essay jefferson

essay: Jefferson Bijbel (Filosofie Magazine)

President en filosoof Thomas Jefferson sneed – letterlijk – met een mesje de morele lessen van Jezus uit de evangeliën en liet de wonderen voor wat ze waren. Resultaat: een geheime Bijbel, een typische Verlichtingstekst.

Mocht de heidense Jefferson gekozen worden tot president’, zo viel te lezen in de New England Palladium in 1800, ‘dan is dat de nagel aan de doodkist van onze heilige religie, onze kerken zullen worden neergehaald, en een of andere schandelijke hoer zal, onder de titel “godin van de rede”, zetelen in de heiligdommen die nu gewijd zijn aan de Hoogste.’ John Adams en Thomas Jefferson, ooit goede vrienden, streden om het presidentschap. Zelden was religie zo belangrijk in de Amerikaanse verkiezingen.

Geen wonder dus dat Jefferson de grootste voorzichtigheid betrachtte toen hij een aantal jaar later begon aan een geheim Bijbelproject. Jefferson geloofde wel degelijk in God, maar de Bijbel stond vol onbegrijpelijke en irrationele passages die priesters misbruikten voor machtsbehoud. Wat bewoog Jefferson om toch een eigen, geheime Bijbelbewerking te maken?

Philosophy School

In het kleine stadje Shadwell aan de meest westelijke grens van de Amerikaanse koloniën werd in 1743 Thomas Jefferson geboren als oudste zoon van Peter Jefferson en Jane Randolph Jefferson. Jefferson groeide op in een prominente familie en kreeg al vanaf zijn vijfde een humanistische opvoeding met lessen in geschiedenis, klassieke literatuur, Grieks en Latijn. Zijn grootvader stichtte het beroemde William and Mary college en op zijn zeventiende schreef Jefferson zich daar in voor de ‘philosophy school’.

Daar werd de jonge Jefferson onderwezen in onderwerpen uiteenlopend van natuurfilosofie en wiskunde tot retorica, literatuur en morele filosofie. Hij maakt er kennis met het Verlichtingsdenken van Bacon, Locke en Newton, wiens portretten later in zijn studeerkamer zouden prijken. Van zijn drie grootste intellectuele helden leerde Jefferson dat niet de openbaring maar de rede de sleutel was tot het vergaren van ware kennis. Na zijn studie besloot Jefferson een carrière in de advocatuur na te streven en werd hij lid van het Virginiaanse Lagerhuis. Als vertegenwoordiger van Virginia op het tweede Continental Congress werd Jefferson, samen met onder meer Benjamin Franklin en John Adams, lid van de commissie die werd aangesteld om een onafhankelijkheidsverklaring te schrijven. Zeventien dagen had Jefferson nodig om de eerste versie te schrijven, die opent met de beroemde stelling dat alle mensen onvervreemdbare rechten hebben, waaronder het recht op leven, vrijheid en de pursuit of happiness.

De Amerikanen en Engelsen sloten uiteindelijk vrede en Jefferson keerde terug naar zijn post als afgevaardigde in het Lagerhuis van Virginia. In die functie schreef hij de Virginia Statute of Religious Liberty, die de wettelijke verplichting om trouw te zweren aan de Anglicaanse kerk afschafte. De wet moest vrijheid van religie en de scheiding tussen kerk en staat waarborgen. Jefferson zag deze wet, samen met de Onafhankelijkheidsverklaring, als een van zijn belangrijkste producten. Bij het schrijven van de Statute of Religious Liberty liet Jefferson zich in grote mate inspireren door de Brief over tolerantie van John Locke. In die beroemde brief maakte Locke een duidelijk onderscheid tussen kerk en staat en beschrijft hij wat hun respectievelijke rollen zouden moeten zijn. De staat had volgens Locke als enige doel het beschermen en bevorderen van burgerlijke zaken, dat wil zeggen: ‘de vrijheid, de integriteit van het lichaam en zijn bescherming tegen pijn, het bezit van uitwendige goederen zoals land, geld, meubels, enz...’ Net als Locke maakte Jefferson een helder onderscheid tussen burgerlijke en religieuze aangelegenheden en ontleende aan hem het idee dat een religieuze vereniging niet anders was dan iedere andere vereniging. Jefferson verankerde de burgerlijke vrijheid expliciet: ‘Onze burgerrechten zijn niet afhankelijk van onze religieuze opvattingen’. De zeggenschap van de kerk beperkte zich tot haar eigen leden, die vrijwillig toetreden en burgers mochten in de samenleving niet gehinderd worden vanwege hun lidmaatschap van een bepaalde gemeente. Omgekeerd hadden geloofswaarheden volgens beiden genoeg aan zichzelf en zelden hulp van heersers nodig gehad.

Hoofdkussen van Napoleon

Na zijn periode als Lagerhuislid klom Jefferson op tot gouverneur van Virginia en in 1784 vertrok hij als ambassadeur van de kersverse staat naar Frankrijk. In Parijs raakte Jefferson bevriend met vooraanstaande intellectuelen die zijn denken zouden beïnvloeden, onder wie markies Lafayette – drijvende kracht achter de Franse Revolutie – en Thomas Paine – wiens controversiële pamflet Common Sense onder het hoofdkussen van Napoleon zou belanden. Ook schreef hij, op verzoek van Lafayette een handvest voor de rechten van Franse burgers. Toen Jefferson in 1786 Londen bezocht, ontmoette hij daar de beroemde wetenschapper en theoloog Joseph Priestley, die een grote invloed zou hebben op zijn religieuze ideeën. Veel van Jeffersons intellectuele vrienden waren deïst, impliciet of expliciet. Deïsten stelden dat bepaalde geloofsovertuigingen aangeboren waren en achterhaald konden worden door gebruik van de rede, in plaats van door openbaringen of de kerk. De deïsten zagen God niet als een soort menselijke figuur die zich bemoeit met de gang van zaken in de wereld, maar als schepper en ordenende kracht in de natuur. God was het fundament van de natuurwetten en zo werden religie en de nieuwe natuurwetenschappen met elkaar verenigd. Het deïsme werd groot in Engeland, door onder andere Locke en Bolingbroke, en werd overgenomen door de radicale denkers uit Frankrijk. Voltaire en Pope, maar ook Spinoza, die ontkenden zij het bestaan van God niet, terwijl bijvoorbeeld Diderot en d’Holbach dat wel deden. De meeste gelovigen gooiden de termen ‘heiden’, ‘atheïst’ en ‘deïst’ op één hoop. Uit Jeffersons brieven en geschriften blijkt echter duidelijk dat hij een deïst was en zeker geen atheïst, aangezien hij zijn geloof in het bestaan van God meermaals expliciet benadrukte. Naast deïst was Jefferson ook unitarist. Het unitarisme was de christelijke stroming die streed tegen de doctrine van de Heilige Drie-eenheid. Volgens unitaristen bestond er geen drievoudige God en was Jezus niet goddelijk, maar menselijk. Joseph Priestley was een van de belangrijkste leiders van het unitarisme. Hij schreef dat de driedeling van Plato en het platonisme het christendom hadden vertroebeld en verpest.

Jefferson volgde Priestleys felle kritiek op de doctrine van de Drie-eenheid en Plato, en tot op zekere hoogte ook zijn ideeën over Jezus. In een brief van 26 juni 1822 schreef hij zelfs dat hij het toejuichte dat de ware doctrine van één God herleefde en dat hij erop vertrouwde dat er toen geen jonge man in de Verenigde Staten was die niet als unitarist zou sterven. een halve eeuw eerder leefde, werden gezien als deïsten. Ondanks de vele beschuldigingen van atheïsme, ontkenden zij het bestaan van God niet, terwijl bijvoorbeeld Diderot en d’Holbach dat wel deden. De meeste gelovigen gooiden de termen ‘heiden’, ‘atheïst’ en ‘deïst’ op één hoop. Uit Jeffersons brieven en geschriften blijkt echter duidelijk dat hij een deïst was en zeker geen atheïst, aangezien hij zijn geloof in het bestaan van God meermaals expliciet benadrukte. Naast deïst was Jefferson ook unitarist. Het unitarisme was de christelijke stroming die streed tegen de doctrine van de Heilige Drie-eenheid. Volgens unitaristen bestond er geen drievoudige God en was Jezus niet goddelijk, maar menselijk. Joseph Priestley was een van de belangrijkste leiders van het unitarisme. Hij schreef dat de driedeling van Plato en het platonisme het christendom hadden vertroebeld en verpest.

Jefferson volgde Priestleys felle kritiek op de doctrine van de Drie-eenheid en Plato, en tot op zekere hoogte ook zijn ideeën over Jezus. In een brief van 26 juni 1822 schreef hij zelfs dat hij het toejuichte dat de ware doctrine van één God herleefde en dat hij erop vertrouwde dat er toen geen jonge man in de Verenigde Staten was die niet als unitarist zou sterven.

Socrates en Jezus

Priestleys Socrates and Jesus Compared uit 1803 was voor Jeffersons Bijbelproject misschien wel het belangrijkste boek, want het lezen van dit werk zette hem aan tot het samenstellen van zijn korte syllabus en zijn twee daaropvolgende bijbelselecties. Priestley stelde dat Socrates en Jezus niet veel van elkaar verschilden, maar Jezus had het voordeel dat zijn volgelingen meer respect voor hem hadden omdat hij wonderen kon verrichten. Bovendien was het monotheïsme van Jezus sterker dan het polytheïsme van Socrates en beriep Jezus zich op geopenbaarde religie. Priestleys idee van het vergelijken van de Griekse en christelijke moraal boeide Jefferson mateloos. Jefferson was niet overtuigd van Jezus’ goddelijke inspiratie, maar was het wel met Priestley eens dat zijn moraal beter was dan die van Jezus’ voorgangers. De klassieke denkers werden door Jefferson bewonderd en het feit dat Priestley hen niet beschimpte beviel hem. Om een verdere vergelijking te kunnen maken en tot een goede waardering te komen van de lessen van Jezus, was het volgens Jefferson nodig zijn moraal te destilleren uit de evangeliën.

Jefferson ontving een exemplaar van Socrates and Jesus Compared toen hij net twee jaar president van de Verenigde Staten was. De Federalisten hadden felle smeercampagnes gelanceerd tegen Jefferson in zijn strijd met John Adams om het presidentschap. Jefferson werd door de Federalisten zwaar onder vuur genomen en op allerlei manieren van atheïsme beschuldigd. Aangespoord door het werkje van Priestley besloot hij zijn geloofsopvattingen te onthullen aan een select groepje vrienden.

Toen Adams en Jefferson de strijdbijl hadden begraven en weer geregeld naar elkaar schreven, kwamen ze te spreken over hun vroegere vriend Priestley en geloofsopvattingen in het algemeen. Jefferson onthulde aan Adams zijn plannen om de woorden van Jezus uit de evangeliën te zeven, als ‘diamanten uit mesthopen’. Adams spoorde hem aan om zich weer in het onderwerp te verdiepen en in 1819 begon Jefferson in het geheim aan zijn uiteindelijke Bijbel.

Broederschap en naastenliefde

Omdat Jefferson de Bijbel zag als een historische tekst, die door gebrekkige mensenhanden was opgetekend, probeerde hij de zinnige passages uit de evangeliën te scheiden van alle onbetrouwbare en onzuivere overleveringen. In geest met de Verlichting liet hij daarbij de verschillende wonderen die Jezus verrichte links liggen. Die waren volgens hem niet te verenigen met de rede, die God ons had gegeven om de waarheid over de wereld te ontrafelen. Jefferson sneed – letterlijk – met een scherp mesje de door hem geselecteerde verzen uit de Bijbel. Hij gebruikte daarvoor acht exemplaren en plakte de knipsel achterelkaar in vier kolommen, in het Oudgrieks, Latijn, Frans en Engels. Een eenvoudige, maar mooie moraal bleef vervolgens over: een van broederschap en naastenliefde.

Dat was volgens Jefferson de kern van het christelijk geloof. Na hun felle politieke strijd bracht het geloof ook Adams en Jefferson weer bij elkaar. Op 4 juli 1826 overleed John Adams, op de vijftigste verjaardag van de Amerikaanse Onafhankelijkheid. De rivaliteit tussen de oude vrienden was nog niet volledig uitgewist, want zijn laatste woorden zouden zijn geweest: ‘Thomas Jefferson still lives.’ Maar vijf uur eerder, precies op dezelfde dag, was op 82-jarige leeftijd ook Thomas Jefferson overleden.

De Bijbel: een historische of goddelijke tekst?

Jefferson benadert de Bijbel als een historische tekst die door mensen geschreven is. Hij treedt hiermee in de voetstappen van tijdgenoten als Thomas Paine en Joseph Priestley, die vóór hem al de Bijbel op tegenstrijdigheden hadden onderzocht. De lezing van deze Verlichtingsfilosofen is zo radicaal omdat ze stellen dat hele delen van de Bijbel simpelweg onwaar zijn. Volgens hem waren de profetieën – die voorspellen wat Jezus zou doen – er pas retrospectief ingezet zodat ze gegarandeerd uitkwamen. Al deze zaken kunnen niet serieus genomen worden omdat ze rationeel niet te verklaren zijn. God heeft de mens de rede gegeven om de waarheid te ontdekken, volgens Jefferson, en alles wat niet aan die maatstaf kan voldoen, is onwaar.

Is Jezus de zoon van God of een gewone sterveling?

De Jefferson Bijbel bestaat volledig uit delen van het Nieuwe Testament, waar Jefferson een bijzondere interpretatie van geeft. Hij is een voorstander van het unitarisme. Deze christelijke stroming ontkent het bestaan van de Drie-eenheid en reduceert Jezus tot een normaal mens. Jefferson vat Jezus op als een filosoof, die hoogstens een enorm charisma had waardoor zijn volgelingen hem wonderen toeschreven. De taak die Jefferson zichzelf stelt, is om de waardevolle lessen van Jezus te destilleren uit alle verzinsels en tegenstrijdigheden die je in de evangeliën kan vinden. Jefferson beschouwde deze interpretatie zelf niet als atheïstisch: Jezus is dan misschien slechts een mens, de moraal die hij predikt komt wel het dichtstbij de God gegeven moraal.

De scheiding tussen kerk en staat is onder meer gebaseerd op het idee dat je mensen niet kunt dwingen om te geloven. Dit idee staat centraal in de Jeffersons Act for Establishing Religious Freedom. Deze wet is direct geïnspireerd door John Locke’s Brief over tolerantie. Hierin stelt Locke dat zelfs als de staat het zou willen, die niet in staat is om mensen tot een bepaald geloof te bekeren. Het ware geloof kan alleen uit innerlijke overtuiging verkregen worden. Het maximale wat de staat kan bereiken, is dat mensen uiterlijke verplichtingen van een bepaald geloof gehoorzamen. Jefferson is het volkomen eens met Locke en voegt eraan toe dat ieder mens zelf verantwoordelijk is voor de zorg van zijn ziel.

Voor Filosofie Magazine schreven Sadije Bunjaku en ik dit essay over De Jefferson Bijbel. Lees het hele artikel hier