
Mill over godsdienst
Deze bespreking van ‘Drie essays over godsdienst’ van John Stuart Mill, vertaald door Karel D’huyvetters, schreef ik in mei 2025 voor Trouw.
De auteur
John Stuart Mill (1806-1873) was een van de invloedrijkste filosofen uit de negentiende eeuw. Hij werd door zijn vader James Mill en Jeremy Bentham intellectueel opgevoed. Zo kende hij op zijn derde het Griekse alfabet en las hij op zijn achtste Plato en Griekse klassiekers.
Mill geldt, met Bentham, als een van de vaders van het moderne utilitarisme. Die ethische benadering streeft naar het grootst mogelijke geluk voor zoveel mogelijk mensen. Pijn vermijden en geluk of genot bevorderen maakt handelingen goed. Het utilitarisme krijgt vaak het verwijt een kille ethiek te zijn, die alles wat we doen reduceert tot een simpele rekensom van pijn en genot.
Het boek
Dat Mill kil noch simpel was, blijkt echter uit de recente vertaling van Drie essays over godsdienst. Mills nadruk op nut leidde hem tot een uitgesproken, maar ook milde kijk op godsdienst. In deze essays toont Mill zich een erfgenaam van de Verlichting. Hij was sceptisch over een bovennatuurlijke God die mensen straft en beloont. De christelijke leer – dat wil zeggen, de morele leer van de mens Jezus – vond hij daarentegen een toppunt van morele goedheid.
De essays
In het eerste essay analyseert Mill het begrip ‘Natuur’. Tegen Rousseau in betoogt hij dat handelen volgens de natuur niet per se goed is. Zo hebben we allerlei instincten – zelfzucht, vernielzucht, wreedaardigheid – die slecht zijn. Goede kwaliteiten als moed, zindelijkheid en sympathie zijn juist allemaal aangeleerd. In de Natuur is bovendien zoveel kwaad te vinden dat als ze geschapen zou zijn, haar schepper onmogelijk tegelijk algoed en almachtig kan zijn.
Vervolgens vraagt Mill zich in het tweede essay af of godsdienst, zelfs als ze onwaar is, misschien toch nuttig kan zijn. Godsdienst heeft de samenleving en het individu door de eeuwen heen duidelijk veel goeds gebracht. Maar Mill constateert dat godsdienst zijn kracht wel ontleent aan seculiere dingen: algemene overeenstemming, opvoeding en de publieke opinie.
Zo komt Mill tot een ‘religie van de mensheid’. Angst voor hoe God oordeelt over ons handelen is daarin niet nodig. Het volstaat om te bedenken wat onze vrienden, voorouders en beroemde voorgangers als Socrates en Marcus Aurelius van onze daden zouden vinden.
In het derde essay onderzoekt Mill of het geloof in God te rijmen is met de natuurwetten die de moderne wetenschap heeft ontdekt. Hier bespreekt en weerlegt hij verschillende godsbewijzen. Opvallend genoeg concludeert hij dat sluitend bewijs ontbreekt, maar dat er best een intelligente schepper zou kunnen bestaan. Als die er is, is die zeker niet almachtig en dus moet de mens een handje helpen om de schepping te verbeteren.
Kenmerkende zinnen
‘De essentie van godsdienst is de sterke en ernstige geleiding van de emoties en verlangens naar een ideale doelstelling, die erkend wordt als hoogst uitmuntend, en als terecht van het hoogste belang boven alle zelfzuchtige doelstellingen van het verlangen. Die voorwaarde is in de Godsdienst van de Mensheid vervuld in een even eminente mate, en in een even hoge zin, als door de bovennatuurlijke godsdiensten zelfs in hun beste verschijningsvormen, en veel meer dan in enige van hun andere.’
Reden om dit boek niet te lezen
Mills boek verscheen postuum in 1874 en al in december van dat jaar was er een Nederlandse vertaling. Deze nieuwe vertaling van Karel D’huyvetters is veel leesbaarder. Toch lezen de teksten nog niet echt soepel en klinkt het Engels er geregeld doorheen. Ook is religion voortdurend vertaald als ‘godsdienst’, terwijl Mills punt juist is dat hij geen god nodig heeft in zijn religie van de mensheid.
Redenen om dit boek wel te lezen
Hoewel Mill wat langdradig kan zijn, is zijn kalme redeneertrant ook genietbaar. Zo nu en dan staat hij zichzelf een mooie verzuchting toe, zoals deze: ‘De menselijke existentie is omringd met mysterie het nauwe gebied van onze ervaring is een klein eiland te midden van een grenzeloze zee, die tegelijkertijd onze gevoelens vult met ontzag en onze verbeelding stimuleert door zijn weidsheid en zijn duisterheid.’
Ook is het in onze tijd een verademing om eens werk van iemand te lezen die nog zoveel vertrouwen had in redelijkheid, wetenschap, de samenleving en de mens als Mill.