De filosofische wraak van Margaret Cavendish

de filosofische wraak van margaret cavendish
Profiel van Margaret Cavendish
iFilosofie, november 2019

Wat doe je als leergierige en ambitieuze jonkvrouw als de wetenschap, politiek en filosofie worden gedomineerd door mannen? Dan trek je onverschrokken ten strijde en schep je je eigen wereld. Althans, dat is wat Margaret Cavendish deed met haar feministische utopie De stralende wereld. Weinig utopieën zijn zo fantasierijk, grensverleggend en persoonlijk als dit boek, dat onlangs voor het eerst in Nederlandse vertaling verscheen. Wie was Cavendish? Wat bewoog haar? Hoe nam zij wraak op haar tijd?

Het scheelde weinig of het oeuvre van Margaret Cavendish was nooit tot stand gekomen. Half juli 1644 was de Engelse Burgeroorlog tussen de koningsgezinden en de parlementsgezinden in volle gang. Margaret bevond zich op een Nederlands schip, dat maar net wist te ontsnappen uit een haven in het uiterste puntje van Cornwall. Opgegroeid in de rijke, koningsgezinde familie Lucas, vluchtte ze nu als hofdame met de Engelse koningin naar het continent.

Margaret was een verlegen, introverte jonge vrouw, en daardoor slecht op haar plek aan het hof. Maar in Parijs ontmoette ze een edelman in ballingschap, William Cavendish. Deze markies van Newcastle was vóór de burgeroorlog een steenrijke aristocraat en leidde het koninklijke leger in Noord-Engeland. William keek door de verlegenheid van Margaret heen en zag de intelligente, fantasierijke denkster die – totaal tegen de tijdgeest in – als vrouw zou uitgroeien tot een van de beroemdste geleerden van haar tijd. Ze trouwden en verlieten Parijs.

 

Een vrouw in de wetenschap

Samen betrokken ze in 1648 het Rubenshuis in Antwerpen. Een levendige stad en iets goedkoper dan het luxueuze hofleven. Daar vonden ze de tijd voor hun hobby’s. William richtte zijn eigen rijschool op in de achtertuin, terwijl Margaret zich stortte op het schrijven en de filosofie. Daarbij werd ze geïnspireerd door de voorname gasten van William en zijn broer Charles: René Descartes, Pierre Gassendi, Marin Mersenne en Thomas Hobbes.

Cavendish had geen formeel onderwijs genoten. Haar broers hadden gestudeerd aan Cambridge, maar dat zat er voor Margaret – als vrouw – niet in. Ze las graag, maar alleen Engels. Voor haar studie was ze verder afhankelijk van William en Charles en wat ze via hen meekreeg van de filosofische discussies. Ze trok zich er niets van aan dat de filosofie en wetenschap gedomineerd werden door mannen.

Net als haar mannelijke tijdgenoten boog ze zich over de vraag hoe de wereld in elkaar zat: waren er vier elementen, bestond alles uit atomen of was er slechts één soort substantie? Hoe zag de verhouding tussen geest en materie of ziel en lichaam eruit? Wie hadden er gelijk: de materialisten die stelden dat er niets dan materie was, of de idealisten en platonisten die stelden dat alles juist bestond uit geest?

In eerste instantie ging Cavendish uit van de vier elementen, maar daar kwam ze al snel op terug. Ze koos voor een soort materialisme: alles moest bestaan uit één materie, maar wel een ‘denkende’ materie. Zo goed en kwaad als het ging, zette ze haar eigen overwegingen op papier. Toen ze in 1653 in Engeland probeerde geld los te krijgen, wist ze een vooraanstaande uitgever in London te bewegen tot de publicatie van haar Poems and Fancies en Philosophicall Fancies. Zo werd ze de eerste vrouw die een wetenschappelijke verhandeling onder haar eigen naam publiceerde.

Cavendish bleef schrijven in Antwerpen. Ze kwam in contact met Constantijn Huygens, de voorname diplomaat, dichter, geleerde en kunstliefhebber uit Den Haag. Huygens was het Engels machtig en zo kon Cavendish dus met hem corresponderen. Ze schreven elkaar over Rupert’s Drops, kleine druppels van gehard glas die heel bleven als er met een hamer op de kop geslagen werd, maar uiteenspatten zodra er een stukje van de staart werd afgebroken. Destijds cutting-edge wetenschap. Huygens bewonderde Cavendish, maar ook samen kwamen ze niet tot een sluitende verklaring voor de werking van de druppels.

Enkele jaren later, in 1660, keerde het tij voor de royalisten in de burgeroorlog. De Britse prins, een oud leerling van William Cavendish, werd gekroond tot koning Karel II, en de Cavendishes keerden terug naar Engeland. William werd hertog van Newcastle en bracht hun financiën en bezittingen op orde.

 

De stralende wereld

Haar beroemdste werk publiceerde Cavendish in 1666: De stralende wereld. Een van de bijzonderste literair-filosofische teksten. In feite was het een aanhangsel bij een filosofische traktaat, maar tegelijk de allereerste feministische utopie en een van de eerste sciencefictionromans.

De stralende wereld vertelt het verhaal van een jonkvrouw die wordt ontvoerd en via de noordpool in een andere wereld belandt. De steden zijn er gemaakt van de mooiste edelstenen en de mensen lijken er op dieren. In een mum van tijd schopt de jonkvrouw het tot keizerin en zet ze de wetenschap, politiek en religie naar haar hand.

De keizerin ondervraagt haar verschillende soorten onderdanen, die allen een specifieke functie hebben. Zo zijn de vogelmensen astronomen, vismensen natuurfilosofen, vosmensen politici en papegaaimensen haar redenaars, enzovoorts. Met hen filosofeert ze over de methodes van hun specifieke discipline en over hoe de wereld in elkaar steekt.

Via die gesprekken maken we kennis met Cavendish’ eigen ideeën. De beermensen bijvoorbeeld, de experimentele filosofen van de keizerin, zijn hoogstwaarschijnlijk een parodie op de leden van de Royal Society. Dit instituut was opgericht in de geest van Nieuw-Atlantis, de utopie van de wetenschapsvernieuwer Francis Bacon, en stelde het experiment centraal. Cavendish vond daarentegen dat je niet zomaar in het wilde weg kon experimenteren om te kijken wat er gebeurde, maar eerst goed en redelijk moest nadenken over hoe het experiment werd opgezet.

Ook komt de keizerin over het geloof te spreken. Volgens de priesters is het beter dat er geen vrouwen in de gemeentes komen, anders zou de man zijn aandacht niet richten op God maar op zijn minnares. Dat laat de keizerin niet over haar kant gaan: geloof is niet alleen voor mannen. Ze besluit een congregatie voor vrouwen op te richten, zodat ook zij hun geloof kunnen belijden.

Om de stralende wereld gelovig te houden, richt de keizerin twee kapellen in, waarin ze strenge preken houdt voor misdadigers en geruststellende preken voor hen die berouw tonen. Zo weet ze de wereld gelovig te houden, zónder bloed te vergieten:

‘Want ze wist heel goed dat het geloof de mens niet met dwang of druk opgelegd kan worden, maar moet worden aangewakkerd in de geest door vriendelijke aansporing. (…) Angst zorgt er weliswaar voor dat men gehoorzaamt, maar slechts voor korte duur, en is lang niet zo betrouwbaar om toewijding in stand te houden als liefde.’

Hier horen we Cavendish zelf spreken. Maar even verderop wordt Cavendish’ stem nog duidelijker.

De keizerin raakt in gesprek met immateriële geesten, wezens die al lang in de stralende wereld verkeren en haar helpen bij het vinden van een secretaris voor het maken van een kabbala. Ze vraagt om de geest van iemand als Descartes of Hobbes, maar de immateriële geesten antwoorden haar:

‘Dat zijn inderdaad heel vernuftige, maar tegelijk ook zo verwaande schrijvers dat ze nooit secretaris zouden willen zijn van een vrouw. Maar er is een dame, de hertogin van Newcastle, die, ook al is ze misschien niet de meest geleerde, welbespraakte en gevatte denker, toch een heldere en redelijke schrijver is. Want dat zijn haar schrijfprincipes: verstandigheid en redelijkheid.’

Dan neemt het verhaal een wonderlijke wending, want vervolgens verschijnt de ziel van de hertogin van Newcastle ten tonele, oftewel Margaret Cavendish zelf. De ziel van de hertogin praat de keizerin het plan van de kabbala uit het hoofd en de twee raken innig bevriend, ‘platonische geliefden’ zelfs.

Op een dag bekent de hertogin aan de keizerin haar diepste wens: net zo machtig en beroemd te zijn als de keizerin, en een eigen wereld te besturen. Als alle werelden al voorzien blijken van een regering, komen de immateriële geesten met een gouden tip: zelf een wereld scheppen met behulp van fantasie. Een grappige, creatieve vondst die getuigt van reflectievermogen. Cavendish hunkerde in het echte leven ook naar roem en macht, en met het verzinnen van De stralende wereld deed ze precies wat ze de hertogin in het verhaal laat doen.

De keizerin en de hertogin gaan vervolgens enthousiast aan de slag met het verzinnen van fantasiewerelden en testen verschillende filosofieën als grondbeginsel. De demonen van Thales, ideeën van Plato, atomen van Epicurus, Aristoteles, Descartes en Hobbes: allemaal schieten ze tekort in de ogen van de hertogin. Ze besluit uiteindelijk een wereld te scheppen op basis van voelende en denkende zelfbewegende materie. Hiermee giet Cavendish haar kritieken op de genoemde filosofen en haar eigen oplossing in fictievorm.

 

Zoete wraak in fictie

Verderop in het verhaal verweeft Cavendish nog meer feiten in haar fictie. Op een gegeven moment bezoeken de keizerin en hertogin de wereld van de hertogin. Ze nemen een kijkje bij de landgoederen Welbeck en Bolsover, die Cavendish in werkelijkheid ook bezat. Daar zien ze de hertog van Newcastle bezig met zijn paarden, en de hertogin verzoekt de keizerin om de hertog te verzoenen met Fortuna, de godin van het lot.

Er volgt een korte fabel met Waarheid als rechter, Fortuna als de beklaagde, met Dwaasheid en Onbesuisdheid als secondanten, en de hertog als aanklager, bijgestaan door zijn vrienden Eerlijkheid en Inzicht. De verschillende personages doen hun zegje en de hertogin verdedigt haar man, met toespelingen op het werkelijke leven van Cavendish. Nog voor het vonnis wordt uitgesproken, gaat Fortuna er echter woedend vandoor. Het punt mag duidelijk zijn.

Ook in deel twee van De stralende wereld vinden we toespelingen op het leven van Cavendish. Daar treffen we een stukje onvervalste wraakfictie. Cavendish laat de hertogin een plan uitdokteren om de vijanden van haar thuisland te overwinnen. De keizerin vaart daarop met haar indrukwekkende vloot naar de wereld van de hertogin. Met veel machtsvertoon, geweld en slimme trucs onderwerpt ze de gehele wereld aan de koning van ‘Esfi’, oftewel Engeland Schotland, Frankrijk en Ierland.

Die koning was Karel ii. Zo neemt Cavendish in haar roman dus wraak op de tegenstanders van de Engelse kroon en het onrecht dat haar in werkelijkheid was aangedaan. Ze laat zichzelf glorieus zegevieren. En wie dacht dat de fantasie van Cavendish alleen maar over liefdesverhalen en fantasiewezens zou gaan, komt bedrogen uit. In De stralende wereld kan een vrouw zich zelfs met oorlog bezighouden.

 

Gestoord, verwaand en belachelijk

Toen De stralende wereld verscheen was de Engelse monarchie weer in ere hersteld en waren de royalisten uit hun ballingschap teruggekeerd naar hun thuisland. Cavendish was nu niet alleen een vooraanstaande aristocrate, maar ook een beroemd auteur. Hoewel ze in De stralende wereld en ander werk kritiek had geleverd op twee van de bekendste leden van de Royal Society, sprak ze in 1667 de wens uit om het instituut te bezoeken. Haar verzoek werd ingewilligd en met veel grandeur arriveerde ze in een gouden koets. Als allereerste vrouw werd Cavendish daar ontvangen en ze nam er kennis van de aanwezige instrumenten en experimenten. Het zou honderden jaren duren voor die eer weer aan een vrouw ten beurt zou vallen.

De beroemde dagboekenschrijver Samuel Pepys, zelf in 1665 lid geworden van de Royal Society, vermeldde dat Cavendish experimenten bekeek en prees, waarna ze door de heren weer naar buiten werd geleid. Zijn kijk op Cavendish is typerend voor de tijd:

‘Ze heeft inderdaad donker haar en mooie, donkere oogjes, maar verder is ze in mijn ogen een doodgewone vrouw, hoewel ze goed kan zingen. De hertogin was een knappe, bevallige vrouw, maar haar jurk zó ouderwets en haar houding zó gewoontjes, dat ze me desalniettemin helemaal niet aanstaat. Ze had evenmin iets waardevols te zeggen, behalve dat ze vol bewondering was, alleen maar bewondering.’

Een jaar later schreef Pepys dat hij The Life of William Cavendish gelezen heeft: ‘[dit belachelijke werk], geschreven door zijn echtgenote, toont dat zij een gestoorde, verwaande en belachelijke vrouw is, en dat hij een gek is dat hij haar toestaat zo aan en over hem te schrijven.’ Daarmee stond zijn oordeel over Cavendish en haar werk vast.

Deze reactie van Pepys laat precies zien waarom De stralende wereld zo’n belangrijke tekst is. Vrouwen werden niet door iedereen serieus genomen. En dit thema dat Cavendish met haar utopie aansneed, is ook vandaag de dag in Nederland nog relevant. Meer dan drie-en-een-halve eeuw later zijn vrouwen onder politici, bestuurders en wetenschappers nog steeds ondervertegenwoordigd.

Lezen en nadenken over een fantasiewereld kan volgens Cavendish helpen dat te veranderen. Niet alleen omdat het vermakelijk is, maar vooral omdat onze verbeelding ons een leven voorschotelt dat we nog niet hebben bereikt. Een wereld waarin we onszelf wel kunnen zijn als de echte wereld dat niet toestaat. Een wereld die volgende generaties laat zien waarom dat gewenste leven van ons geen werkelijke mogelijkheid was, zodat zij die mogelijk wél kunnen realiseren en de samenleving in de toekomst iets mooier en beter wordt.

 

Dit profiel van Margaret Cavendish schreef ik voor het novembernummer van iFilosofie.