
Hoe huilt de sjah van Perzië op papier?
De Griekse tragediedichter Aeschylus putte uit het opmerkelijk uitgebreide repertoire van Oudgriekse jammerklachten. Dat stond in een essay dat ik onlangs vertaalde en later dit jaar verschijnt in het tijdschrift Nexus. Het ging over Aeschylus’ tragedie Perzen. Ik las de tekst van het toneelstuk nu voor het eerst en die jammerklachten, die vielen behoorlijk op.
De oudste tragedie
Perzen gaat over de onverwachte nederlaag die de Perzen in 480 v.Chr. leden tegen de Grieken. Het Perzische rijk was onder sjah (koning) Darius op het hoogtepunt van zijn macht, en zijn zoon Xerxes probeerde nu ook Griekenland in te lijven. Met een enorm leger trok hij eropuit, maar een veel kleiner aantal Grieken wist bij Salamis de Perzen toch in de pan te hakken.
Tegen het eind van het stuk komt Xerxes thuis en vertelt hij over alle gesneuvelde Perzen. Geen vrolijk moment. Daar hoort geklaag, gejammer en gehuil bij. Op het toneel kun je je bij dat jammeren met bewegingen en gebaren en geschreeuw helemaal uitleven en laten gaan. Maar hoe ziet dat eruit op papier?
Jammeren op papier
Je kunt als toneelschrijver natuurlijk regieaanwijzingen geven en iets opschrijven als ‘gehuil’ of ‘Xerxes barst in huilen uit’. Maar Aeschylus geeft het gejammer direct met onomatopeeën of klankwoorden weer, dus woorden die hun eigen klank nabootsen. In het Grieks lezen we bijvoorbeeld in verzen 908-910 dit:
ἰώ,
δύστηνος ἐγὼ στυγερᾶς μοίρας
τῆσδε κυρήσας ἀτεκμαρτοτάτης,
Dat eerste woordje, ‘ἰώ’, is een ‘uitroep van ellende’. Een klaaglijke uitroep dus.
In de vertaling die ik las, van Patrick Lateur, gaat dat zo:
Óóh! Óóh!
Ellendig. Mij trof dit afschuwelijke lot,
nooit ofte nimmer te voorzien.
Altijd leuk om vergelijkingen te maken met oude(re) vertalingen en die staan in dit geval gewoon online. In de oudste vertaling van het toneelstuk, die van L.A.J. Burgersdijk uit 1983, lezen we:
Wee!
Ik ellendige, wien het ontzettendste lot
Op het onvoorzienst zoo verpletterend trof!
En in de vertaling van P.C. Boutens uit 1928 lezen we:
Aai!
Ik rampenbeschikte, die vond mijn verfoeiden,
door niets voorteekenden onheilsdoem!
Het uitroepteken kenden de Grieken niet, maar dat moet er wel bij natuurlijk!
Verder hier drie verschillende opties dus voor dat woordje ‘ἰώ’. Grappig is dat beide Nederlandse tussenwerpsels ‘o’ en ‘ai’ afgeleid zijn van het Grieks. ‘Óóh!’ en ‘aai!’ lijken me hier dan langgerekte versies van ‘o’ en ‘ai’, voor een beetje extra kracht. En Lateur vindt het nodig om het te herhalen en accenten toe te voegen, om het nóg, nóg erger te maken. (Het uitroepteken zou trouwens zijn afgeleid van de Latijnse uitroep ‘io’, wat weer is afgeleid van het Griekse ‘ἰώ’!)
Het ‘wee!’ van Burgersdijk wijkt af. Dat komt uit het Germaans en is een wat verouderde maar toch (in elk geval destijds) gangbare uitroep van verdriet.
Meer gejammer
Xerxes blijft nog even jammeren en iets verderop, in vers 932, krijgen we dit:
ὅδʼ ἐγώ, οἰοῖ, αἰακτὸς
Ik onzalige, wee mij, wee mij! (Burgersdijk)
Ziet mij hier, wee, in mijn ellende (Boutens)
Hier sta ik, aiai! (Lateur)
Wat een verschil! Als ik het goed begrijp, staat er in het Grieks ‘dit ben ik, ooh! ooh! (of aai! aai! of wee! wee!), beklagenswaardige’. Alle drie de vertalers maken er iets anders van, al krijgen we bij Burgersdijk en Boutens wel twee keer ‘wee’. Bij Lateur lijkt het wel of we Maarten Luther horen (‘hier sta ik, ik kan niet anders) – dat lijkt me niet helemaal de bedoeling.
Nog een voorbeeldje, een hele versregel met alleen gejammer, vers 1004:
ἰὴ ἰή, ἰὼ ἰώ.
Helaas, helaas! o leed, o leed! (Burgersdijk)
O ach, o ach, wee wee! (Boutens)
Ei – ei – Óóh! Óóh! (Lateur)
‘ἰή’ is een woordje dat lijkt op ‘ἰώ’: een uitroep van vreugde of juist verdriet. Ik vind ‘wee!’ of ‘leed!’ toch een beetje raar klinken. Alsof je veel pijn voelt en dan niet ‘au!’, maar ‘pijn!’ roept.
Op papier is de vertaling van Lateur hier het gekst, met die vier vreemde woordjes. Maar ook al zul je mij nooit ‘ei’ horen uitschreeuwen als ik verdrietig ben, de klankwoorden werken wel het best als je ze uitspreekt – wat uiteindelijk toch de bedoeling is bij een toneeltekst.
Het beste voor het laatste
Tegen het eind van de tragedie loopt het gejammer helemaal uit de hand. Xerxes en het koor doen een soort wedstrijdje jammeren en dan lezen we nog een boel klankwoorden. Bij Burgersdijk is dat bijna allemaal ‘ach!’, ‘wee!’ en zelfs (verschrikkelijk) ‘Wij roepen wee!’. Maar bij Boutens lezen we allerlei variaties, bijvoorbeeld: eilaas eilaas!; o o o wee, o o o wee!; aaiaai, aaiaai, leed leed!; ijselijk, ijselijk; o aai, o aai!; en o ach, o ach.
Om verder nog uiting te geven aan het leed, zegt Xerxes bij Lateur: ‘Kom, ruk de grijze haren uit uw baard.’ Maar dat kan dramatischer – bij Burgersdijk: ‘En ruk om mij de vlokken uit uw zilv’ren baard!’ En ook dat kan dramatischer, want bij Boutens: ‘En rukverniel de grauwe haren van uw baard/ Met saamgebeten tanden.’ Oef… Au!
• Aeschylus, Griekse origineel van Perzen via scaife.perseus.org.
• L.A.J. Burgersdijk 1893, in De Gids, via DNBL.
• P.C. Boutens 1928, in De Gids, via DBNL.
• Patrick Lateur, Perzen in Tragedies, Aeschylus, Athenaeum, 2025.
• Over de oorsprong van het uitroepteken op Wikipedia.
• Afbeelding: shot uit De Perzen van Erik Vos in Carré, 1963, via YouTube.