets tweeslachtigs, vooral waar hij de gedragen zinnen lardeert met een naar mijn smaak al te moderne of populaire uitdrukking.’ En precies die kritiek zou vaker klinken.

Aangezien zowat alle belangrijke kranten in Nederland gewag maken van Hawinkels’ vertaling en De Toverberg als omvangrijke en moeilijk te vertalen roman een ideale meesterproef is, verwacht de literaire wereld dat Hawinkels de volgende winnaar zal zijn van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs, de belangrijkste vertaalprijs van ons land.

Toch loopt het anders. De jury van de Nijhoffprijs besluit de prijs merkwaardig genoeg niet aan Hawinkels toe te kennen. De uitgever reageert verontwaardigd, er wordt gespeculeerd over de achterliggende redenen en er komen zelfs roddels naar buiten over onenigheid binnen de jury.

 

De slechtste vertaling van het jaar

In januari 1976 publiceert Jan Brokken een gedetailleerd stuk in Haagse Post, onder de veelzeggende titel ‘De rel rond de Nijhoffprijs. Hoe goed is De Toverberg vertaald?’ De jury zou verdeeld geweest zijn in vertalers, die pro-Hawinkels waren, en germanisten, die Hawinkels’ vertaling volledig afkraakten en aan het langste eind trokken.

Volgens een anoniem citaat zou Hawinkels’ De Toverberg ‘de slechtste vertaling van het jaar’ zijn, barsten van de germanismen en honderden fouten bevatten – ‘zelfs de titel is verkeerd vertaald, het boek heet niet De Toverberg maar De Magische Berg.’ En: ‘als de argumenten van de jury ooit nog eens in de openbaarheid zouden komen, dan zou de carrière van Hawinkels definitief gebroken zijn.’ Die laatste opmerking zou nog een staartje krijgen.

Ook Hawinkels zelf komt in het stuk aan het woord. Brokken tekent op: ‘Wij treffen hem goedgemutst in Nijmegen aan, waar hij, in een klein kamertje, tussen bed, wasbak en duizenden boeken, waarvan een niet onbelangrijk deel midden in de kamer op een gigantische belt bijeengeharkt, bezig is aan een Shakespeare-vertaling. (…) Hawinkels (33) ziet deze affaire “in de traditie van een groot aantal kritische opmerkingen die ik in de loop van mijn vertaalactiviteiten tegengekomen ben. Men vindt dat ik te vrij vertaal.”’

Wat nu precies de inhoudelijk kritiek is van de jury en waar die ‘honderden fouten’ staan, blijft evenwel onduidelijk. Brokken sluit af: ‘na al die geruchten en verdachtmakingen wil de simpele lezer van De Toverberg misschien ook wel eens weten of die vertaling deugt of niet. Het boek leest als een trein, en het zou voor die lezer een vervelend gevoel zijn als hij naderhand moet merken dat hij in de verkeerde trein is gestapt.’

Een antwoord op die vraag komt al iets dichterbij in november van dat jaar. In De Revisor verschijnt het verslag van een gesprek tussen de eerdergenoemde Paul Beers, criticus André Matthijsse, vertaler Hans Hom, schrijver Dirk Ayelt Kooiman en – last but not least – Pé Hawinkels zelf. Een paar voorbeeldjes geven een beeld van het gesprek.

Matthijsse is het meest kritisch op Hawinkels’ vertaling. Bij de eerste zin gaat het volgens hem al mis: ‘Die Geschichte Hans Castorps, die wir erzählen wollen (…)’ is bij Hawinkels ‘Nu gaan wij het verhaal vertellen van Hans Castorp (…)’. In het Duits ligt de nadruk heel anders, en deze aanpassing is exemplarisch voor de verkeerde insteek van de vertaler. De vertaling ‘loopt als een trein’, maar staat te ver af van het Duits van Mann en gaat voorbij aan karakteristieken van de brontekst, concludeert Matthijsse. Kortom, te vrij vertaald.

Ook klinkt er wederom kritiek op Hawinkels’ al te modieuze uitdrukkingen: ‘sorry, hoor’, ‘sodemerakels’, ‘kluns’, ‘jofel’ en ‘dat is stug’. Hawinkels ligt toe dat hij zijn Hans Castorp gemodelleerd heeft naar een jongen die hij persoonlijk kende: ‘[H]ij praat als een Nijmeegse corpsstudent.’

De kwaliteit van Hawinkels’ Nederlands staat voor alle gesprekspartners buiten kijf. De vraag is alleen of je als vertaler in woordkeuze en zinsbouw dienstbaar moet zijn aan de brontekst – dat wil zeggen, dienstbaarder dan Hawinkels is geweest – of dat de vertaler, zoals Hawinkels stelt, een ‘nieuw boek aan het maken is’ als hij vertaalt.

 

Het geheim van de jury

Of de jury van de Nijhoffprijs ook zo’n inhoudelijke discussie met specifieke, concrete voorbeelden heeft gevoerd voor het vellen van haar oordeel over Hawinkels is maar helemaal de vraag. Dat wordt bevestigd als Cees Koster, biograaf van Hawinkels, in 2014 een stuk publiceert in Filter en niets heel laat van de eerdere roddels rondom de Nijhoffprijs. Aangezien de prijs uitgereikt wordt namens het Prins Bernhard Fonds, zijn de notulen van de jury inmiddels openbaar geworden en in te zien in het Nationaal Archief. Op basis daarvan beschrijft Koster hoe de hele affaire daadwerkelijk verliep.

Kort samengevat: twee juryleden treden pas ná de discussie over Hawinkels toe tot de jury, de voorzitter is het eerste half jaar afwezig wegens ziekte, en de andere leden van de jury zijn geregeld afwezig zonder reden. Uit de vergadering van 8 september citeert Koster:

‘Dolf Verspoor [de juryvoorzitter, TFH] is ontsteld over Hawinkels’ slechte vertaling van een artikel in Maatstaf van de hand van G.A. von Winter. Henk Mulder [germanist] vindt de vertaling van Der Zauberberg een ramp. Hij heeft op iedere bladzijde veel fouten gesignaleerd en noemt hiervan enkele sprekende voorbeelden. Mevrouw Du Perron [schrijver/vertaler Elisabeth du Perron-de Roos] merkt op na verloop van tijd het noteren van misslagen te hebben gestaakt. Besloten wordt deze vertaler van de lijst te schrappen.’

Het genoemde artikel van Von Winter blijkt echter niet vertaald door Hawinkels, maar door Martin Ros. Het lijkt erop dat Hawinkels de prijs misloopt op basis van het mondelinge oordeel over De Toverberg van twee juryleden, concludeert Koster. Het heeft er alle schijn van dat een echt inhoudelijke discussie over de vertaalkwaliteiten en aanpak van Hawinkels niet heeft plaatsgevonden binnen de jury. In ieder geval is de anonieme uitspraak dat ‘de carrière van Hawinkels definitief gebroken zou zijn’ door Koster ontmaskerd als blufpoker.

 

Driessens Toverberg

Eind 2011, na ruim 35 jaar en 15 drukken, meldt De Volkskrant: er komt een nieuwe vertaling van Der Zauberberg. Namens de uitgever wordt opgetekend dat deze nieuwe vertaling ‘iets eigentijdser’ zal worden en dat Hans Driessen degene is die de taak moet volbrengen.

Net als Hawinkels werd Driessen geboren in Limburg en studeerde hij in Nijmegen. Beiden vertaalden Nietzsche, beiden hielden van Schopenhauer, maar Driessen studeerde filosofie, Hawinkels niet. Als hij aan zijn Der Zauberberg-vertaling begint, heeft Driessen een indrukwekkend aantal vertalingen op zijn naam, niet alleen van Nietzsche en Schopenhauer, maar ook van Sloterdijk. De Letterenfonds Vertaalprijs voor non-fictie heeft hij dan al veroverd.

Driessen wil zich ook eens wagen aan een groot fictiewerk en meldt zich bij De Arbeiderspers voor de vervaardiging van een opvolger van Hawinkels’ succesvolle vertaling.

In het nawoord bij zijn vertaling is Driessen lovend over zijn voorganger: ‘Ik heb Hawinkels’ vertaling voortdurend geraadpleegd. Ik ben er niet voor teruggedeinsd in de gevallen dat hij een, naar mijn smaak, betere oplossing had verzonnen, deze over te nemen – dat is mijn manier om hem eer te bewijzen.’ Maar hij verklaart ook waarom de nieuwe vertaling volgens hem wenselijk was:

‘Hawinkels permitteert zich veel vrijheid, hij vertaalt “creatief” […] Ook schroomt hij niet veelvuldig eigentijdse uitdrukkingen in te lassen, wat de tekst in onze tijd een gedateerd karakter verleent. […] [Hawinkels vertaling] is verre van nauwkeurig en bevat de nodige fouten.’

Verzachtende omstandigheden die Driessen noemt: Hawinkels had geen Google, geen digitale tekstverwerker en geen beurzen tot zijn beschikking.

Waarin verschillen de twee vertalingen dan zoal? De titel bleef – in weerwil van het jurylid van de Nijhoffprijs – onveranderd. Maar de eerste zin, waarop Matthijsse kritiek had, is aangepast: ‘Het verhaal van Hans Castorp dat we gaan vertellen (…)’. Ook heeft Driessen gesnoeid in Hawinkels ‘hippe’ woorden.

Maar hier en daar lijkt Driessen helemaal niet dichter bij het origineel te komen dan Hawinkels. Wat te denken van het korte, maar veelzeggende zinnetje aan het begin van De Toverberg: ‘Man ändert hier seine Begriffe’? Is Driessens ‘We hebben hier heel andere begrippen’ werkelijk nauwkeuriger of beter dan Hawinkels’ vertaling ‘Je krijgt hier andere ideeën’?

 

De ideale vertaler

Het oordeel van de recensenten over Driessens vertaling is aanvankelijk positief. Maarten ’t Hart is in De Volkskrant bijzonder lovend en haalt een paar voorbeeldjes aan. Zo is ‘schwer keuchende Lokomotive’ volgens hem terecht veranderd in ‘de zwaar puffende locomotief’, in plaats van Hawinkels’ ‘de door rokershoest geplaagde locomotief’. ’t Hart:

‘Dat is natuurlijk tamelijk bizar, en ver verwijderd van datgene wat er staat, maar Hawinkels vergaloppeert zich toch zelden op vergelijkbare wijze. Zeker, de vertaling is erg vrij, maar sloot destijds naadloos aan bij de gangbare vertaalopvattingen. Je moest toen, zoals dat heette, creatief vertalen.’

Zijn conclusie over Driessen: ‘[de] vertaling [wekt] op geen enkele manier een ouderwetse indruk. Het is prachtig, levendig Nederlands. Voor Thomas Mann is de ideale vertaler thans opgestaan.’

Wil Rouleaux heeft in De Groene Amsterdammer iets meer ruimte en benoemt een aantal specifieke tekortkomingen van Hawinkels’ vertaling:

‘Onmiskenbaar maakte Hawinkels fouten, hij vertaalde bijvoorbeeld ‘gönnerhaft’ (= ‘uit de hoogte’) met ‘mecenatisch’, ‘redensartlich’ (= ‘vol frasen’) met ‘kernachtig’, ‘Unwetter’ (= ‘noodweer’) met ‘onweer’. Ook had hij problemen met de Duitse modale werkwoorden. Maar de fouten waren ook weer niet zo talrijk dat ze veel afbreuk deden aan het geheel, en bovendien was Hawinkels vaak heel vindingrijk en beschikte hij over een fenomenale kennis van het Nederlands.’

Volgens Rouleaux bevat Driessens vertaling minder archaïsmen en is ze bovendien accurater:

‘Waar Hawinkels de neiging had om af en toe kleine toevoegingen in te lassen, of juist iets weg te laten, vertaalt Driessen precies wat er in het origineel staat. […] Een van de patiënten heeft een ‘Nacken (…) der etwas zu sehr heraustrat’. Bij Driessen: ‘een nek (…) die enigszins te ver vooruitstak’. Hawinkels maakte er meteen ‘een gierehals’ van.’

Rouleaux concludeert dat Driessen Hawinkels heeft overtroffen, maar dat ook Hawinkels’ vertaling in de handel moet blijven, aangezien het in zijn ogen toch een ‘taalkunstwerk van de allerhoogste orde’ is.

Nog uitgebreider en kritischer is de bespreking van vertaalwetenschapper en hoogleraar Duitse Letterkunde Ton Naaijkens in Filter in 2014. Hij schrijft dat zijn studenten enkele pagina’s en specifieke woorden van beide vertalingen vergeleken. De ‘Brust’ van madame Chauchat bijvoorbeeld, is dat ‘borst’, ‘boezem’ of ‘borsten’? Driessen kiest het laatste en de studenten concluderen dat hij, hier en elders, ‘neutraliserend’ vertaalt.

Zelf betoogt Naaijkens dat Hawinkels’ vertaling een meesterwerk is; niet gedateerd en superieur aan Driessens vertaling. Bovendien vraagt hij zich af of de ‘opvallende tendens tot versimpeling’ van Driessen wel te rijmen is met de aanpak die de vertaler in zijn nawoord zei te hanteren:

‘[H]et is een volstrekt andere vertaling geworden en, naar ik mag hopen, een betere. Dat het een andere is geworden, komt doordat mijn vertaalopvatting lijnrecht tegenover die van mijn voorganger staat. Anders dan deze ben ik geen voorstander van creatief vertalen. Creativiteit is iets voor de zelfstandige kunstenaar; een vertaler hoort in de allereerste plaats dienstbaar te zijn. Hij moet de brontekst strikt volgen en tot elke prijs weerstand bieden aan de verleiding deze beter, mooier of bloemrijker te maken, en vooral tegen dit laatste is Hawinkels niet bestand. Letterlijkheid, tenzij die letterlijkheid krom, of wetenschappelijker gezegd: idiomatisch incorrect Nederlands oplevert – dat is mijn vertaalopvatting in een notendop!’

Vrij vertalen

Waarom hebben we het na Driessens vertaling dan nog steeds over Hawinkels? Niet alleen om de vergelijking te maken, ook niet alleen om de romantiek of het pionierswerk van Hawinkels, maar omdat zijn vertaalaanpak helemaal niet zo achterhaald is als zijn tegenstanders het doen voorkomen.

De aanpak van Driessen past bij de insteek waarvan Karel van het Reve in Nederland de bekendste voorstander was. Arthur Langeveld, een leerling van Van het Reve, schreef een standaardwerk waarvan de titel geldt als credo voor menig vertaler: Vertalen wat er staat (2008).

Inmiddels lijkt het tij weer een beetje te keren ten gunste van de vrije, creatieve vertaling (om die voor het gemak maar even samen te nemen). Op dit moment is de meest zichtbare verdediger van deze aanpak waarschijnlijk vertaler Hans Boland – een verklaard bewonderaar van Hawinkels die in 2015 wél de Nijhoffprijs wist te winnen (en met wie een van onze redacteuren in gesprek ging over zijn laatste vertaling van Misdaad en straf.)
In 2017 publiceerde Boland, als toelichting bij zijn vertaling van Anna Karenina, het boek Hij kan me de bout hachelen met zijn vorstendommetje. Hij verzet zich daarin tegen de veelgehoorde kritiek ‘“Een mooie vertaling, maar wel erg vrij,” of: “Briljant vertaald, maar de vertaler heeft zich dan ook erg veel vrijheid veroorloofd.”’ Zo’n beetje dezelfde kritiek als Hawinkels ten deel viel.

Volgens Boland komt het erop neer dat de vertaler kan proberen qua vocabulaire of zinsbouw zo weinig mogelijk van de brontekst af te wijken, maar hij kan ook ‘kiezen voor een zo authentiek mogelijk Nederlands’ – als dat elkaar bijt. In plaats van ‘trouw aan de brontekst’ benadrukt Boland ‘gevoeligheid voor de context’.

Dat neemt overigens niet weg dat de vertaler ook volgens Boland dienstbaar en secuur moet zijn:

‘Vrij vertalen is niet je vrij voelen om de betekenis – de tekst – van het origineel naar eigen inzicht aan te passen of om te vormen, maar om je eigen taal in volledige vrijheid, met onverminderd respect voor de wetten die het canvas vormen van die vrijheid, los te laten op het origineel en net zo lang te kneden tot origineel en vertaling elkaar zo volledig mogelijk dekken.’

‘Grote literatuur verdient een vrije vertaling’, stelt Boland. En dat geldt zonder meer ook voor De Toverberg.

Al met al staat dus niet vast dat De Toverberg van Driessen in alle opzichten een verbetering is ten opzichte van De Toverberg van Hawinkels. Driessen heeft de foutjes van Hawinkels kunnen verbeteren, maar over de vertaalaanpak valt te twisten en daarom houden beide vertalingen stand. Voor de Nederlandse lezer lijkt er niets anders op te zitten dan het advies ter harte te nemen dat Mann (zij het om een iets andere reden) zelf ooit gaf: De Toverberg, twee maal lezen dat boek.

Dit artikel schreef ik voor literair platform Karakters.nu. Het verscheen later ook op VertaalVerhaal.nl.
 
Lees ook mijn stuk over het vertalen van De stralende wereld
Posted by Thomas in Artikel, Tekst
Over het vertalen van De stralende wereld

Over het vertalen van De stralende wereld

over het vertalen van
de stralende wereld
Vertalersrubriek Athenaeum, januari 2019

De stralende wereld vertelt het verhaal van een jonkvrouw die belandt in een andere wereld, waar de steden zijn gemaakt van edelstenen en de mensen op dieren lijken. In mum van tijd schopt ze het tot keizerin en zet ze de politiek, kunst en wetenschap naar haar hand. Daarbij wordt ze op wonderlijke wijze bijgestaan door de geest van de hertogin van Newcastle.

Deze filosofische roman uit 1666 is een van de eerste sciencefictionverhalen en een hoogtepunt in de utopische literatuur. Een verhaal vol ideeën, humor en ironie, met een krachtige feministische boodschap.

De eerste zin van De stralende wereld, het beroemdste werk van Margaret Cavendish is meteen een mooie uitdaging voor een vertaler:

A Merchant travelling into a foreign Country, fell extreamly in Love with a young Lady; but being a stranger in that Nation, and beneath her, both in Birth and Wealth, he could have but little hopes of obtaining his desire; however his Love growing more and more vehement upon him, even to the slighting of all difficulties, he resolved at last to Steal her away; which he had the better opportunity to do, because her Father’s house was not far from the Sea, and she often using to gather shells upon the shore accompanied not with above two to three of her servants it encouraged him the more to execute his design.

Een koopman die reisde naar het buitenland werd smoorverliefd op een jonkvrouw. Hij was echter een vreemdeling in dat land en bovendien beneden haar stand, zowel van geboorte als in rijkdom, dus had hij maar weinig hoop op de vervulling van zijn wens. Toch werd zijn liefde almaar heviger en hartstochtelijker, en zelfs zo zeer dat hij alle belemmeringen vergat en uiteindelijk besloot haar in het geheim te ontvoeren.
Zijn kansen daarop werden vergroot doordat het huis van haar vader niet ver van de zee stond en zij geregeld schelpen verzamelde op het strand met niet meer dan twee of drie bediendes. Dit moedigde hem nog meer aan zijn plan uit te voeren.

Die zin is te lang. Zulke zinnen, aaneengeregen met puntkomma’s, waren heel gebruikelijk in die tijd, en ook Cavendish rijgt er in De stralende wereld vrolijk op los. Voor een vertaling die leesbaar is voor de hedendaagse lezer moeten ze echter worden opgeknipt tot meerdere zinnen en zelfs meerdere alinea’s.

Deze eerste zin is zo lang dat hij bijna een verhaal op zich is. Maar dan volgt een onverwachte wending: de jonkvrouw belandt via de noordpool in een andere wereld, waar ze uitgroeit tot keizerin en flamboyante filosoof. Ze zet de politiek, religie en wetenschap in de wereld naar haar hand en bemoeit zich dus met allerlei ‘mannenzaken’. Zo ontwikkelt het liefdesverhaaltje zich tot een feministische utopie met een krachtige vrouwelijke hoofdpersoon.

Hoe onwaarschijnlijk dit scenario ook is, toch doen de lotgevallen van de jonkvrouw die keizerin wordt geregeld denken aan Cavendish’ eigen levensloop. Ze werd weliswaar niet ontvoerd, maar zag zich als hofdame van de Engelse koningin door de Engelse Burgeroorlog gedwongen in ballingschap te gaan op het continent – voor haar een andere wereld.

In Parijs ontmoette ze niet alleen de liefde van haar leven, William Cavendish, maar ook vooraanstaande denkers als Descartes, Hobbes en Huygens. Die ontmoetingen inspireerden haar zelf te schrijven over wetenschappelijke onderwerpen, waarbij ze zich vooral baseerde op wat ze te horen kreeg van de geleerde mannen in haar omgeving.

Dit biografische feitje is een zege voor het maken van de vertaling. Het Engelse origineel staat namelijk vol spelfoutjes. Neem bijvoorbeeld deze outfit van de keizerin: ‘her Coat was of Pearl, mixt with blew Diamonds’. Als je de zin uitspreekt, snap je ineens dat het gaat om blauwe diamanten. Ook in de eerste zin zit een foutje: het woord ‘extreamly’ is verkeerd gespeld, maar zeg het hardop en je hoort niks geks.

Los van de spelfoutjes, toont Cavendish zich met De stralende wereld een vaardig auteur. Het verhaal is heel afwisselend: van liefdesverhaal en filosofische bespiegelingen, tot een pastiche op een klassieke fabel en een zeeslag met ingenieuze trucs. Ook wisselt Cavendish van toon – nu eens serieus en ernstig, dan weer vrolijk en ironisch – en register – een neutrale verteller, maar heel formele dialogen. En ze laat geregeld verborgen gevoelens doorschemeren: de teleurstelling van de experimentele filosofen als ze hun telescopen moeten wegdoen; de verwarring onder de redenaars die verstrikt raken in hun syllogismes; het ongeduld van de immateriële geesten bij alle vragen van de keizerin. Dat alles moet natuurlijk ook doorklinken in de Nederlandse vertaling.

Van zo’n fantasierijk verhaal verwacht je het misschien niet, maar het verscheen als aanhangsel bij een van Cavendish’ wetenschappelijke teksten. Het korte voorwoord verklaart het een en ander: daarin richt ze het werk nadrukkelijk tot een vrouwelijk publiek – ‘Aan alle edele en waardige dames’. Maar de meeste dames, schrijft ze, beleven geen plezier aan filosofische discussies, vandaar dat ze haar filosofische gedachtes heeft uitgewerkt tot een verhaal. Op die manier lokt Cavendish haar lezers de filosofie in en toont ze hen een fantasiewereld voorbij bestaande beperkingen, waarin ook vrouwen zich naar hartenlust kunnen buigen over wetenschap, religie en politiek.

Voor de site van Athenaeum Boekhandel schreef ik dit stuk over het vertalen van De stralende wereld van Margaret Cavendish.Lees ook dit stuk over het vertalen van New Atlantis.

Posted by Thomas in Artikel, Tekst
essay: over het vertalen van New Atlantis

essay: over het vertalen van New Atlantis

nieuwen atlas
over het vertalen van new atlantis
Vertalersrubriek Athenaeum, mei 2018

Voor de site van Athenaeum Boekhandel schreef ik dit stuk over het vertalen van New Atlantis van Francis Bacon.

Lees ook dit stuk over het vertalen van De stralende wereld.

New Atlantis is een beroemd utopisch verhaal van wetenschapsvernieuwer en politicus Francis Bacon. Het gaat over een reisgenootschap dat verdwaalt in een storm op de Stille Oceaan en belandt op een onbekend eiland: Benzalem. Daar treffen ze een samenleving met religieuze tolerantie en een hoogontwikkelde wetenschap, een voorbeeld voor Europa.

De titel is in de vorige Nederlandse vertaling vertaald als Het Nieuwe Atlantis. Die is op zich niet verkeerd, maar kijken we naar de tijd waarin Bacon het schreef, dan kan het ook anders. Bacon werkte aan het verhaal tot aan het eind van zijn leven in 1626. Ondanks dat hij de tekst niet wist te voltooien, werd deze toch een jaar na zijn overlijden gepubliceerd. In die tijd ontdekten en veroverden de zeevarende naties van Europa verschillende overzeese gebieden, waar nieuwe steden en handelscentra werden opgebouwd. Zo werd in 1625 Nieuw-Amsterdam (nu New York) gesticht, als hoofdstad van de provincie Nieuw-Nederland (nu het noordoosten van de VS). Even verderop lagen ook Nieuw-Haarlem, Nieuw-Utrecht en Nieuw-Amersfoort. Het mag duidelijk zijn: evenredig aan al deze namen van werkelijk bestaande plaatsen, moet ‘New Atlantis’ vertaald worden als Nieuw – koppelteken – Atlantis.

Daar dacht een zekere J. Williaemson in 1656 heel anders over. Hij maakte de allereerste Nederlandse vertaling en koos als titel Nieuwen atlas, ofte Beschrijvinge van het noyt meer gevonden eylandt van Bensalem. Die titel lijkt op de titel die kaartenmaker Johannes Janssonius aan zijn wereldatlas gaf, voluit: Nieuwen atlas, ofte werelts-beschrijvinge, vertonende de voornaemste rijcken ende landen des gheheelen aerdt-bodems: vermeerdert met veele schoone landt-kaerten nieuwelijks uyt-ghegeven, en vervat in drie deelen. Maar Nieuw-Atlantis is helemaal geen atlas – hoogstens figuurlijk.

Aan de rand van de bekende wereld

Niet alleen de titel, maar ook de beginzinnen van Nieuw-Atlantis brengen je als lezer naar de tijd en sfeer van de ontdekkingsreizen. We bevinden ons aan de rand van de bekende wereld, er staat een gunstige wind, er is genoeg proviand om de oceaan over te steken; alles is gereed om een nieuwe wereld te ontdekken:

We sailed from Peru, (where we had continued by the space of one whole year), for China and Japan, by the South Sea; taking with us victuals for twelve months; and had good winds from the east, though soft and weak, for five months’ space and more.

We zeilden vanuit Peru, waar we een heel jaar waren gebleven, over de Zuidzee richting China en Japan, met proviand voor twaalf maanden bij ons. Er stond langer dan vijf maanden een wat zachte en zwakke maar gunstige oostenwind.

Omwille van de leesbaarheid heb ik de interpunctie van Bacon aangepast naar de gangbare hedendaagse Nederlandse normen en hier en daar de zin opgesplitst.

Ook hier kiest Williaemson voor iets anders. Hij hakt de zin in drieën en schroomt niet om nog meer woorden te gebruiken. In gotische letters lezen we bij hem de volgende zinnen:

Na dat wy ontrent een geheel jaer op de kust van Peru, hadden liggen sukkelen wierden wy voornemens om na China en Japon, door de Zuyt-zee over te schepen. Wy namen alle nootlijkheden sa van eet-waren als andesints voor eenige maenden met ons. Toen wy van alles wel voorzien waren begaven wy ons in Zee en kregen den Windt uyt het Oosten doch heel stil en kalm omtrent vijf maenden na malkand’ren.

Toegegeven, een secuurdere vertaler uit diezelfde tijd had er waarschijnlijk wat anders van gemaakt, maar wat een verschil tussen het Engels en het Nederlands! Als we tegenwoordig het origineel van Bacon lezen, komt dat bij lange na niet zo verouderd over als het Nederlands van Williaemson.

Een tocht van Peru richting China was uiteraard bepaald niet zonder gevaren. Als je de eerste zin leest, voel je het al aankomen: die proviand gaat op en die wind gaat ongunstig draaien. Maar er was destijds nog een extra gevaar – ervan uitgaand dat het reisgezelschap in Nieuw-Atlantis Engels is. Engeland was namelijk in oorlog met Spanje, dat heerste over Peru. Hoe mooi Williaemson het ook heeft verzonnen, van ‘sukkelen’ lijkt me in ieder geval geen sprake.

Verborgen betekenissen

Ook al was zijn eigen land in oorlog met Spanje, Bacon lijkt met de openingszinnen van Nieuw-Atlantis te verwijzen naar de reis van Álvaro de Mendaña de Neira, nota bene een Spanjaard. Mendaña vertrok eveneens vanuit Peru en zette als eerste Europeaan voet aan wal op de Salomonseilanden. Hij koos die naam, die verwijst naar de rijke Bijbelse koning Salomo, vanwege de rijkdom die hij verwachtte op de eilanden aan te treffen (onterecht, zo bleek).

Gezien het genoemde tijdsbestek en de vaarrichting zou het eiland waarop het reisgenootschap van Nieuw-Atlantis strandt ergens in de buurt van de Salomonseilanden kunnen liggen. Salomo werd bewonderd door Bacon en komt ook ter sprake in de tekst. Ik denk dus dat Bacon hier een subtiele kritiek leverde op de oorlog tussen Engeland en Spanje. Beide naties werden verbonden door het christelijk geloof en christelijke landen zouden onderling geen oorlog moeten voeren.

Waarschijnlijk zit er nog een andere verwijzing in het begin van Nieuw-Atlantis. Het zijn ogenschijnlijk doorsneezinnen uit zeemansverhalen, maar ze vertonen veel gelijkenissen met enkele zinnen uit Ware verhalen van Lucianus. Net als in Nieuw-Atlantis zeilt er in Ware verhalen een groep reizigers uit Europa, langs de ‘Zuilen van Hercules,’ de rotsformaties bij de Straat van Gibraltar. Ze zijn op weg om het Tegencontintent te ontdekken, maar ook deze reizigers verdwalen in een storm op de oceaan, om vervolgens op een onbekend en bosrijk eiland te belanden.

Beide auteurs gebruiken topoi uit de reisliteratuur, maar waar bij Lucianus de boel uit de hand loopt – zijn personages verblijven zelfs even op de maan – blijft Bacon juist heel serieus. En terwijl Lucianus fictie gebruikt om beroemde denkers en hun filosofieën te bespotten, zette Bacon fictie in om zijn eigen wetenschappelijke en maatschappelijke ideeën onder de aandacht te brengen.

Wat op het eerste gezicht een doodgewoon begin is, blijkt bij nadere beschouwing dus een aantal zinnen vol verwijzingen en verborgen betekenissen. Dat geldt eigenlijk voor de gehele tekst van Nieuw-Atlantis. Daarom zijn we er nu, eeuwen later, nog steeds niet over uitgepraat.

Posted by Thomas in Artikel, Tekst
essay: Blaise Pascal (Filosofie Magazine)

essay: Blaise Pascal (Filosofie Magazine)

pascal
pascal en verveling
Historisch profiel Blaise Pascal
Filosofie Magazine, juni 2017
 

‘Wat is het innerlijk van de mens toch hol en tegelijk vol rotzooi!’ verzuchtte Blaise Pascal in een van zijn aantekeningen. Het is een van de talloze citeerbare aforismen waar deze Franse alleskunner om bekendstaat. Het is ook de conclusie van een van de scherpste analyses van de menselijke natuur – een die na drieënhalve eeuw alleen maar aan kracht wint. Uitgeverij Boom steekt nu de reeks ‘Grote Klassieken’ in een nieuw jasje en voorzag ook Pascals Gedachten van een nieuw, knalpaars stofomslag.

Pascal was zijn leven lang ziekelijk. Het scheelde niet veel of hij had zijn eerste jaren al niet overleefd. Zijn nicht verhaalde dat hij toen hij één jaar was ernstig ziek werd en dat men een oud vrouwtje uit de buurt ervan verdacht dat zij het kindje behekst had. Het vrouwtje bekende, gaf de schuld op haar beurt aan de familiekat, die sneuvelde, en beval een kruidendrankje aan, waarop het kind inderdaad genas. Zo bijgelovig als zijn tijdgenoten waren en zo slecht als zijn lichamelijke toestand was, zo scherp en gezond zou Pascals geest blijken.

Al op zijn dertiende was Pascal zo vaardig in de wiskunde dat zijn vader hem introduceerde bij zijn kring van geleerden in Parijs. Op zijn zestiende vond hij de projectieve meetkunde uit en op zijn negentiende bouwde hij de eerste mechanische rekenmachine, een voorloper van de computer. Toen hij drieëntwintig was, berekende hij luchtdruk; vijf jaar later stelde hij de waarschijnlijkheidsleer op en nog eens zeven jaar later volgde de integraalrekening. Niet voor niets noemde de Franse denker Chateaubriand hem ‘een angstaanjagend genie’.

Wie Pascal kent als wiskundig wonderkind en wetenschapsvernieuwer, zal versteld staan over het religieuze karakter van zijn denken. Pascal was namelijk evengoed een hartstochtelijk verdediger van het christelijk geloof. Juist zijn worstelingen met de verhouding tussen de wereld van de rede en wetenschap enerzijds en het geloof en de openbaring anderzijds, maken Pascal een spannende denker.

Het Memoriaal
De beroemdste anekdote over Pascals leven gaat precies over die spanning. In de periode dat zijn zus Jacqueline intreedt in het jansenistenklooster van Port-Royal is Pascal er slecht aan toe. Hij eet en drinkt nauwelijks, slaapt niet en komt niet buiten. Totdat hij laat op de avond een soort vuur ziet, het gevoel heeft los te komen van zijn lichaam en ten slotte flauwvalt. De volgende dag krabbelt hij gauw een aantal regels over het geloof op een vel papier en laat dat in zijn jas naaien, waar het na zijn dood wordt gevonden en bekend wordt als het ‘Memoriaal’.

Daarna gooide Pascal – hij was 31 jaar – zijn leven om. Hij deed de wiskunde, al dan niet retorisch, af als niet meer dan een aardig beroep of ijdele nieuwsgierigheid, en verschoof zijn aandacht naar het christelijke geloof, waar het in het leven echt op aankwam.

Geloofszaken kenden een geheel andere methode dan de natuurwetenschappen. Het geloof was volgens Pascal niet iets waartoe je kon besluiten of waar je naartoe kon redeneren, en hiermee zette hij zich af tegen de logische godsbewijzen van de scholastici en zijn tijdgenoot Descartes.

Het geloof in God was uiteindelijk een zaak van het hart. ‘Het is het hart dat God waarneemt, niet het verstand. Dát is geloven: God in het hart voelen, niet met het verstand.’ Zo bouwde niet alleen de natuurwetenschap, maar ook de theologie verder op Pascals denken.

Gedachten
De rede was evenwel geen belemmering voor het geloof. Na de nacht van het vuur vatte Pascal het plan op een boek te schrijven om het christelijk geloof te verdedigen, enerzijds tegen sceptici en libertijnen, anderzijds tegen de al te rationele filosofen. Tot een volledig en afgerond boek kwam hij echter nooit, vanwege zijn slechte fysieke gesteldheid.

In 1669, zeven jaar nadat Pascal op 39-jarige leeftijd overleed, werd Gedachten voor het eerst uitgegeven. Het was een verzameling van honderden korte en langere ingevingen, geheugensteuntjes en notities, ter voorbereiding van het boek dat hij in gedachten had. Een uitgewerkt plan was er niet, maar het eerste deel moest gaan over de menselijke natuur – dat wil zeggen, de ellende van de mens zonder God. Het tweede deel zou vervolgens de zaligheid van de mens met God tonen.

Deels betitelde en classificeerde Pascal zijn aantekeningen zelf, en hij bond ze samen met linten tot ‘liassen’, kleine bundeltjes met tekstfragmenten. Ze dragen veelzeggende titels als ‘IJdelheid’, ‘De natuur is verdorven’ of ‘Overgave en gebruik van het verstand’, maar ook ‘Bewijzen voor Jezus’, ‘De godsdienst aantrekkelijk maken’ en ‘De andere godsdiensten berusten niet op waarheid’.

Verveling
Eén bundeltje springt eruit. Dankzij die paar vlugge aantekeningen verkreeg Pascal een belangrijke plaats in de literatuur over verveling. Hoewel een bundeltje van Pascal de titel ‘Ennui’, (Verveling) meekreeg, leren we het meest over verveling uit ‘Divertissement’ (Verstrooiing). In slechts zeven pagina’s schetst Pascal daarin de malaise van de mens. Hiermee werd hij een spilfiguur in de ontwikkeling van het christelijke, premoderne denken naar het moderne denken over verveling.

In het christelijke denken werd wat we nu verveling noemen – een nare en lege ervaring van desinteresse en verlies van de zin of betekenis van het leven – gevangen in de zonde acedia. Door de eeuwen heen stelden denkers als Evagrius van Pontus, Johannes Cassianus en Thomas van Aquino diverse zondeschema’s op en acedia werd daarin een hoofdzonde. Wie de zin van het bestaan niet meer zag, twijfelde immers aan God en het geloof, en dat moest te allen tijde voorkomen worden. Verveling was dus moreel verwerpelijk.

Hier wijkt Pascal af van zijn christelijke voorgangers. In fragment 24 uit Gedachten vat Pascal het menselijk bestaan samen: ‘Toestand van de mens: onbestendigheid, verveling, onrust.’ In plaats van een zonde is verveling in zijn visie inherent aan het menselijk bestaan. Verveling is geen ziekte die voortkomt uit kwade gedachten, maar ‘uit het diepst van ons hart, waar ze haar wortels heeft in onze natuur, en onze geest geheel en al vergiftigt’.

Ellende
Het leven van de mens is volgens Pascal van nature ellendig. Alle menselijke ellende herleidt hij tot het feit dat we onoverkomelijke tegenstrijdigheden in ons dragen. Zo zijn we sterfelijk, ongelukkig, onwetend en onvolmaakt, maar streven we tegelijkertijd voortdurend naar onsterfelijkheid, geluk, kennis en perfectie. En zodra we gelukkig zijn, maken we ons al snel weer zorgen over het verliezen van dat geluk.

Pascal illustreert zijn punt met het voorbeeld van de koning. Het koningschap is de mooiste en hoogste functie die men op de wereld kan verzinnen. ‘En toch’, schrijft Pascal in fragment 136, ‘als men hem de gelegenheid geeft om na te denken en te piekeren over wat hij is, zal dit saaie geluk hem niet overeind houden.’ Ook de koning zal onvermijdelijk gaan denken aan ‘dreigende gevaren, opstanden die kunnen uitbreken, en ten slotte aan de dood en aan ziekten, die niet te vermijden zijn’.

De enige uitweg die Pascal ziet is het geloof – dat wil zeggen, de relatie met het volmaakte en oneindige: het leven met God. Maar aangezien het geloof geen kwestie is van redeneringen en keuzes, kunnen we niet van het ene op het andere moment besluiten in hem te geloven. Wel kunnen we ons volgens Pascal openstellen voor de gratie en ons alvast oefenen in de dingen die bij het geloof horen.

Verstrooiing
Maar Pascal signaleert dat de meeste mensen in zijn tijd de moeilijke vragen uit de weg gaan en verveling onderdrukken door afleiding te zoeken. Het liefst houden we ons niet bezig met onze sterfelijkheid en onvolmaaktheid; daarom zoeken we afleiding in allerlei gedaantes: van spelen, jagen en de omgang met vrouwen, zeereizen maken, hoge ambten nastreven en oorlogen voeren. Al dat vermaak vat Pascal samen in de term ‘verstrooiing’.

Het mooiste aan het koningschap is precies het feit dat de koning mensen heeft die hem voortdurend bezighouden en vermaak verschaffen. ‘Een koning wordt omringd door mensen die aan niets anders denken dan hem verstrooiing te bieden en te verhinderen over zichzelf te denken. Want als hij daaraan denkt wordt hij ongelukkig, al is hij honderdmaal koning.’

Zo draait de jacht niet per se om het vangen van een haas, schrijft Pascal. ‘Die haas zou ons er niet voor behoeden onze dood en ellende te zien, maar de jacht, die ons ervan afleidt, wel.’ Het is de mens te doen om drukte die hem bezighoudt en afleidt: vermaak met spanning en hartstocht.

Daarnaast ontwaart Pascal nog een tweede verborgen instinctieve drang. Want ook al zoeken we drukte, toch beseffen we dat alleen in de rust het geluk ligt. Die twee tegenstrijdige impulsen leiden tot de paradoxale toestand waarin we door drukke activiteit op zoek zijn naar rust. Tevergeefs maken we onszelf wijs dat we pas rust en geluk zullen vinden zodra we de haas hebben gevangen.

Verstrooiing is volgens Pascal dus geen wezenlijke oplossing. Die biedt nooit meer dan een schijn van geluk en vormt uiteindelijk ons grootste ongeluk. Verstrooiing maakt ons afhankelijk van de omstandigheden, want het zijn altijd zaken buiten onszelf die ons de afleiding bieden die we zoeken. Bovendien is onze behoefte aan verstrooiing onverzadigbaar.

De dood van God
Sinds de doodverklaring van God door Nietzsche en de secularisering van de samenleving is het christelijke leven dat Pascal aanbeval voor velen geen serieuze optie meer. Nietzsche schaarde Pascal overigens onder het ‘geringe aantal oudere Fransen naar wie ik steeds weer terugkeer’. In Ecce Homo schreef hij: ‘Dat ik Pascal niet lees maar van hem houd, dit leerzaamste slachtoffer van het christendom, langzaam vermoord, eerst lichamelijk, toen psychologisch, heel de logica van deze afgrijselijkste vorm van onmenselijke wreedheid.’

Sindsdien zijn we overgeleverd aan ‘moderne’ verveling: verveling die voortkomt uit het verlies van zingeving die met het geloof samenging. Of, als we Pascal volgen: nu we God zijn kwijtgeraakt, blijven we met de menselijke ellende over. Die moderne verveling proberen we, net als Pascal al opmerkte in zijn eigen tijd, te verdrijven met verstrooiing, vooral in de vorm van werk en amusement.

Uit de enorme omvang van de hedendaagse entertainmentindustrie kunnen we opmaken dat verveling inderdaad een groot hedendaags probleem is. Op een haas jagen of een kaartje leggen is nu vervangen door scrollen op Facebook en series bingewatchen. Wie dat te lang doet zal ongetwijfeld op een gegeven moment overvallen worden door een gevoel van zinloosheid.

Trump Taj Mahal
Hoewel verveling en verstrooiing bij Pascal geen nadrukkelijk maatschappelijke connotatie hebben, kunnen we nog een stap verdergaan. Er is weinig fantasie voor nodig om te zien dat amusement en plat vermaak in onze tijd ook actief worden ingezet om belangrijke vragen te verdrijven.

De macht van Donald Trump is in feite gebaseerd op entertainment. Zijn zakenimperium werd groot dankzij de Trump Taj Mahal, een foeilelijk kitschpaleis in Atlantic City met restaurants, een stripclub en gokhallen met eindeloze rijen fruitmachines. Zijn reputatie werd groot dankzij de tv-show The Apprentice, waarin de kandidaten streden om een baan bij een van Trumps bedrijven. Zo maakte Trump handig gebruik van het sterke verlangen naar vermaak en carrière.

De Trump Taj Mahal is niet meer van Trump en werd eind vorig jaar gesloten, maar ook als president bespeelt en misbruikt Trump de menselijke begeerte naar verstrooiing. Met Twitter-relletjes en mediaschandalen weet hij iedereen voortdurend af te leiden van de werkelijke problemen. Verstrooiing is dus niet alleen vaak lelijk en verwerpelijk, maar heeft ook grote en gevaarlijk politieke consequenties.

Na Pascal is er in de filosofie meer waardering gekomen voor verveling. Voor Kierkegaard was die eveneens een motivatie om tot een hernieuwd christelijk geloof te komen. Nietzsche noemde verveling een ‘onaangename windstilte van de ziel’ die je confronteert met jezelf en voorafgaat aan creativiteit. Heidegger zag in verveling zelfs de verborgen grondstemming van onze samenleving. Allemaal bouwden zij voort op die paar aantekeningen die Pascal naliet.

De belangrijkste boodschap voor onze tijd uit Pascals Gedachten is dat we moeten uitkijken voor te veel verstrooiing en het wegdrukken van verveling. God en het geloof boden voor Pascal zingeving, maar zonder God moeten we andere manieren zoeken om ons leven de moeite waard te maken. Wat dat betreft heeft amusement ons niets te bieden behalve een tijdelijke afleiding, en het belet ons over onszelf na te denken. Verstrooiing leidt ons af, terwijl verveling ons stimuleert onszelf te zien en te reflecteren op wat we zijn, waar we vandaan komen, waar we heen gaan en wat we werkelijk waardevol vinden.

 

Voor Filosofie Magazine schreef ik dit historisch profiel van filosoof Blaise Pascal over de menselijke natuur, verveling en de entertainmentindustrie.
pascal
Lees ook het historisch profiel van Thomas Jefferson dat ik samen met Sadije Bunjaku schreef voor Filosofie Magazine.
Posted by Thomas in Artikel, Tekst
essay: Verveling: bidden, biljarten of bevragen (De Fusie)

essay: Verveling: bidden, biljarten of bevragen (De Fusie)

verveling essay
verveling:
bidden, biljarten of bevragen?
Essay over acedia, alledaagse en existentiële verveling.
De Fusie, april 2017
 

Het verhaal van verveling begint grofweg zestien eeuwen geleden, ongeveer tweehonderd kilometer van Alexandrië in de woestijn van Nitria. Daar, in een kale, stenen monnikencel, zonder enig comfort en buiten gehoorsafstand van andere cellen, reflecteerde Evagrius van Pontus op het christelijk geloof en stelde hij zijn overpeinzingen op schrift.

Rond het middaguur, als de verzengende hitte van de Egyptische zon op zijn hoogtepunt was, werd hij bevangen door ‘demonen’: kwade gedachten en twijfels over de zin van het monnikenbestaan. Die ervaring en aantekeningen werden het begin van de begripsontwikkeling van verveling en de secundaire literatuur over verveling kiest Evagrius geregeld als startpunt.

Inmiddels is verveling niet alleen een veelvoorkomende, alledaagse en triviale ervaring, maar ook een bijzonder veelvormig begrip met een lange geschiedenis. Er bestaan tientallen woorden voor: ennui, boredom, langeweile, noia, toska. Er zijn minstens zoveel kwalificaties: oppervlakkig, diep, premodern, modern, demonisch, nihilistisch, existentieel. En er is een veelvoud aan benaderingen: vanuit de filosofie, literatuur, kunst, psychologie, geneeskunde en sociologie.

Verveling werd een hoofdzonde, omdat ze de twijfel aan God en het geloof inhield

Wie de geschiedenis van verveling napluist, ontmoet de grootste denkers. Van Thomas van Aquino en Blaise Pascal, tot Kierkegaard, Nietzsche en Heidegger – en dan hebben we het nog niet eens over de talloze romans waarin verveling een rol speelt. Wie zich bezighoudt met het persoonlijke leven en het menselijk bestaan, kan kennelijk niet om verveling heen.

Bij bijna al die denkers vinden we, impliciet of expliciet, een onderscheid tussen twee soorten of typen verveling. Enerzijds is er de gewone, alledaagse, oppervlakkige verveling. Die verveling komt voort uit de omstandigheden waarin je je bevindt. Daarnaast is er een diepere, fundamentelere verveling, een verveling met het gehele bestaan. Die verveling is eerder een verlies van de betekenis of zin van het leven.

De twee vormen van verveling zijn overigens niet strikt te scheiden. Als je aan de ene vorm lijdt, ben je niet per se immuun voor de andere en het kan ook best zijn dat je niet verveeld bent in alledaagse zin, maar tegelijk toch een sluimerende existentiële verveling voelt. Ook kunnen bijvoorbeeld de zware omstandigheden in een monnikencel een diepere verveling opwekken, die niet zomaar verdwijnt wanneer je de cel verlaat.

Een tweede grens die we kunnen trekken is die tussen de premoderne verveling en de moderne verveling. In het christelijke denken viel wat we nu verveling noemen onder de term acedia. Acedia was aanvankelijk een neutrale Griekse term die ‘zorgeloos’ (a-kedeia) betekende. Maar in de zedenleer van de kerkvaders werd het een moreel geladen term, die eerder op roekeloosheid, luiheid en onverschilligheid duidde. Verveling was een zonde en werd zelfs een hoofdzonde, omdat ze de veronachtzaming van en twijfel aan God en het geloof inhield.

Na dertien eeuwen van schema’s met gerangschikte zondes en hoofdzondes, maakte Blaise Pascal in zijn Pensées een uitzonderlijke denkbeweging. Voor hem was verveling – ennui – geen zonde die koste wat kost vermeden moest worden, maar een toestand waarin de mens van nature verkeert. We streven ernaar om gelukkig te zijn en onze sterfelijkheid te overwinnen, wat niet lukt en waarbij we ons moeilijk neer kunnen leggen en dat veroorzaakt verveling. Verveling ‘overvalt’ ons dus niet, maar is altijd in ons aanwezig.

Wat leren deze typeringen van verveling ons? Soms is verveling relatief eenvoudig te verhelpen. Verander de omstandigheden, en ze verdwijnt. Lukt dat niet, dan is het devies geduldig wachten tot de omstandigheden alsnog veranderen. Maar de diepere, existentiële verveling, die onafhankelijk van de omstandigheden aanwezig is, is hardnekkiger.

Voor Evagrius was acedia een ziekte die niet voortkwam uit de natuur, maar uit kwade gedachten die hun weerslag hadden op het lichaam. Voor hem was de oplossing grof gesteld dus je gedachten weer op orde krijgen. Dat kon door je te richten op behapbare taken, handarbeid, bidden of door de ascese iets te minderen.

Wie bijvoorbeeld series bingewatcht, herkent ongetwijfeld het lamlendige gevoel van zinloosheid dat dat oproept.

Voor Pascal was dat geen oplossing. De mens is volgens Pascal continu koortsachtig opzoek naar afleiding van zijn sterfelijkheid. We zoeken dus naar ‘verstrooiing’: dingen die ons bezighouden en ons op andere gedachtes brengen, zoals hard werken, oorlog voeren of biljarten. Maar verstrooiing levert hoogstens een illusie van geluk op, want het is een tijdelijke afleiding.

Ook Pascal was een christelijk denker. Voor hem was verveling, ook al is ze onaangenaam, een noodzakelijke ervaring. Door verveling zouden we inzien dat wij sterfelijke wezens nietig zijn in vergelijking met God. Daarom moest de hang naar verstrooiing en esthetisch genot vervangen worden door een confrontatie met verveling, om zo tot een dieper geloof te komen.

Sinds de doodverklaring van God door Nietzsche is een terugkeer naar het geloof, of dat nu hernieuwd en verdiept is of niet, voor veel denkers geen optie meer. Wat moeten wij in onze tijd met verveling?

We moeten allereerst proberen te accepteren dat verveling menselijk is, zowel op individueel als maatschappelijk niveau. De mens worstelt in ieder geval al sinds Evagrius erover schreef met verveling. Om die reden moeten we verveling ook niet moreel veroordelen of proberen te verdrijven met de ‘10 tips tegen verveling’ die je vaak op internet tegenkomt. Wie verveling op een simpele manier uit de weg probeert te gaan, zal er uiteindelijk toch weer door worden getroffen.

Bovendien moeten we de waarschuwing van zo’n beetje alle filosofen ter harte nemen: niet te veel entertainment en verstrooiing. Maar laat dat nou juist iets zijn waar onze tijd zich vol overgave op stort. Het biljarten waartegen Pascal ageerde was een onschuldige hobby vergeleken met de gigantische, uitgekiende en manipulatieve entertainmentindustrie van tegenwoordig. Wie bijvoorbeeld series bingewatcht, kan zich daar maar moeilijk van losrukken, maar herkent ongetwijfeld het lamlendige gevoel van zinloosheid dat dat oproept.

Als de vlucht voor verveling er ten slotte ook nog toe leidt dat zelfs journalistiek, politiek en filosofie vooral entertainend moeten zijn, mag het duidelijk zijn dat een verkeerde omgang met verveling geen luxeprobleem is en gevaarlijke consequenties heeft. Neem existentiële verveling dus serieus, stel jezelf de moeilijke vragen die ze oproept, deel ze met anderen en profiteer van de eeuwenoude traditie van het denken over verveling.

In aanloop naar mijn praatje tijdens 'De Idee #15', een avond over verveling, schreef ik een kort essay over mijn afstudeeronderwerp. Lees het hier of bij De Fusie.
deidee
Lees ook het essay dat ik voor De Fusie schreef over de Amerikaanse schrijver en dichter Walt Whitman.
Posted by Thomas in Artikel, Tekst