
Humes gesprekken over religie
Deze bespreking van ‘Gesprekken over natuurlijke religie’ van David Hume, vertaald door Ton Vink, schreef ik in september 2025 voor Trouw.
De auteur
Le bon David, die goeie David: zo werd David Hume (1711-1776) door zijn tijdgenoten in Parijs genoemd. Hij stond bekend als zachtmoedig, vriendelijk en vrijgevig. Als twaalfjarige ging Hume al naar de universiteit van Edinburgh. Daarna maakte hij naam met zijn boeken, werd hij een spil in de achttiende-eeuwse Republiek der Letteren en groeide hij uit tot een van de allergrootste westerse filosofen.
Ondanks zijn faam, grootmoedigheid en humanistische motto ‘Wees een filosoof, maar wees bij al je gefilosofeer altijd ook mens’, kreeg Hume flinke kritiek voor zijn kiezen. Hij stond namelijk ook te boek als atheïst, iemand met ‘verderfelijke beginselen’. Daardoor gingen leerstoelen in Glasgow en Edinburgh aan zijn neus voorbij en werd zijn Gesprekken over de natuurlijke religie pas na zijn overlijden gepubliceerd.
Het boek
Ton Vink maakte van dat controversiële boek een Nederlandse vertaling. Vink vertaalde eerder al een selectie van Humes essays en schreef een biografie over Hume. De recente uitgave is een geactualiseerde editie van zijn eerdere vertaling en bevat een mooie inleiding en uitgebreid commentaar.
In de Gesprekken vertelt een jongen, Pamphilus, een lang gesprek na dat hij bijwoonde. In dat gesprek discussiëren Philo, Cleanthes en Demea over de aard van God en de natuurlijke religie. De natuurlijke religie is het geloof in God dat gebaseerd is op de natuur, dus op onze ervaringen en redeneringen. Daartegenover stond het geloof in God gebaseerd op openbaringen en Bijbelteksten.
Het gesprek
Centraal in het gesprek staat het zogeheten ontwerpargument. Dat argument is grofweg: uit onze waarnemingen blijkt dat de wereld net zo vernuftig in elkaar zit als een machine of een klok. Daarom moeten we wel aannemen dat er een soort ontwerp aan ten grondslag ligt en dat er dus ook een ontwerper of klokkenmaker moet zijn – dat is God. Deze positie verdedigt Cleanthes.
Onzin, vindt Demea. Dat argument is hem veel te antropomorf: het neemt onterecht de mens als maat. Dat de mens dingen op een bepaalde manier maakt, wil nog niet zeggen dat God op vergelijkbare wijze de wereld heeft geschapen. Volgens Demea is het enige bewijs voor God: alles heeft een oorzaak en uiteindelijk is er dus een eerste oorzaak – dat is God. Vanwege ons beperkte verstand en onze beperkte ervaringen kan de mens verder niets begrijpen van de aard van God.
Philo zit als scepticus tussen beide uitgangspunten in. Hij gaat vooral de discussie aan met Cleanthes en haalt diens analogie tussen menselijke en goddelijke schepping onderuit. Menselijke ontwerpers zijn bijvoorbeeld duidelijk onvolmaakt en werken vaak samen met andere ontwerpers, maar is God dan ook onvolmaakt en waarom zouden er dan geen duizenden goden zijn? En hoe kan een volmaakte en goede schepper nou zoveel ellende toestaan in de wereld? Zulke vragen en redeneringen onderzoeken ze in hun gesprek rustig en grondig.
Kenmerkende zin
Verrassend is dat Philo aan het eind – Demea is dan al afgehaakt – toch pleit voor een filosofisch geloof en zegt dat er een eerste oorzaak is die lijkt op menselijke intelligentie. In zijn woorden een ‘oorzaak of oorzaken van de orde in het universum [die] waarschijnlijk enige verre analogie vertonen met de menselijke intelligentie’. Meent hij dat? Na al zijn eerdere argumenten tegen de analogie?
Reden om dit boek niet te lezen
Die dubbelzinnigheid en de lange, complexe zinnen maken het een uitdagend boek. Je moet er goed voor gaan zitten.
Redenen om dit boek wel te lezen
Gelukkig geeft Vink uitgebreid commentaar op Philo’s slotrede – die Hume-deskundigen nog altijd verdeelt en waarover Vink zijn dissertatie schreef. Hij neemt daarbij duidelijk stelling in.
Godsbewijzen zijn niet meer zo spannend als in Humes tijd. Maar binnen de filosofie blijft dit boek van Hume een grote klassieker. Het beïnvloedde Immanuel Kant en ook Friedrich Nietzsche citeerde eruit. Zo is de doctrine van de eeuwige wederkeer van het gelijke, waar Nietzsche om bekendstaat, een eeuw eerder al in Humes gesprekken te vinden.
De argumenten zijn meestal elegant, soms ironisch en vaak voorzien van sprekende, heldere voorbeelden. Daarmee nodigt Hume nog altijd uit tot nadenken over de orde en ellende in de wereld – en over de vraag of die goeie David nou atheïst was of niet.