Tekst

Literaire helden: Huysmans

Literaire helden: Huysmans

Literaire helden: J.-K. Huysmans

George Orwell schreef geregeld liefdevol en met inzicht over de literaire helden die hem inspireerden. Over Jonathan Swift, Jevgeni Zamjatin, Charles Dickens bijvoorbeeld, en over een schrijver die in zijn jeugd de grootste van zijn land was, H.G. Wells, bekend van The War of the Worlds en andere verhalen vol technologische uitvindingen.

Begin jaren veertig schreef Orwell, inmiddels volwassen en zelf een schrijver van naam (al had hij Animal Farm en 1984 toen nog niet geschreven), een stuk over zijn jeugdheld Wells. Orwell koesterde zijn herinneringen aan het lezen van Wells en hij bleef hem een belangrijke plaats toedichten: ‘Weldenkende mensen die rond het begin van deze eeuw werden geboren, zijn in zekere zin geschapen door Wells.’

Maar het wereldbeeld van Wells was Orwell uiteindelijk te rationeel, met al te veel vertrouwen in technologie. Terwijl hij bezig was met zijn stuk over Wells, schreef Orwell, vlogen er nazi’s – met behulp van zeer geavanceerde technologie – over Engeland om daar dood en verderf te zaaien. Rationaliteit en technologie alleen gingen de wereld niet redden. Dat had Wells, gebonden aan de negentiende eeuw, niet gezien. Orwells jeugdheld was held af.

Zo gek was dat niet: tijden, normen en persoonlijke voorkeuren veranderen. Dat roept de vraag op: heb ik zelf eigenlijk literaire jeugdhelden waar ik uiteindelijk anders over ben gaan denken? Wie las ik vroeger graag, maar stelde me toch teleur of zie ik nu in een ander licht? En is er toch iets van liefde blijven hangen?

Voor iedereen van mijn leeftijd zou Harry Potter waarschijnlijk een goede casus kunnen zijn. Zeker sinds J.K. Rowling er achteraf allerlei dingen over haar personages bij verzon en verschillende (gender)politieke relletjes veroorzaakte. Van serieuzere literatuur ben ik zelf gaan genieten door Tolkien. Maar In de ban van de ring ben ik eigenlijk alleen maar meer gaan waarderen, of in elk geval niet minder.

Ik ga nu toch voor een Franse schrijver kiezen en een beetje valsspelen, want het gaat om een boek dat ik niet in mijn jeugd, maar als puber las. Voor mij is het een goed voorbeeld van een werk waar ik helemaal in opging, maar met een wereld- en mensbeeld waar ik me nu toch niet in kan vinden.

In The Picture of Dorian Gray brengt Oscar Wilde via een van de personages een geel boek ter sprake dat de ‘Bijbel van het decadentisme’ zou zijn. Titel en auteur blijven bij Wilde onvermeld, maar het gaat om Tegen de keer (À rebours) van de Franse schrijver Joris-Karl Huysmans. Dat klonk al meteen interessant, misschien wel juist omdat de titel en auteur niet genoemd werden. Ik zocht het op en dook erin.

Tegen de keer is een nagenoeg plotloos boek waarin de neurotische Franse aristocraat Des Esseintes zich uit afkeer van de platheid van de moderne tijd terugtrekt in een landhuis, om daar met de luiken dicht een eigen paradijsje te scheppen, helemaal naar zijn eigen, overdadig verfijnde smaak. Hij stelt zijn bibliotheek nauwkeurig samen, bouwt een drankorgel met verschillende likeuren en laat zelfs een schildpad met edelstenen bezetten. Huysmans maakt zo een beknopte encyclopedie van de decadente smaak. Met lichte afkeur maar toch vooral met welwillende interesse en onder de indruk van de eruditie van Huysmans nam ik het allemaal in me op.

Huysmans zette zich met dit boek af van zijn eigen literaire held, de naturalist Émile Zola. Daarvoor in de plaats stelde hij het symbolisme en het pessimisme van Schopenhauer. Heel kort samengevat: het leven is een ellende en andere mensen zijn afschuwelijk; de enige troost is te vinden in de kunst en zintuiglijke genietingen.

Misschien hoort zo’n houding ook wel een beetje bij de puberteit. Je zet je af tegen je ouders en de maatschappij, en je probeert tegelijk je eigen smaak te ontwikkelen door houvast te zoeken bij andere autoriteiten.

Maar het decadentisme van Des Esseintes is een ziekelijke levenshouding, die je uiteindelijk niks brengt. Ja, er is een hoop platheid in de hedendaagse wereld; ja, er is een grote nadruk op nutsdenken; en ja, ook ik kan me soms kapot ergeren aan anderen (bijvoorbeeld in een stiltecoupé in de trein als ik net een mooi boek probeer te lezen). Maar je zo afsluiten van de wereld en buiten de maatschappij stellen, zwelgen in je ongenoegen en je puur richten op zinnelijke genoegens – is dat een serieuze oplossing?

Om dan toch maar het enige spannende aan het boek te verklappen: aan het eind van Tegen de keer is Schopenhauer ook niet troostrijk genoeg voor Des Esseintes. Huysmans stelde in een voorwoord dat hij twintig jaar later schreef dat Schopenhauers denken vraagt om een volgende stap. Die stap was volgens Huysmans te vinden in het katholicisme – een ontwikkeling die hij uitwerkte in zijn latere romans.

Hoewel ik er zelf niet aan moet denken een mensenschuwe aristocraat te zijn, blijft Tegen de keer evengoed een fascinerende roman, bomvol verwijzingen naar literatuur en muziek, en bespiegelingen over de symboliek van bloemen en edelstenen. En hoe onuitstaanbaar hij soms ook is, de worstelingen van Des Esseintes – die Huysmans zelf ook tenminste deels moet hebben gevoeld – maken hem een interessant personage.

Althans, zo herinner ik het me. Eigenlijk zou ik Huysmans weer eens moeten herlezen om echt te merken hoe ik hem nu zie. Houdt de herinnering aan een dierbaar boek stand bij herlezing? Meteen een mooie vraag voor een volgende bespiegeling.

juli 2021
Deze column, aftrap voor de reeks ‘Van het voetstuk’, schreef ik voor Bazarow Magazine.
Lees verder
Mijn opiniestuk over literatuur lezen, dat ik schreef voor NRC.
Posted by Thomas in Artikel, Tekst
Over ziek zijn

Over ziek zijn

Over ziek zijn
Bespreking van ‘Over ziek zijn’ van Virginia Woolf,
vertaald door Monique ter Berg.
Nexus Leestafel, juli 2021

Wat vreemd eigenlijk dat liefde, jaloezie en strijd grote thema’s in de literatuur zijn, maar er nauwelijks romans zijn geschreven met als centrale thema ziekte. Met die constatering opende Virginia Woolf haar essay On Being Ill, dat voor het eerst verscheen in 1926. Niet dat ziekte nou zo’n zeldzaam verschijnsel was; integendeel, ziek zijn is niets bijzonders. Maar net als hevige verliefdheid of gekmakende jaloezie veranderen veel ziektes onze verhouding met onszelf en de wereld, en kleuren ze onze ervaringen.

Wie aan ziekte lijdt, ervaart de wereld anders. Precies dat gegeven maakt de ziekte een interessant literair thema. Voor Woolf – als grootmeester van de stream of consciousness, wier werken grotendeels in het teken staan van hoe we onszelf, anderen en de wereld ervaren – al helemaal.

Nu de wereld meer dan een jaar lang in de greep is geweest van het coronavirus, heeft iedereen wel ervaren hoe diep een ziekte kan doordringen in de maatschappij en in het persoonlijk leven. Dat maakt Over ziek zijn, de nieuwe Nederlandse vertaling van Woolfs essay door Monique ter Berg, extra actueel en aansprekend. Woolfs ervaringen zullen resoneren bij iedereen die het afgelopen jaar zelf heeft nagedacht over corona en ziekte in het algemeen.

De Britse dichter Deryn Rees-Jones raakte zelf besmet met corona en schrijft daarover in haar voorwoord, waarin ze Over ziek zijn beknopt in het oeuvre van Woolf plaatst. In hun bijgevoegde teksten schrijven Lieke Marsman, Mieke van Zonneveld en uitgever Elte Rauch over hun persoonlijke ervaringen met kanker, wat een indringende persoonlijke noot toevoegt aan deze uitgave.

Ook voor Woolf was het essay een persoonlijk stuk. Haar leven werd getekend door ziektes; ze leed aan zowel zenuwinzinkingen en depressies als koortsen, hoofdpijnen, flauwtes en slapeloosheid. Ze schreef dit essay nadat ze was flauwgevallen tijdens een feestje bij haar zus, waarna ze maandenlang moest herstellen.

Als lezer zien we dat terug in de inhoud – de ervaring van ziek zijn, hoe je gedachten dan alle kanten op dwalen, hoe het is om naar de wolken te staren als je ligt bij te komen, hoe een paar dichtregels je anders raken dan als je gezond en scherp bent – maar ook, en dat is het knappe, in de vorm van het essay: de associatieve, wat rommelige structuur, en de lange, beeldrijke en onevenwichtige zinnen. De eerste zin barst al meteen uit zijn voegen, zoals Brian Dillon beschrijft in deze mooie beschouwing uit zijn boek Suppose a Sentence.

Een van de mooiste gedachtegangen in het essay gaat als volgt. De literatuur heeft zich volgens Woolf te zeer gericht op de ziel en daarbij het lichaam verwaarloosd. Dat is onterecht: ‘De hele dag en de hele nacht grijpt het lichaam in; stompt af of scherpt aan, kleurt of ontkleurt … Het schepsel binnenin kan alleen maar door de vuile of rozige ruit kijken’. Wordt dat lichaam door ziekte geteisterd, dan beïnvloedt dat onze ervaring volledig, bijvoorbeeld doordat we worden teruggeworpen op onszelf. Even geen dagelijkse sleur, een pauze in het sociaal toneelspel. En dan komt Woolf met deze betoverende metaforen:

‘Iedereen heeft een maagdelijk woud; een sneeuwvlakte waar zelfs de afdruk van een vogelpootje ontbreekt. Daar zijn we alleen en dat hebben we liever […] Wij drijven met de takjes op de stroom mee, tuimelen holderdebolder met de dode bladeren over het grasveld, ontoerekenbaar en ongeïnteresseerd, en misschien kunnen we voor het eerst in jaren om ons heen kijken, naar boven kijken, bijvoorbeeld naar de lucht.’

Vervolgens beschrijft Woolf hoe ze naar de wolken en naar een roos kijkt, met een soort koortsige concentratie, om weer terug te grijpen op het beeld van de sneeuwvlakte in ons: ‘Die sneeuwvlakte van de geest die de mens nog niet heeft betreden, krijgt bezoek van de wolk, wordt gekust door een vallend bloemblaadje’. Ook als ze bekende dichtregels leest, komen die haar plots anders voor: ‘Als we ziek zijn lijken woorden iets mystieks te hebben’.

Je krijgt haast zin in een flinke koorts, om met andere ogen naar wolken, rozen en gedichten te kunnen kijken.

Woolf zelf refereert in haar essay alleen aan Proust en De Quincey als uitzonderingen die de regel bevestigen, als literatoren met aandacht voor ziekte. Haar opmerkingen doen ook denken aan haar tijdgenoten Paul Valéry – die met opzet ’s ochtends vroeg, als hij nog niet helemaal wakker was, in zijn cahiers schreef – en Fernando Pessoa – die juist schreef als hij zeer vermoeid en depressief was.

De meest opvallende naam die Woolf niet noemt is Thomas Mann. De dood in Venetië verscheen al veertien jaar voor Woolf haar essay schreef en raakt de thema’s die ze adresseert. De hoofdpersoon Gustav von Aschenbach, een beroemde schrijver, raakt tijdens zijn verblijf in Venetië geobsedeerd door de schoonheid van een jongetje van veertien, dat hij vanaf een afstandje aanschouwt en koortsachtig achternaloopt in de stad. Zijn ervaringen en gedachten worden er volledig door gekleurd. Terwijl de stad ten onder gaat aan een cholera-uitbraak, wordt ook Aschenbach verteerd – de grens tussen liefde en ziekte verdwijnt haast.

Het voordeel dat wij hebben is natuurlijk dat al deze teksten ons nu ter beschikking staan. Waar afgelopen jaar veelgelezen auteurs als Boccaccio en Camus ziekte gebruiken als respectievelijk onheilspellend decor en als politieke metafoor, leveren Mann en Woolf ons literatuur die de ervaring van het ziek zijn zelf vangt. Die literatuur kleurt dan weer onze ervaringen, waardoor geen hooikoortsaanval of najaarsgriepje meer hetzelfde zal zijn.

 

Henri Roorda

Deze bespreking schreef ik voor de Nexus Leestafel.

Lees ook mijn bespreking van Cahiers van Paul Valéry en Gedichten Fernando Pessoa

Posted by Thomas in Recensie, Tekst
Het vrolijke pessimisme

Het vrolijke pessimisme

Het vrolijke pessimisme
Bespreking van ‘Het vrolijke pessimisme’ van Henri Roorda,
vertaald door Rokus Hofstede.
Nexus Leestafel, juni 2021

Wil je dat je boekrecensie wordt gelezen, dan kun je volgens de Frans-Zwitserse schrijver Henri Roorda (1870-1925) het besproken boek het best afkraken. Roorda adviseert om als volgt te werk te gaan:

‘Om een boek af te kraken hoef je het niet gelezen te hebben; het is ook geen vereiste om in je kritiek geestig of intelligent uit de hoek te komen. Dicht je slachtoffer absurde ideeën toe, vraag hem of hij tussen twee maaltijden door weleens denkt, citeer zijn allerbanaalste zinnetjes, tutoyeer hem, maak hem uit voor ‘dikhuid op veren’, zeg om het even wat, maar wees te kwader trouw, onbeleefd en als het moet lomp; meer is er niet voor nodig om tot het einde toe gelezen te worden.’

Als u een lezer bent die zo’n kritiek verwacht, kunt u nu beter iets anders gaan doen. Ik ben namelijk van plan nu te goeder trouw iets aardigs te schrijven over Het vrolijke pessimisme. Dat verdient Roorda, want met Het vrolijke pessimisme schreef hij een geestig, scherp en gevarieerd boek, dat zijn zelftypering als ‘argeloze, enthousiaste humanist’ bevestigt.

Eigenlijk moet ik zeggen: dat verdient vertaler Rokus Hofstede, want Roorda schreef helemaal geen boek onder de titel Het vrolijke pessimisme. Roorda verzon die titel wel, maar gebruikte hem nooit. Hofstede maakte het boek alsnog. Hij dook in de archieven van lokale kranten als La Gazette de Lausanne en La Tribune de Genève waarvoor Roorda onder het pseudoniem Balthasar cursiefjes schreef. Hofstede selecteerde zestig stukjes en maakte er prachtige vertalingen van, om zo Roorda van de vergetelheid te redden, toch op z’n minst in Nederland.

En Roorda heeft een band met Nederland. Zijn vader was penvriend van Multatuli en wordt genoemd in noot vijf van Max Havelaar. Eerlijk gezegd kan ik me die noot niet herinneren, dus hoeveel gewicht we daar precies aan moeten hechten, weet ik niet. Vast staat evenwel dat Roorda senior vanwege zijn felle kritiek op het koloniale bewind uitweek naar Brussel (waar Henri werd geboren) en later naar Zwitserland. Henri had de Nederlandse nationaliteit, al sprak hij waarschijnlijk geen Nederlands.

Roorda woonde zijn hele leven in Lausanne, werd wiskundeleraar op een gymnasium en verwierf bekendheid met zijn geschriften. Hofstede noemt hem ironisch ‘de grootste humorist van Franstalig Zwitserland’. Wereldberoemd in eigen stad, zeg maar.

De vraag is: wat maakt deze toch wat vergeten en honkvaste schrijver nu nog het lezen waard? En wat is dat vrolijke pessimisme?

Vrolijk pessimisme is, althans bij Roorda, geen uitgewerkte filosofie. Het pessimisme spreekt uit Roorda’s algemene levensopvatting, het vrolijke zit hem in de speelse manier waarop hij schreef. Neem ‘Een huwelijksaankondiging’:

Gisteren kreeg ik een kaartje van meneer en mevrouw Zwabbermans, waarop te lezen staat dat hun zoon Théophile binnenkort in het huwelijk treedt met juffrouw Adèle Vanderspek […] ik condoleer ze in gedachten en hoop dat ze geen kinderen krijgen – want de toekomst is somber en het leven is triest. Maar ik vraag me altijd verwonderd af: ‘Waarom voelden ze zich verplicht om mij dat te komen vertellen?’ Ditmaal was mijn verbazing nog stommer dan anders. De hele nacht liet die ene vraag me niet los: ‘Wie zijn die Zwabbermansen?…

Geestig gepieker. Hij speculeert nog even door over of en hoe hij deze mensen kent, om te besluiten: al dat getrouw, heeft het ooit iets geholpen?

Het aardige van de selectie van Hofstede is dat we Roorda in allerlei verschillende gemoedstoestanden leren kennen. Hij verwondert zich niet alleen over getrouw, maar ook over het feit dat de paraplu pas zo laat in de menselijke geschiedenis is uitgevonden. Hij is venijnig over de olieverslaving van wereldleiders. Hij is melancholisch met Nieuwjaar. Hij eist voor winkelmeisjes het recht op om niet te glimlachen. En hij windt zich op over Balfour, die vond dat er meer oorlogsschepen gebouwd moesten worden, anders zouden de dure machines in de scheepswerven maar roesten. Dan ook maar doorgaan met het produceren van gifgas, schrijft Roorda, ‘anders zou het boosaardige brein van een paar honderd scheikundigen beginnen te roesten’.

De Eerste Wereldoorlog is, ook al komen zijn stukken uit de periode 1917-1925, geen groot thema. Maar af en toe vang je er een glimp van op. In 1918 schrijft Roorda bijvoorbeeld dat de militair, na diens enorme inspanningen de voorbije dertig eeuwen, nu wel toe is aan een welverdiende rust, ‘maar alleen ontwapening van de geesten kan beletten dat [grote massaslachtingen] terugkeren.’ En in 1919 beklaagt hij in ‘Geen oorlogen meer’ het feit dat de dienstplicht blijft gelden.

Zijn morele verontwaardiging over van alles en nog wat is aanstekelijk. Maar het meest inspirerend is Roorda toch als hij geniet van alledaagse dingen:

Ooggetuige zijn van het leven op aarde, weegt dat niet op tegen elke andere vorm van geluk? […] Om goed naar de dingen te kijken, moet je niet het verlangen hebben ze te bezitten; je moet beschikken over een vrije geest. Tegenwoordig kijk ik, zelfs wanneer mijn portemonnee leeg is, met genoegen naar de mooie spullen die in de etalages van de winkels liggen. En als eenvoudige mensen dan naast me blijven staan, kan ik me hun gedachten zo levendig voorstellen dat ik bijna geneigd ben hen aan te spreken.

De tegenstellingen – pessimisme en vrolijkheid, verwondering en verontwaardiging, zware thema’s en luchtige niemendalletjes – maken Het vrolijke pessimisme ook nu nog het lezen waard.

Ik licht nog één tegenstelling uit: Roorda’s gewoonte om in een licht stuk ineens aan te komen met het zware woord ‘ziel’. In ‘Een oprecht mens’ bijvoorbeeld beschrijft hij een dinertje ter ere van een vriendin. Ene Frédéric wordt aangemoedigd een toespraak te houden:

Jullie, lieve vrienden, jullie willen dat mijn woorden de nauwkeurige uitdrukking zijn van wat ik vandáág, op dít moment denk en voel. Jullie hebben gelijk […] Daarom was ik me elke ochtend…

            (Hier werd hij luidruchtig onderbroken: ‘Ik ook!’, ‘Ik ook!’, ‘Ik niet!’, ‘Mijn voeten!’, ‘Mijn badkuip!’, ‘Tandpasta!’, ‘Spiernaakt!…’)

            Frédéric brulde: ‘Domkoppen! Ik bedoel dat ik elke ochtend mijn ziel een wasbeurt geef. […] Morele stoffigheid, frasen die niet meer de verpakking van levende gedachten zijn, oordelen rigide als de rigor mortis – alles wat riekt naar de dood, moet weg. Ik maak mijn hart leeg zodat er splinternieuwe liefdes in kunnen ontbloeien, en in de kamer van mijn geweten verwijder ik alle puin dat een beletsel kan zijn voor het ontluiken van mijn nieuwe, “dagverse” gedachten.’

De clou: Frédéric heeft zich die ochtend, doordat hij te laat opstond en met haast naar zijn werk moest, niet kunnen wassen. Zijn ziel heeft de hele dag muf geroken. Ietwat beteuterd laat het gezelschap maar een paar flessen chique wijn aanrukken om de sfeer er weer een beetje in te brengen. Met dit soort originele anekdotes toont Het vrolijke pessimisme in elk geval dat Roorda zijn ziel geregeld een goede schrobbeurt gaf.

 

Henri Roorda

Deze bespreking schreef ik voor de Nexus Leestafel.

Lees ook mijn bespreking van Bambini di Praga van Bohumil Hrabal.

Posted by Thomas in Recensie, Tekst
Bambini di Praga

Bambini di Praga

Bambini di Praga
Bespreking van ‘Bambini di Praga’ van Bohumil Hrabal
Nexus Leestafel, april 2021

‘“Soms een beetje gek zijn is best leuk,” zei meneer Viktor, “Erasmus van Rotterdam heeft erover geschreven in zijn Lof der Zotheid.”’ Aan het woord is Viktor Tuma, verzekeringsagent van de stichting Steun voor Ouderdom en een van de hoofdpersonen in Bambini di Praga van Bohumil Hrabal uit 1947. In negen hoofdstukjes reist Viktor met zijn collega’s Tonda Uhde, meneer Bucifal en rayonchef meneer Krahulík door Tsjechië. Tijdens hun omzwervingen maken ze allerlei vrolijke voorvallen mee en ontmoeten ze figuren die inderdaad ‘een beetje gek’ zijn.

De titel Bambini di Praga is een verwijzing naar een nogal opzichtig Jezusbeeldje in Praag, en het boek werd in 1994 verfilmd als ‘Andělské oči’, ‘Engelenogen’. Maar deze agenten zijn geen heilige boontjes die je op hun blauwe ogen kunt vertrouwen. De vraag is in elk hoofdstukje steeds: (hoe) gaan onze agenten hier iemand een pensioen aansmeren? Dat leidt tot slapstickscènes met aandoenlijke personages.

Slapstick vinden we meteen in het eerste hoofdstuk. Slager Hyrman moet, terwijl hij worstelt met het zonnescherm, toezien hoe zijn vrouw de agenten om haar vingers windt met plakjes ham, hete worstjes, wijnworstjes en niet te vergeten haar glorieuze decolleté. Hoe vrolijker en losbandiger de slagersvrouw, hoe chagrijniger de slager. Gefrustreerd struikelt hij met uithangbord en al over straat, om zich gewonnen te geven en uiteindelijk maar een pensioen af te sluiten.

Een aandoenlijk personage is de chef van een wonderlijke werkplaats waarin Viktor terechtkomt. Vier knappe jongedames zitten er tussen bergen stoffen bloemblaadjes kunstbloemen te maken met hun flukse vingers. De chef is een man met twee kunstarmen. Hij raakt er al snel van overtuigd dat Viktor ook filosofiestudent is en wordt door zijn eigen quasifilosofische gereutel over hermetica helemaal week. Die handtekening heeft Viktor dus zo binnen. Maar het is ook weer niet allemaal onzin wat de chef verkondigt:

‘We zijn net als olijven: pas als we gekneusd worden, geven we het beste van onszelf prijs… Maar wat moet ik? Jongeman, als u weer eens in ons stadje komt, bezoek dan de man die weliswaar zijn boeken zodanig bijhoudt dat hij altijd over activa beschikt, maar wiens afgehakte handen voor altijd gespeend zullen zijn van knappe meisjes.’

In de loop van het verhaal ontmoeten we meerdere gekneusde olijven – en knappe meisjes. Het is juist Hrabals combinatie van jolige anekdotes waar eigenlijk veel leed achter schuilgaat, die zijn verhalen zo de moeite waard maken.

Dat er achter de gladde praatjes van de agenten iets anders schuilt, blijkt als ze in een zweefmolen op de kermis een meisje ontmoeten dat stoffen waterlelies verkoopt. De rayonchef helpt haar een handje door iedereen op de kermis een waterlelie aan te smeren. Hij verklapt haar de ware aard van zijn vak: ‘Wij bieden de mensen een illusie aan. Een pensioen.’

Op dezelfde kermis ontmoet agent Tonda de uitdagende verkoopster Nadja, die qua praatjes en vindingrijkheid niet voor hem onderdoet. Samen fantaseren ze over nieuwe ondernemingen, zoals een handeltje in schilderijen met communistische taferelen van mijnwerkers, staalsmelterijen of combines om te slijten aan de directeurs van nieuwe staatsboerderijen in de provincie. In de zwoele zomernacht ontkiemt er langzaam liefde tussen de twee.

Met Nadja komt er ook iets van moreel besef in het leven van onze vrije jongen. Dat blijkt als Tonda met zijn collega Bucifal aankomt bij de armlastige huidenverkoper Nulíček – een van de wonderlijkste gekneusde olijven in het verhaal – die op zijn schamele erfje zo’n beetje alle muren heeft beschilderd met de meest gruwelijke taferelen, die hij vol enthousiasme begint toe te lichten. Hrabal schetst de sfeer in deze parel van een zin:

‘Meneer Tonda beklom een ladder om ook naar de schilderingen te kijken die door het dakje van de veranda werden afgeschermd, en toen hij daarvandaan naar het erfje keek en die gevilde geit zag en de kippen die om die darmen vochten, die ze alle kanten op trokken, en de oude hond die nog steeds niet klaar was met pissen en die zijn achterpoot geheven hield alsof hij viool stond te spelen, en toen hij vervolgens de plee op het erfje zag waarvan de deur openstond, en hij op de planken aan de binnenkant roestbruine apen, makaken en bavianen zag geschilderd, alsof de schilder zijn penseel in de inhoud van die plee had gedoopt, toen begon meneer Tonda draaierig te worden en slaagde hij er niet in langs de sporten naar beneden te klauteren, maar gleed hij op zijn achterste zo in de armen van de huidenverkoper, die zijn natte lippen tegen het oor van de verzekeringsagent drukte en fluisterde: “Dat zijn allemaal variaties op m’n dromenboek, ’t zijn m’n eigen dromen.”’

Dan wordt het Tonda te veel: hij verklapt de huidenverkoper dat de premie bij lange na niet opweegt tegen het beloofde pensioen, en spoort hem aan zijn geld gewoon in verf te steken en door te schilderen. Tonda drukt Bucifal op het hart om sommige mensen met rust te laten. Die palmt vervolgens in de vrolijke bende van ‘Technisch laboratorium van droguerie de Witte Engel’ toch een apotheker in, maar Tonda komt niet meer tot een handtekening.

Zijn blijkgeven van wroeging, juist tegenover Bucifal, is wat Tonda aan het eind van het verhaal redt. Dat slot komt wat uit de lucht vallen, maar het lijkt erop dat ieder zijn gram krijgt.

Hrabals stijl is in deze verhalen behoudender dan in sommige van zijn andere werken, met hun kenmerkende stream of consciousness-stijl. Danslessen voor ouderen en gevorderden is zo’n werk, beroemd omdat het uit één zin van meer dan honderd pagina’s bestaat en ondanks de titel niet gaat over danslessen maar over een oud mannetje dat staat op te scheppen tegen een paar dames in bikini. Bij het voorlaatste hoofdstuk van Bambini di Praga zal het hart van iedere Hrabal-fan een sprongetje maken. Daarin krijgen we namelijk wél een dansles voor ouderen en gevorderden. Bij gebrek aan knappe dames, dansen de heren maar met elkaar, onder aanvoering van een even stellige als dronken dansleraar.

Bambini di Praga is qua sfeer een echt Hrabal-boek. Kees Mercks weet die, net als in zijn eerdere Hrabal-vertalingen, prachtig te vangen. Het leven van de personages is niet gemakkelijk, maar ze slaan zich er goedmoedig doorheen. De afwisseling van kluchten en klachten, en de milde spot waarmee de auteur zijn personages behandelt, zijn ook typisch Hrabal. Daarmee is Bambini di Praga niet alleen een verzameling vermakelijke verhalen maar ook een aansporing om de mensen om ons heen wat milder te benaderen en om waar het maar kan volop te genieten.

paul valery

Deze bespreking schreef ik voor de Nexus Leestafel.

Lees ook mijn bespreking van de Avondverhaaltjes voor Cassius de kat en Lieve Dubenka van Hrabal.

Posted by Thomas in Recensie, Tekst
Mary Shelley: tussen boeken en graven

Mary Shelley: tussen boeken en graven

Mary Shelley
Illustratie van Cheyenne Goudswaard
Mary Shelley: tussen boeken en graven

Mary Shelley (1797–1851) is een van de beroemdste auteurs aller tijden. Die faam heeft ze grotendeels te danken aan de verfilmingen van haar boek Frankenstein uit de jaren dertig, en de talloze spin-offs die daarop volgden. Maar die films doen eigenlijk geen recht aan de complexiteit van het boek. En wie denkt dat Shelley een schrijver van oppervlakkige horrorverhalen is, zit ernaast. Haar werken zijn doorleefd, en filosofisch en literair interessant.

Een belangrijk thema in Shelley’s romans Frankenstein en The Last Man, is de dood. In de victoriaanse tijd en het Romantische denken was de dood sowieso al een geliefd onderwerp, maar voor Shelley stond er meer op het spel. Wie haar levensverhaal kent, ontdekt een extra laag in Shelley’s verhalen.

 

Leven met de dood

Nog geen twee weken oud is Mary Wollstonecraft Godwin als haar leven voor het eerst wordt getekend door de dood. Op 30 augustus 1797, tegen middernacht wordt Mary geboren als dochter van de beroemde schrijvers-filosofen William Godwin en Mary Wollstonecraft. Maar de arts gaat onhygiënisch te werk bij de geboorte en bezorgt de moeder kraamvrouwenkoorts. Na elf zenuwslopende dagen waarin Wollstonecraft ziekelijk zweeft tussen leven en dood, noteert Godwin op 10 september tot zijn verdriet in zijn dagboek: ‘She expired at twenty minutes before eight.’ Ze wordt begraven op het kerkhof van Saint Pancras. Mary groeit op zonder moeder.

Voor de jonge Mary is het graf van haar moeder een soort schuilplaats waar ze hele dagen doorbrengt. Zeker als haar vader een aantal jaar na het overlijden van haar moeder trouwt met een buurvrouw, met wie Mary het niet kan vinden. Ze ontglipt het huis geregeld en verblijft bij het graf. Urenlang zit ze daar verscholen te lezen en probeert ze via boeken – zoals Wollstonecrafts beroemde Pleidooi voor de rechten van de vrouw – de moeder die ze nooit heeft ontmoet, toch te leren kennen.

In 1812, als Mary zestien is, dient de negentienjarige drieste dichter Percy Bysshe Shelley zich aan. Als groot bewonderaar van het werk van zowel Mary’s vader als moeder, zoekt Percy contact met Godwin. Percy is dan al getrouwd, maar als Romantische ziel gelooft hij ook in de vrije liefde. Zijn oog valt al snel op Mary, die op haar beurt smoorverliefd wordt op hem. Mary voert Percy vaak in het geheim mee naar het kerkhof waar haar moeder ligt. Ze wandelen en lezen er samen. Hun liefde bloeit op tussen de graven. Het verhaal gaat dat ze op het graf van Mary’s moeder zelfs voor het eerst de liefde bedrijven.

Nadat Percy – nog steeds een getrouwd man – in 1814 zijn liefde voor Mary ook bekend maakt aan haar vader, ontsteekt die begrijpelijkerwijs in woede. Samen met Mary’s stiefzusje Claire ontvluchten Percy en Mary Engeland en reizen door Frankrijk, Zwitserland en Duitsland.

Eenmaal terug van de reis is Mary zwanger. En dan, begin 1815, slaat de dood wederom toe. Op 22 februari bevalt Mary twee maanden te vroeg van een dochtertje, dat niet veel later overlijdt. Enkele dagen later schrijft Mary een veelzeggend en aangrijpend zinnetje in haar dagboek: ‘Dream that my little baby came to life again; that it had only been cold, and that we rubbed it before the fire, and it lived.’ Deze ervaringen, de dood van haar moeder en dochtertje, laten niet alleen diepe littekens achter in het leven van Mary, maar vinden ook hun weg in wat haar beroemdste roman zal worden.

Alsof dat nog niet genoeg is, wordt het stel nog drie keer geconfronteerd met het overlijden van een kind. Zoontje William wordt in 1816 geboren en zal nooit ouder worden dan drie en een half; dochtertje Clara wordt in 1817 geboren en overlijdt een jaar later al; en in 1822 krijgt Mary een miskraam waarbij ze bijna zelf het leven laat. Hun laatste zoon, Percy Florence Shelley, die in 1819 geboren wordt, overleeft zijn kindertijd en weet de zeventig te halen.

Dan verliest Mary in de zomer van 1822, niet lang na haar miskraam, haar geliefde. Percy en Mary verblijven in Lerici, aan de Italiaanse kust, in een huis aan zee. Het stel ruziet veel; Mary is er slecht aan toe en wordt geplaagd door nachtmerries en hallucinaties. Op een dag gaat Percy, ondanks slechte weersvoorspellingen, uit zeilen op zee. Hij wordt door een storm overvallen en weigert hulp van een ander schip.

Tien dagen later spoelt zijn levenloze lichaam aan op het strand. Mary schrijft: ‘I was never the Eve of any Paradise, but a human creature blessed by an elemental spirit’s company & love – an angel who imprisoned in flesh could not adapt himself to his clay shrine & so has flown and left it.’ In het bijzijn van zijn boezemvriend en collega dichter Lord Byron wordt Percy’s lichaam een maand later verbrand, waarna de as wordt begraven in Rome.

Voor de dood haar een aantal jaar met rust laat, heeft Mary nog één verlies te verwerken. Byron besluit in juli 1823 mee te strijden in de Griekse onafhankelijkheidsoorlog tegen Turkije. Op zoek naar avontuur en glorie verkoopt Byron een landgoed, stuurt hij geld richting een Griekse militie en reist hij vervolgens zelf af naar Griekenland om daar leiding te geven in het leger. Hoewel zijn steun de harten van de Grieken sneller en patriottischer doet kloppen en ook de Europese grootmachten de vrijheidsstrijd steunen, is het Byron niet gegund de uiteindelijke Griekse overwinning mee te maken. Op 19 april 1824 overlijdt hij aan koortsen, waarschijnlijk veroorzaakt door malaria.

Al die verliezen, die Mary al op zo jonge leeftijd krijgt te verduren, weet ze te verwerken in haar verhalen.

 

Frankenstein: de grens tussen leven en dood

Veruit het beroemdste werk van Shelley is natuurlijk Frankenstein. Het ontstaansverhaal van die roman is inmiddels haast even legendarisch als het boek zelf.

In de zomer van 1816 zijn Percy, Mary en Claire voor de tweede maal op het continent. Ze verblijven in Villa Diodati aan het meer van Genève, bij Lord Byron – met wie Claire een affaire heeft – en diens lijfarts John Polidori. Door de uitbarsting van een vulkaan in Indonesië is het weer die zomer zelfs tot in Europa ontregeld. Geen zon, dus het gezelschap blijft binnenshuis. Ter vermaak daagt Byron de aanwezigen uit om een spookverhaal te verzinnen. Uit deze uitdaging komen twee van de bekendste horrorfiguren aller tijden voort. Polidori werkt een verhaal uit over een vampier – met overigens verdacht veel trekjes van Byron – dat later een inspiratiebron zou worden voor Bram Stokers Dracula. Shelley bedenkt het monster van Frankenstein.

In 1818 verschijnt Frankenstein; or, The Modern Prometheus; in 1831 volgt een flink herziene versie. In haar voorwoord bij die tweede editie beschrijft Shelley het ontstaan van het verhaal in Villa Diodati:

Lord Byron en Shelley voerden vele en lange gesprekken, waarbij ik een devoot maar vrijwel zwijgend toehoorster was. Tijdens een van die gesprekken werden diverse filosofische doctrines bediscussieerd, onder andere de aard van het levensprincipe en de vraag of het ooit zou worden ontdekt en bekendgemaakt. (…) Misschien kon een lijk tot leven worden gebracht; het galvanisme had daar aanwijzingen voor gegeven; misschien konden de onderdelen van een schepsel worden vervaardigd, bijeengebracht, en begiftigd worden met levenswarmte.

In die tijd wordt er volop geëxperimenteerd met het tot leven wekken van dode materie. Het bekendste experiment is dat van Luigi Galvani, een natuurfilosoof uit Bologna, die met behulp van stroomstoten beweging krijgt in pootjes van dode kikkers. (Waarmee hij overigens geen kikkers tot leven wekt, maar wel het ‘galvanisme’ ontdekt: het samentrekken van spiertjes door elektrische geleiding.)

Die experimenten en het gesprek dat Percy en Byron erover hebben, brengen wat teweeg in de verbeelding van Mary. De nacht na het gesprek droomt ze onrustig en vraagt ze zich af: hoe moet het zijn om, tegen de regels van God in, zelf een wezen tot leven te wekken? Angstwekkend, waarschijnlijk. Dat wordt de insteek van haar spookverhaal.

In Frankenstein onderzoekt Shelley die vraag door de ogen van Victor Frankenstein, een jonge, Romantische medicus uit Genève die bezeten raakt van de (al)chemie en het geheim van leven. Koortsachtig doet Frankenstein zijn proeven met lichaamsdelen die hij uit een knekelhuis heeft ontvreemd. Zijn motief omschrijft hij zelf als volgt:

Leven en dood leken mij ideale grenzen, die ik moest doorbreken om een stortvloed van licht in onze donkere wereld te brengen. Een nieuwe soort zou mij zegenen als zijn schepper en bron; vele gelukkige, voortreffelijke wezens zouden hun bestaan aan mij te danken hebben. Geen vader zou zoveel aanspraak kunnen maken op de dankbaarheid van zijn kind als ik die van hen zou verdienen. Voortbordurend op deze overpeinzingen dacht ik dat ik, als ik leven kon schenken aan levenloze stof, mettertijd (het scheen me op dat moment onmogelijk) leven zou kunnen terugbrengen waar de dood het leven kennelijk al aan ontbinding had overgegeven.

En dan, ‘op een sombere avond in november’, lukt het Frankenstein een lichaam tot leven te wekken. Terwijl de regen troosteloos tegen de ramen klettert, opent het wezen zijn doffe gele ogen en begin hij met schokkend oor zijn hele lichaam te ademen. In de rest van de roman werkt Shelley de morele consequenties uit van deze schepping.

Vanaf de eerste moeizame ademtocht van het schepsel, is Frankenstein vol afschuw over zijn creatie en bestempelt hij het wezen als een gruwelijke mislukking. Hij laat zijn schepping aan zijn lot over. Het wezen weet zichzelf op wonderbaarlijke wijze op te voeden, door het observeren van de eenvoudige en vredelievende familie De Lacey en door boeken te lezen. Maar als hij door zijn afzichtelijke uiterlijk door het gezin wordt verstoten en als Frankestein weigert voor hem een vrouw te maken, neemt het wezen wraak op zijn schepper en slaat hij aan het moorden.

De vraag die het verhaal oproept is: was dit project, de poging de dood te overwinnen, van meet af aan gedoemd te mislukken of ligt de fout elders? En in het verlengde daarvan de tijdloze vragen: in hoeverre ligt de morele verantwoordelijkheid voor bepaalde keuzes en handelingen bij het individu, bij de opvoeding of bij de sociale omgeving?

Shelley geeft geen eenduidig antwoord op die vragen. Maar buiten kijf staat dat ze voortkomen uit haar eigen leven. In Frankensteins schepping zien we Shelley’s intellectuele interesse in de wetenschap versmelten met haar persoonlijke verlangens.

 

The Last Man: wat als geliefden sterven?

De verliezen die Shelley voor haar kiezen kreeg, spelen ook in haar minder bekende meesterwerk, The Last Man, een belangrijke rol.

In 1824, als Shelley werkt aan het boek, is ze naast haar moeder en eerste kind ook haar zoontje William, dochtertje Clara en man Percy verloren. Ze schrijft op 14 mei in haar dagboek: ‘The last man! Yes I may well describe that solitary being’s feelings, feeling myself as the last relic of a beloved race.’ De dag erna krijgt ze te horen dat ook Byron is overleden, wat haar gevoel van eenzaamheid alleen maar versterkt.

Rond de eeuwwisseling hebben andere auteurs al verhalen gepubliceerd over de laatste mens op aarde. Shelley is dus niet de werkelijke grondlegger van dit genre. Maar het mag duidelijk waarom juist die figuur haar persoonlijk aan het hart gaat en wat haar beweegt om The Last Man te schrijven.

De hoofdpersoon van de roman is Lionel Verney, een ruwe herdersjongen die zich ontwikkelt tot een gecultiveerd man die mee kan draaien in de hoogste elite van het land. Dat land is Engeland in de 21e eeuw; maar behalve dat Engeland dan een jonge republiek is, lijkt er weinig veranderd in de wereld.

Lionel groeit op met zijn zus Perdita – die lijkt op Shelley’s stiefzusje Claire – op het platteland. Hij wordt eerst op sleeptouw genomen door Adrian – gemodelleerd naar Percy – graaf van Windsor en bovendien de zoon van de voormalige koning, en later ook door Lord Raymond – gemodelleerd naar Byron – een avontuurlijke aristocraat die enorm rijk is geworden door zijn rol als legerleider in de Grieks-Turkse oorlog. Het eerste deel staat in het teken van de strijd tussen de sympathieke filantroop Adrian en de flamboyante politicus Raymond, tot beide heren uiteindelijk de beste vrienden worden en Perdita een romantische verhouding krijgt met Raymond. Dan komt er plots een verontrustend bericht. Er is een pestepidemie uitgebroken rond de Nijl. Het gevaar lijkt aanvankelijk ver weg, maar vanaf dat moment gaat alles langzaam maar zeker bergafwaarts.

Raymond vertrekt wederom naar het Griekse front. Ditmaal om Constantinopel te veroveren. Maar als blijkt dat de pest daar zijn intrede heeft gedaan, glippen Turkse soldaten stiekem de belegerde stad uit en durven Raymonds troepen de stad niet in te nemen. Raymond denkt dan zelf besmet te zijn, maar wuift het gevaar weg – ‘Does not the plague rage each year in Stamboul?’, tegenwoordig zou men zeggen ‘het is maar een griepje’. Koppig trekt hij in zijn eentje toch de stad binnen, om dan zelf maar de christelijke vlag te hijsen op de moskee.

In een bloedstollende en fantastisch geschreven scène, zoekt Lionel naar Raymond in de brandende en ineenstortende stad. Hij gaat af op het geblaf van Raymonds hond en dat leidt hem naar het levenloze, verminkte lichaam van zijn vriend. En zo vindt Raymond – net als Byron een Griekse legerheld en besmet met een dodelijke ziekte – toch de dood.

De pest houdt huis in de wereld en zaait overal dood en verderf. Adrian neemt de leiding over de overlevende Britten, die besluiten een desolaat en bevroren Engeland te ontvluchten richting het mildere klimaat van Italië. Overal om Lionel heen vallen steeds meer mensen ten prooi aan de pest. Na vele omzwervingen, met onder meer religieuze fanatici en een aangrijpende scène waarin een zieke dochter orgel speelt voor haar blinde vader, komt uiteindelijk ook Adrian aan zijn einde. Hij vergaat – net als Percy – in een storm voor de Italiaanse kust. Lionel blijft eenzaam achter op de wereld.

De autobiografische aspecten in The Last Man zijn, net als bij Frankenstein, slechts één laag in het verhaal. Maar wel een laag die voor Shelley diepte en betekenis geeft aan de filosofische vragen die ze onderzoekt: wat betekenen menselijkheid en kunst nog als samenlevingen uiteenvallen? Wat is het leven nog waard als je al je geliefden verliest? Waar vinden we hoop in extreme omstandigheden, te midden van onheil?

februari 2020
 
Ter ere van de 170e sterfdag van Mary Shelley schreef ik dit artikel. Karakters.nu publiceerde het.
 
Lees verder
Lees ook mijn bespreking van Prelude van William Wordsworth, en mijn stuk over Margaret Cavendish.
Posted by Thomas in Artikel
2020 in boeken

2020 in boeken

2020 in boeken. Voor de liefhebbers van eindejaarslijstjes met boeken hier mijn lijstje met titels waar ik dit jaar iets over schreef.

Hrabal

Avondverhaaltjes voor Cassius de kat – Hrabal

Er valt veel te lachen en genieten als Hrabal associeert, wegdroomt en het ene na het andere verhaaltje vertelt aan zijn lievelingskat.

Lees de beknopte bespreking die ik in februari schreef van Avondverhaaltjes voor Cassius de kat van Bohumil Hrabal: een klein maar fijn boekje van een van mijn lievelingsauteurs.

Is dit een mens – Primo Levi

Ter gelegenheid van 75 jaar bevrijding van Auschwitz schreef ik voor Karakters.nu een stuk over het belang van Primo Levi. Zijn Is dit een mens? is een van de meest aangrijpende boeken die ik las. Aan de hand van het denken van Avishai Margalit beschouwde ik het werk. Lees het stuk hier.

Prelude Wordsworth

Prelude – William Wordsworth

Wekenlang aan huis gekluisterd, net op het moment dat de lente in volle hevigheid losbarst: dat doet wat met je. Je hoort plots de vogels luider zingen, ruikt de bloesems sterker en ziet het kwetsbare groen net iets eerder aan de bomen verschijnen. Precies het juiste moment voor de Nederlandse vertaling van William Wordsworths Prelude van de hand van dichter Jan Kuijper.

Lees het stuk dat ik tijdens de eerste coronalockdown schreef over Prelude.

De egel en de vos – Isaiah Berlin

‘De tekst loopt vloeiend, nergens heb je de indruk dat je een vertaling zit te lezen – complimenten aan Thomas Heij.’ – Fleur Jongepier in Trouw.

In juni verscheen voor mij het belangrijkste boek van het jaar: mijn vertaling van De egel en de vos. Het werd lovend ontvangen in de pers, ik werd geïnterviewd voor een podcast en binnen een paar weken was er al een tweede druk.

Radetzkymars

Radetzkymars – Joseph Roth

Ondergangsliteratuur kan prachtig zijn. Dat bewijst Radetzkymars van Joseph Roth. Het boek verhaalt over de ondergang van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie, aan de hand van de lotgevallen van drie telgen uit de eenvoudige familie Trotta.

Dit jaar verscheen een nieuwe vertaling van Joseph Roths klassieker Radetzkymars. Lees hier mijn bespreking.

De mooiste tijd van je leven – Toske Andreoli

Wie naar buiten in plaats van naar binnen kijkt, ziet andere mogelijkheden en leert dat de eigen situatie minder uniek is dan hij dacht. Er is niets mis met je.

In 2020 verscheen De mooiste tijd van je leven, van mijn vriendin Toske Andreoli. Een filosofische beschouwing op de universiteit en psychische klachten bij studenten, met een kritische analyse van onze gehele samenleving en enkele oplossingsrichtingen. Aan mij was de eer om het omslag te ontwerpen.

De crisis van de geest – Paul Valéry

Wat zouden Paul Valéry en Johan Huizinga, die zelf net misgrepen, hebben gedacht van de Nobelprijs voor Literatuur voor Bob Dylan?

Sinds ik de Cahiers van Valéry las, ben ik in deze Franse denker geïnteresseerd geraakt. Dit jaar verscheen er een mooi bundeltje getiteld De crisis van de geest, met Nederlandse vertalingen van drie lezingen van Valéry. Lees hier mijn bespreking.

Posted by Thomas in Tekst

De crisis van de geest

De crisis van de geest
Bespreking van ‘De crisis van de geest’ van Paul Valéry
Nexus Leestafel, december 2020

Victor Klemperer, filoloog van Joodse komaf, maakte in augustus 1935 in zijn geheime dagboek een aantekening over Europa. Klemperer had berichten ontvangen van een naar Lima gevluchte collega aan de universiteit van Istanboel en van zijn neef Walter, die in Jeruzalem woonde. De eerste schreef dat hij heimwee had naar Europa; de tweede (nota bene vanuit Café Europa) dat Jeruzalem hem juist heel Europees voorkwam. De neef begreep Europa beter dan de collega, vond Klemperer, omdat de heimwee van de laatste verbonden was met de geografische plek.

Een dag later noteerde Klemperer:

Ik ben nooit langer dan een dag trots geweest op een vondst; dan loop ik leeg, want dan – het lot van de filoloog – schiet me te binnen waar ik die vondst vandaan heb. De idee Europa is ontleend aan Paul Valéry (…) Valéry heeft in zijn rede in Zürich in 1922 de afstandneming van de Europese ruimte duidelijk uitgesproken. Voor hem bestaat Europa overal waar de drie-eenheid Jeruzalem, Athene en Rome is doorgedrongen (…) Hoe kun je heimwee hebben naar een Europa dat het niet meer is?

Europa in de ogen van Klemperer, zijn neef en Paul Valéry is een bepaalde geest, een idee, een ideaal, en niet gebonden aan een specifieke plek.

De betreffende voordracht verscheen onlangs in nieuwe vertaling bij uitgeverij Vleugels, die in een paar jaar een fantastisch fonds voor fijnproevers heeft opgebouwd, met ook uitgaves van Valéry’s Meneer TesteKlaaglied van Psyche en Tien charmes. Deze nieuwe uitgave bevat ‘De crisis van de geest’, ‘Ons lot en de letteren’ uit 1937 en ‘De vrijheid van de geest’ uit 1939, in mooie Nederlandse volzinnen van Piet Meeuse.

‘De crisis van de geest’ opent met de beroemde woorden ‘Nous autres, civilisations, nous savons maintenant que nous sommes mortelles’ – door Meeuse iets ingekort tot ‘Wij beschavingen weten nu dat we sterfelijk zijn.’ Met andere woorden, zegt Valéry, de Eerste Wereldoorlog was niet alleen een militaire en politieke crisis, maar ook een crisis van de Europese geest.

Die Europese geest bestaat volgens Valéry uit drie delen. Ten eerste die van Rome: ‘overal waar het gewicht van het Romeinse zwaard zich heeft doen voelen, overal waar de majesteit van de instituties en de wetten, waar het apparaat en de waardigheid van de magistratuur erkend zijn geweest en gekopieerd, soms zelfs op bizarre manier nageaapt – daar is iets Europees.’

Later kwam bij dit politieke en publieke model de invloed van het christendom, dat er een geloof en moraal aan toevoegde. Een derde invloed completeert de Europese geest: het Griekse, dat wil zeggen logische en wetenschappelijke, denken.

Die Europese geest heeft volgens Valéry zo’n beetje al het goede in de wereld voortgebracht. Dat klinkt nu misschien arrogant en extreem eurocentrisch, maar zo vlak na de Grote Oorlog was het voor Valéry vermoedelijk eerder een verdediging van de underdog of een elegie. Bovendien probeerde hij aandacht te vragen voor een vergeten aspect: de economische, politieke en militaire crisis van Europa zag men wel, maar de culturele crisis, de crisis van de geest, die zag men over het hoofd.

Valéry’s klacht werd gehoord door andere interbellumintellectuelen van naam, zoals Julien Benda, Karl Jaspers, Stefan Zweig, Stephen Spender en in Nederland Johan Huizinga. In de jaren dertig schreef Valéry meerdere essays en was hij voorzitter van internationale conferenties over de Europese geest. Allemaal in een poging die geest te definiëren en beschermen, om zo te voorkomen dat de chaos en verschrikkingen van de oorlog zouden terugkeren.

‘Ons lot en de letteren’ is een van die lezingen, waarin we Valéry zien terugverlangen naar de orde van weleer en worstelen met de snelheid en veranderingen van de moderniteit. Hij betreurt het vooral dat er in deze samenleving niet langer gestreefd wordt naar werken voor de eeuwigheid. Valéry vliegt even uit de bocht wanneer hij profeteert dat radio-uitzendingen en geluidsopnames op platen het geschreven woord voorgoed zouden vervangen:

‘Nu al kunnen we ons afvragen of een zuiver orale en auditieve literatuur niet op vrij korte termijn de geschreven literatuur zal vervangen. Dat zou een terugkeer zijn naar de meest primitieve tijden (…)’

Het past perfect in die tijd en doet denken aan Huizinga, die een paar jaar eerder in In de schaduwen van morgen meende te bespeuren dat het ‘vulgaire radiogebruik’ een ernstige bedreiging vormde voor het leven van de geest, het geschreven woord en dus de cultuur. Wat zouden zij, die zelf net misgrepen, hebben gedacht van de Nobelprijs voor Literatuur voor Bob Dylan?

In ‘De vrijheid van de geest’ verduidelijkt Valéry iets meer wat hij bedoelt met ‘geest’: ons ‘vermogen tot transformatie, dat wordt toegepast op dingen die ons omringen’. De geest is een waarde die in sommige regio’s meer vrijheid kreeg dan in andere. Valéry doelt dan uiteraard op Europa en neemt ons weer mee in zijn verhaal van de ‘beschavingsmachine’ van de Middellandse Zee en de Middeleeuwse kloosters. Tot slot spreekt hij de hoop uit dat Frankrijk een ‘conservatorium’ ter bewaring van waardevolle tradities en verfijnde cultuur zal zijn. Maar het is dan 1939, en Valéry voelt dat hij in een ‘onweerachtige atmosfeer’ spreekt en zijn hoop waarschijnlijk vergeefs is.

De vraag is, tot slot, hoe actueel Valéry nog is. Naast de waarde als tijdsdocument en retorisch hoogstandje, ligt de hedendaagse betekenis van deze lezingen in de oproep om Europa te begrijpen als geest, cultuur of idee, als iets dat – zoals Klemperer al schreef – niet gebonden is aan een plek. Ook in onze tijd is dat nodig, want nog steeds gaat de meeste aandacht uit naar economie, politiek en landsgrenzen, en nog steeds bestaan dezelfde duistere krachten die leidden tot verdeeldheid en chaos.

 

paul valery

Deze bespreking schreef ik voor de Nexus Leestafel.

Lees ook mijn bespreking van de Cahiers van Valéry

Posted by Thomas in Recensie
Scheet vol trots

Scheet vol trots

Scheet vol trots
scheet vol trots
Een brief aan de Koninklijke Academie te Brussel
Benjamin Franklin

Heren,

Ik heb gekeken naar uw recente wiskunde prijsvraag voor komend jaar, die in de plaats komt van een natuurfilosofische prijsvraag en luidt:

Une figure quelconque donnee, on demande d’y inscrire le plus grand nombre de fois possible une autre figure plus-petite quelconque, qui est aussi donnee. (Teken binnen een willekeurige figuur die is gegeven zo vaak mogelijk een kleinere willekeurige figuur die is gegeven.)

Ik was verheugd om uit de volgende woorden – ‘l’Acadeemie a jugee que cette deecouverte, en eetendant les bornes de nos connoissances, ne seroit pas sans utilite’ (de Academie is van mening dat deze ontdekking, door het verleggen van de grenzen van onze kennis, niet zonder nut zal zijn) – op te maken dat ‘nut’ van essentieel belang is in uw onderzoekingen – wat niet altijd het geval is geweest bij alle academies. Ik kom daarom tot de conclusie dat u déze vraag hebt uitgeschreven in plaats van een vraag met betrekking tot de filosofie of, zoals geleerden het noemen, het ‘fysieke’, omdat u destijds geen dergelijke vraag kon verzinnen die zou leiden tot een antwoord met meer ‘nut’.

Staat u me toe er in alle bescheidenheid een voor te stellen van dat soort, te uwer overweging en, via u – als u ermee instemt – ook voor serieus onderzoek van alle geleerde fysici, chemici, enzovoorts, van deze verlichte tijd.

Het is algemeen bekend dat het verteren van ons alledaagse voedsel in de darmen van menselijke wezens leidt tot het ontstaan of de productie van een grote hoeveelheid wind.

Dat het laten ontsnappen van dit gas en het te laten vermengen met de lucht om ons heen doorgaans aanstootgevend is voor gezelschap, vanwege de onaangename geur die ermee gepaard gaat.

Dat ieder welopgevoed mens er, om die aanstoot te vermijden, alles aan doet om de natuurlijke drang zich te verlossen van deze wind tegen te houden.

Dat onnatuurlijk ophouden op deze manier niet alleen geregeld tot veel acute pijn leidt, maar dikwijls ook tot toekomstige ongemakken zoals kolieken, breuken, tympanie, enzovoorts, die vaak slecht voor de conditie en soms zelfs levensbedreigend zijn.

Zonder die aanstootgevende walgelijke walm die er bij zulke ontsnappingen komt kijken, zouden ook beschaafde personen er in gezelschap net zo weinig moeite mee hebben een dergelijke wind te laten schieten als bijvoorbeeld met spugen of het snuiten van de neus.

Mijn prijsvraag is dus:

Ontwikkel een soort medicijn, dat heilzaam en niet onsmakelijk is, dat kan worden verwerkt in ons alledaagse voedsel of in een saus, en dat ervoor zorgt dat de natuurlijke ontluchting van wind uit ons lichaam niet alleen geen aanstoot geeft, maar zelfs een aangenaam geurtje krijgt.

Dat dit geen chimerische, onuitvoerbare onderneming is, mag blijken uit de volgende overwegingen. We beschikken reeds over enige kennis van de wijze waarop we die geuren zouden kunnen veranderen. Wie oud vlees eet, vooral met veel ui, zal in staat zijn een stank te produceren die geen enkel gezelschap kan verdragen; terwijl wie een tijdje alleen op groentes heeft geleefd, een zucht zal voortbrengen die zo zuiver is dat hij zelfs de meest gevoelige neus ontgaat; en als wie het voor elkaar krijgt dat niemand het opmerkt, kan overal zorgeloos zijn ongemak laten vliegen. Maar aangezien er veel mensen zijn voor wie een volledig vegetarisch dieet onaangenaam zou zijn, en aangezien een beetje ongebluste kalk in de poepdoos een wonderbaarlijke hoeveelheid stank die opstijgt uit de enorme massa rottend materiaal op dergelijke plekken verhelpt en het best aangenaam laat ruiken, heeft wat kalkpoeder (of iets soortgelijks) in ons eten, of een glas kalkwater bij het avondeten misschien wel dezelfde uitwerking op het gas dat ontstaat en voortkomt uit onze darmen. Dit is een experiment waard. Bovendien staat het vast dat we in staat zijn om betrekkelijk eenvoudig de geur van een andere vorm van ontlasting te veranderen, namelijk die van onze plas. Het eten van een paar aspergestengels geeft onze urine een onaangename geur, en een pilletje terpentijn niet groter dan een erwt geeft er juist een aangename geur van viooltjes aan. En waarom zou men denken dat er in de natuur wel een middeltje is dat een parfum maakt van onze plas maar niet van onze winden?

Ga maar na, ter bemoediging van dit onderzoek (naast de eeuwige roem die de uitvinder redelijkerwijs kan verwachten), hoe weinig baat de mens heeft gehad of hoe weinig mensen baat hebben gehad bij de wetenschappelijke uitvindingen waaraan filosofen tot nu toe hun roem hebben ontleend. Zijn er vandaag de dag in heel Europa twintig mensen te vinden die zich gelukkiger of gerieflijker voelen door de kennis die ze hebben ontleend aan Aristoteles? Welke troost kunnen de wervelingen van Descartes bieden aan iemand met wervelstormen in zijn darmen? Kan kennis van Newtons wet van de onderlinge aantrekkingskracht van deeltjes iets van comfort geven aan iemand die wordt geplaagd door hun onderlinge afstotingskracht en de vreselijke spanningen die dat veroorzaakt? Weegt het plezier dat een paar filosofen ervaren als ze een enkele keer in hun leven zien hoe lichtstralen ontrafeld en in zeven kleuren gescheiden worden door Newtons prisma werkelijk op tegen de ontspanning en het gemak dat ieder levend mens zeven keer per dag mag ervaren door vrijelijk gas te laten ontsnappen uit zijn darmen? Vooral als het wordt omgezet in een parfum, want de geneugten van het ene zintuig doen maar weinig onder voor die van een ander, en in plaats van het plezier van de aanblik kan hij plezier scheppen in de geur van degenen om hem heen en op zijn beurt weer vele anderen verblijden, wat voor een welwillende geest eindeloos veel voldoening moet opleveren. De vrijgevige ziel, die nu probeert te achterhalen of zijn vrienden meer houden van een clairet of bourgogne, champagne of madera, zal dan vragen of ze houden van de geur van muskus of lelie, rozen of bergamot, en die vervolgens verschaffen. En deze ‘persvrijheid’ en de gelegenheid om elkaar te behagen is toch zeker van oneindig groter belang voor het menselijk geluk dan de vrijheid van drukpers of het recht elkaar te beledigen, waar de Engelsen hun leven voor in de waagschaal leggen.

Kortom, eenmaal ontwikkeld zou deze uitvinding ervoor zorgen dat filosofie, zoals Bacon schrijft, ‘de zaken en de ziel der mensen raakt’. En ik kan niet anders dan concluderen dat, aangaande het algemeen en blijvend ‘nut’, hiermee vergeleken de wetenschap van de eerder genoemde filosofen – ja, heren, zelfs zonder toevoeging van uw ‘willekeurige figuur’ en de daarin getekende figuren – alles bij elkaar haast geen kont waard zijn.

 

Benjamin Franklin schreef deze brief in 1781, als ambassadeur in Frankrijk en gerenommeerd denker. Franklin verzond de brief niet naar de Academie in Brussel, maar wel naar enkele vrienden, waaronder Joseph Priestley die onderzoek deed naar gassen. Het Engelse origineel, bekend als ‘Fart proudly’, is onder meer hier te vinden.

Vertaling: Thomas Heij, november 2020.
Lees ook mijn andere vertalingen en teksten.

Posted by Thomas in Tekst, Vertaling
Radetzkymars

Radetzkymars

radetzkymars
Bespreking van Radetzkymars van Joseph Roth
Nexus Leestafel, juli 2020

Ondergangsliteratuur kan prachtig zijn. Dat bewijst Radetzkymars van Joseph Roth. Het boek verhaalt over de ondergang van de Oostenrijks-Hongaarse monarchie, aan de hand van de lotgevallen van drie telgen uit de eenvoudige familie Trotta. Onlangs verscheen een gloednieuwe Nederlandse vertaling. Dus is de vraag: wat maakt dit werk nog steeds zo aansprekend en is het een goede vertaling?

De grote lijn is simpel. Het begint met een incident bij Solferino. Als kapitein Joseph Trotta min of meer per ongeluk het leven van keizer Franz Jozef redt door een kogel te vangen, wordt hij als ‘held van Solferino’ tot de adelstand verheven. Hoofdpersoon Carl Joseph von Trotta, kleinzoon van de held en zelf luitenant, werkt zich jaren later met alcohol, gokken en verleidelijke vrouwen lelijk in de nesten. Daardoor moeten zijn strenge vader, het districtshoofd Franz von Trotta, en hij een beroep doen op de keizer, in de hoop dat hun familienaam nog een belletje doet rinkelen. In feite is dat de plot.

Maar meer dan om de plot draait het boek om iets anders. Roth toont zijn brille vooral in het schetsen van het verval van de oude wereld en het scheppen van bijbehorende personages.

De sfeer is melancholisch, bij vlagen zelfs lekker sentimenteel. Je ziet als lezer enerzijds de voordelen van het vreedzame, geordende leven in Centraal-Europa, maar voelt anderzijds ook de benauwende kanten van het ingedutte keizerrijk. Met name de steile, conservatieve Franz von Trotta blijft koppig vasthouden aan de bestaande orde, al kan ook hij uiteindelijk niet ontkennen dat de tijden veranderen. De beschrijving van zijn worsteling is misschien wel het knapste onderdeel van de roman.

Opvallend is niet alleen Roths melancholische wereldbeeld maar ook zijn milde mensbeeld. Ja, de starheid van het districtshoofd en de onnozelheid van de luitenant worden bespot, maar telkens met mededogen. Ja, ze hebben hun karakterfouten – trots, koppigheid, jaloezie, noem maar op – en die legt Roth ook bloot, maar steeds met genade. Je blijft ze sympathiek vinden. Je blijft hopen dat het allemaal goed komt. Dat zit hem in Roths stijl, de milde ironie die daaruit klinkt.

Die geweldige stijl maakt Radetzkymars niet alleen grootse literatuur, maar ook een uitdagende klus voor een vertaler. Onlangs verscheen er een nieuwe vertaling van de hand van Els Snick. Snick promoveerde op Roth en zet zich al jaren succesvol in voor het populariseren van Roth in het Nederlands taalgebied, onder meer door vertalingen, publicaties en als voorzitter van het Joseph Roth Genootschap.

Niet verwonderlijk dat juist zij een nieuwe vertaling van Radetzkymars verzorgt. Toch is deze nieuwe vertaling verrassend, want, zoals Snick ook schrijft in haar nawoord, er bestond al een vertaling die nog verkrijgbaar is. Die werd weliswaar al in 1980 gemaakt door Willy Wielek-Berg, maar is in 2009 herzien door Elly Schippers, die ook al menig Roth-vertaling op haar naam heeft.

Een korte vergelijking, aan de hand van een paar mooie fragmenten. Neem deze prachtige karakterschets van de oudste Trotta in het eerste hoofdstuk:

‘[N]ur der Zorn, der ihn manchmal ergriff, hätte einen Kenner der Menschen ahnen lassen, daß auch in der Seele des Hauptmanns Trotta die nächtlichen Abgründe dämmerten, in denen die Stürme schlafen und die unbekannten Stimmen namenloser Ahnen.’

‘[A]lleen de woede die hem soms overviel, had een mensenkenner kunnen doen vermoeden dat ook in de ziel van kapitein Trotta de duistere afgronden gaapten waarin de stormen en de onbekende stemmen van naamloze voorvaderen slapen.’ (Schippers, p. 13)

‘[A]lleen de woede waarin hij soms ontstak, kon een mensenkenner doen vermoeden dat ook de ziel van kapitein Trotta de donkere krochten kende waarin stormen sluimerden en onbekende stemmen van naamloze voorvaderen rustten.’ (Snick, p. 20)

Snick heeft dan wel twee werkwoorden nodig voor het Duitse ‘schlafen’, maar spreek ‘donkere krochten kende’ en ‘stormen sluimerden stemmen’ maar eens hardop uit, en je hoort hier ook winst.

Heel wat verder in het boek, in hoofdstuk veertien, treffen we de jongste Trotta in een benarde situatie. Roth gunt zijn personages zo nu en dan een lucide moment:

‘Den Leutnant ergriff eine dunkle Ahnung vom Untergang der Welt. […] Für die Dauer eines einzigen hurtigen Augenblicks kam über den Leutnant die erhabene Kraft, in Bildern zu schauen; und er sah die Zeiten wie zwei Felsen gegeneinanderrollen, und er selbst, der Leutnant, ward zwischen beiden zertrümmert.’

‘De luitenant kreeg een vaag voorgevoel van de ondergang van de wereld. […] Gedurende één kort ogenblik was de luitenant de verheven kracht gegeven in beelden te zien, en hij zag de tijden als twee rotsblokken naar elkaar toe rollen en hijzelf, de luitenant, werd ertussen vermorzeld.’ (Schippers, p.243)

‘De luitenant werd gegrepen door een somber voorgevoel van het einde van de wereld. […] En voor de duur van een kort ogenblik had de luitenant de verheven kracht in beelden te zien, en hij zag de tijden als twee rotsblokken naar elkaar toe schuiven en hijzelf, de luitenant, werd tussen die rotsblokken vermorzeld.’ (Snick, p.282)

Hier komt juist de oude vertaling beter uit de verf: een ‘somber’ voorgevoel van het einde van de wereld lijkt mij dubbelop; ‘gedurende’ is beknopter dan ‘voor de duur van’, en de rotsblokken ‘rollen’ tegen elkaar. De strekking blijft hier bij beide vertalingen hetzelfde.

Maar soms is er toch ook een klein verschil in betekenis. Zoals iets verderop in het verhaal, als luitenant Von Trotta verlangt naar de oudere mevrouw Von Taussig:

‘Man hörte nichts von der Frau. Man sehnte sich nach ihr. Man trank einen Neunziggrädigen, und man sehnte sich noch mehr, aber es war schon jener wohltätige Grad der Sehnsucht, der es gestattet, ein bißchen zu weinen. Die Tränen lagen in der letzten Zeit ganz locker unter den Augen.’

‘Hij hoorde niets van de vrouw. Hij verlangde naar haar. Hij dronk een negentiger en het verlangen werd nog heviger, maar het was ook al die weldadige graad van verlangen waarbij het is toegestaan een beetje te huilen. De tranen zaten de laatste tijd wel erg los.’ (Schippers, p. 328-9)

‘Hij hoorde niets meer van mevrouw Von Taussig. Hij miste haar. Hij dronk een negentiger en verlangde naar nog één, maar het was al een mate van verlangen die hem makkelijk aan het huilen kon brengen. De tranen zaten de laatste tijd aan de oppervlakte.’ (Snick, p. 374-5)

Waarnaar verlangt de luitenant hier precies? Naar zijn geliefde, naar meer drank, of naar beide misschien? Bij Snick is het antwoord eenduidig: ‘nog één’ – vermoedelijk ‘nog een negentiger’ – maar dat lees je niet bij Roth en dat lost de andere vertaling wél goed op. Ook de stijl van de eerdere vertaling past hier beter: de zinsneden over de tranen zijn bij de nieuwe vertaling veel vlakker.

De versie van Snick is in de meeste gevallen net iets moderner dan die van Schippers: in namen is de Ringel-S vervangen; ‘placht’ wordt ‘zoals hij altijd deed’, ‘toorn’ wordt ‘boosheid’, ‘vreugde’ wordt ‘blijdschap’; en ‘flonkeren van sterren’ en ‘fluwelen blauw van de nacht’ wordt ‘sterrengeflonker’ en ‘de fluweelblauwe nacht’.

Over het algemeen ontlopen de vertalingen elkaar niet veel. In veel gevallen is het een kwestie van smaak. Hoewel de oude vertaling dus niet per se aan vervanging toe was, is de nieuwe versie evengoed een mooie hardcoveruitgave met een heldere vertaling in hedendaags Nederlands.

Radetzkymars
Deze bespreking schreef ik voor de Nexus Leestafel.

Lees ook mijn artikel over De Toverberg van Thomas Mann.

Posted by Thomas in Recensie, Tekst
Prelude

Prelude

prelude van william wordsworth
Bespreking van William Wordsworth
Nexus Leestafel, juni 2020

Wekenlang aan huis gekluisterd, net op het moment dat de lente in volle hevigheid losbarst: dat doet wat met je. Je hoort plots de vogels luider zingen, ruikt de bloesems sterker en ziet het kwetsbare groen net iets eerder aan de bomen verschijnen. Parken, bossen, duingebieden zijn aantrekkelijker dan ooit en worden overspoeld door bezoekers. Precies het juiste moment voor de Nederlandse vertaling van William Wordsworths Prelude van de hand van dichter Jan Kuijper.

Wordsworth was namelijk iemand die in een permanent ontluikende lente leek te leven: een waarnemer met een sterk verhoogde sensitiviteit voor natuurlijk schoon. Die verrukkingen wist hij, met Samuel Coleridge, zodanig te vangen in Lyrische balladen dat met hen de Engelse Romantiek begon. Klassieke dichtvormen maakten plaats voor een lofzang in blank vers op de verbeelding, de schoonheid en het sublieme van de natuur, en het eenvoudige bestaan van herders en dorpelingen.

In een enorm werk getiteld The Recluse , ‘De kluizenaar’, wilde Wordsworth zijn ontwikkeling als dichter optekenen. The Prelude; or, Growth of a Poet’s Mind moest daarvoor de opmaat worden – vandaar ook de titel. In meer dan veertig jaar schrijven en schaven maakte Wordsworth zeker zeventien versies van The Prelude, dat op zichzelf al veertien beknopte boekdelen zou beslaan. De Nederlandse vertaling is gebaseerd op Wordsworths versie uit 1805 en bevat dertien delen. Het geheel van The Recluse wist Wordsworth echter niet te voltooien.

Expert hebben behoorlijk veel geschreven over de verschillen versies, de plek van The Prelude in The Recluse en in Wordsworth gehele oeuvre. Maar als leek hoef je je daardoor niet te laten afschrikken. Ook zonder specialistische kennis valt er genoeg te genieten, als je je laat meevoeren op de beeldenstroom van Wordsworth.

Hij schetst zijn jeugd, met opvoeding in de natuur en studie in Cambridge in boek 1 tot en met 7; zijn liefde voor de mens in boek 8; zijn aanvankelijke enthousiasme voor en latere teleurstelling in de Franse Revolutie in boek 6, 9 en 10; en algemenere beschouwingen op de verbeelding en zijn dichterschap in boek 11, 12 en 13.

Hoe langer je leest, hoe meer je erachter komt dat het Wordsworth niet zozeer te doen was om dingen in de natuur, de boeken die hij las of de Franse Revolutie – zelfs niet om de gebeurtenissen in zijn leven. Wordsworth probeert in Prelude steeds in herinnering te brengen hoe dat alles hem als dichter vormde. In het derde boek benoemt hij dat expliciet:

(…) mijn thema was
wat er in mij gebeurde! Niet om dingen
gericht op andermans gemoed, als woorden,
tekens, symbolen, acties, maar om ’t eigen
hart ging het, en mijn jeugdige gemoed.

Het ging hem om de groei van zijn dichtersgeest; de ‘leerschool en volgroeiing van ’t dichterlijke gemoed’, zoals hij het zelf noemt. Om die groei in beeld te krijgen, reflecteert hij op belangrijke herinneringen.

Wordsworth herinnert zich in het vijfde boek bijvoorbeeld hoe hij vroeger met een vriend in de vroege uurtjes aan de oevers van een meer in een roes raakte door de vogelgeluiden en het samen reciteren van hun lievelingsgedichten:

Want woorden, beelden en gevoelens, alles
waarmee we in de verrukkelijke wereld
der poëzie te maken hadden, vierde
een feestdag, gaf een schouwspel zonder eind
met wierookgeur, met bloemen, met muziek!

Hij herinnert zich ook zijn enthousiasme voor de Revolutie en de feestelijke, energieke sfeer die er voorafgaand aan de omwentelingen in Frankrijk hing. Als hij door Frankrijk richting de Alpen trekt, merkt hij op: ‘overal / spreidden zich geestdrift en welwillendheid / uit als een geur, zoals de lente’ en ‘Elk hart was open, alle tongen zongen / van vreugde en vriendschap.’

Een nieuw tijdperk van redelijkheid en rechtvaardigheid leek zich aan te kondigen. Wordsworth vangt het in de beroemdste zin uit Prelude: ‘Bliss was it in that dawn to be alive, / But to be young was very heaven!’ – door Kuijper vertaald in jamben als ‘Was ’t zalig in die dageraad te leven, / nog jong te zijn was hemels!’

Maar niet veel later wordt dat enthousiasme al gedoofd door de terreur van Robespierre en de dictatuur van Napoleon. Gedesillusioneerd neemt Wordsworth afstand van zijn activisme, ‘fouten’ en ‘zwaktes’. In het tiende boek duidt hij het zo:

(…) wenste ik de mens
zijn rupsenstaat te zien ontgaan om wijd
de vleugels van de vrijheid uit te spreiden,
heer van zichzelf in ongestoord genot.
Een nobel streven! – ’k voel dat sterven nog –
maar met gelukkiger gedachten. Want
ik was de weg kwijt, ik zocht de overgang
te bewerkstelligen met een methode
die met de menselijke natuur niet strookte

Teleurgesteld over de uitkomst van de Revolutie en ontevreden over zijn naïviteit keert Wordsworth als een conservatiever persoon weer terug naar de natuur om zich te helen.

Wat opvalt is dat Wordsworth gedurende het gehele werk bijzonder ernstig is. In boek zes wil Wordsworth vlak voor de dag begint opstaan om rustig te genieten van de zonsopgang bij het Comomeer – ‘waarop een doffe, rosse maneschim / neerlag en als een rusteloze slang / van vorm veranderde’, zoals Kuijper het prachtig vertaalt. Maar omdat de klokken anders slaan dan in Engeland, vergist de dichter zich. Hij verdwaalt midden in de nacht in de bossen en als het maar niet licht wil worden, begrijpt hij dat hij een foutje heeft gemaakt. Wordsworth ziet er het geestige niet van in en blijft stug het natuurlijk schoon van dat moment beschrijven. Voor humor lijkt geen plaats.

Op zijn best is Wordsworth wanneer hij zijn verbondenheid met en de verrukkingen van de natuur en het mensdom bezingt. Het goedaardig lanterfanten, de dagdromen en mijmerfantasieën, het ‘luisteren hoe de wind / de fluistering van gras en bloemen meekreeg’: door deze nieuwe vertaling en de huidige omstandigheden herontdekken we de waarde van deze beelden.

Prelude Wordsworth
Deze bespreking schreef ik voor de Nexus Leestafel.
 
Lees ook mijn eerdere bespreking van Gedichten van Boris Pasternak of Over het land en het water van W. G. Sebald.
Posted by Thomas in Tekst
Het belang van Primo Levi

Het belang van Primo Levi

het belang van primo levi

Nu we langzaamaan afscheid moeten nemen van de generatie die de oorlog persoonlijk meemaakte, wordt literatuur steeds belangrijker. Ze biedt ons een blijvende en persoonlijke vorm van contact met de gruwelen van de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust. Wat betreft die literatuur, geldt de Joods-Italiaanse chemicus Primo Levi (1919-1987) als een van de beste en beroemdste auteurs. Hij overleefde Auschwitz en tekende in 1947 de verschrikkingen van het kamp op in Se questo è un uomo, in het Nederlands verschenen onder de titel Is dit een mens?. Waarom moeten we ons dit verhaal blijven herinneren en het doorgeven aan de volgende generaties?

 

Is dit een mens?

Begin 1944 staat een trein klaar voor vertrek in Fossoli, een concentratiekamp in Noord-Italië. De twaalf wagons zijn gevuld met zeshonderdvijftig ‘stuks’, dat wil zeggen zeshonderdvijftig Joodse gevangenen. Onder hen is de 24-jarige Primo Levi, opgepakt door fascistische milities. Uitgehongerd, verkleumd, dorstig en vermoeid zien ze vijf dagen lang door het luchtgat de namen van Midden-Europese steden en dorpjes voorbijglijden. Bij vertrek hebben ze de labels op de treinwagons gezien, zonder te begrijpen wat het woord precies betekent: ‘Auschwitz’.

‘Met opluchting hadden we ons reisdoel vernomen. Auschwitz: een naam zonder betekenis op dat ogenblik en voor ons, maar die hoe dan ook bij een plek op deze aarde moest horen’, schrijft Levi. Volgens hem wist destijds niemand in Italië wat Auschwitz precies betekende. Later zou hij inzien dat de Duitsers alles deden om te voorkomen dat de gruwelen uit de vernietigingskampen naar buiten zouden komen en dat bekend zou worden wat ‘in Auschwitz de mens van de mens heeft durven maken’.

Na een helse tocht van een paar dagen, wordt Levi bij aankomst in kamp Monowitz-Auschwitz alles ontnomen; kleren, schoenen, haar, alles. Hij begrijpt waar men hier op uit is: de vernietiging van een mens.

‘Laat men zich nu een mens voorstellen wie de mensen die hem lief zijn ontnomen worden, en zijn huis, zijn gewoonten, zijn kleren, alles kortom, letterlijk alles wat hij bezit: dat zal een leeg mens zijn, een mens die niets anders meer is dan lijden en behoefte, die geen waardigheid meer heeft en geen oordeelsvermogen (…) Als men dat alles bedenkt, zal men de dubbele betekenis van de term “vernietigingskamp” begrijpen (…)’

Zoals Vergilius Dante door de hel leidt, zo initieert Levi de lezer in het kamp – of zoals hij het steeds noemt, het Lager. Hij leert ons over de mores, economie, honger en woorden van het kamp, en de hiërarchie van Häftlinge (gevangenen), Kapo’s (gevangenen die op de rest moesten toezien), Blockältester (de verantwoordelijken voor een blok) en Muselmannen (de allerzwaksten). Levi doorstaat dag na dag, maand na maand het extreem harde kampbestaan en het zware ‘werk’ voor de nabijgelegen fabriek, waar synthetisch rubber gemaakt zou moeten worden. Uiteindelijk belandt hij, als scheikundige van opleiding, in een speciaal commando voor chemici en profiteert hij van kleine maar levensreddende voordelen.

Ongeveer halverwege het boek begint in de verte het diepe gerommel van de bombardementen te klinken die de uiteindelijke bevrijding van Auschwitz door de Russen aankondigen. De dynamiek in het kamp verandert en op een dag vindt er ten overstaan van alle gevangenen plotseling een executie plaats. De veroordeelde is een gevangene uit het nabijgelegen Birkenau en is betrokken geweest bij het opblazen van een van de crematoria. Levi schrijft:

‘Feit is dat in Birkenau enige honderden mensen, weerloze, uitgeputte slaven net als wij, in zichzelf de kracht hebben gevonden om te handelen (…) Hij zal vandaag voor onze ogen sterven; en misschien zullen de Duitsers niet begrijpen dat de eenzame dood, het sterven als mens dat hem is toegedacht, hem eer zal brengen en geen schande.’

Net voor de veroordeelde wordt opgehangen, schreeuwt hij uit ‘Kameraden, ich bin der Letzte!’ Toch constateert Levi tot zijn eigen verdriet dat de kracht van dit moment direct vervliegt terwijl de gehangene stuiptrekkend aan zijn einde komt. De overige gevangenen staan even apathisch toe te kijken als de SS’ers:

‘[H]un werk is gedaan, en goed gedaan (…) Een mens vernietigen is moeilijk, haast even moeilijk als er een scheppen: het is niet gemakkelijk geweest, het heeft niet weinig tijd gekost, maar het is jullie gelukt, Duitsers. Hier lopen we, gedwee onder jullie ogen. Van ons hebben jullie niets meer te vrezen: geen opstandige daden, geen uitdagende woorden, niet eens een oordelende blik.’

Wanneer de Russen verder optrekken, beginnen in zekere zin de zwaarste dagen. Om te voorkomen dat hun misdaden aan het licht komen, besluiten de nazi’s het kamp te ontruimen. De gevangenen worden richting het binnenland gestuurd, op kilometerslange uitputtingstochten te voet door de sneeuw – de ‘dodenmarsen’.

Levi ontsnapt hieraan, omdat hij op dat moment in de ziekenboeg ligt. In de bittere Poolse winter proberen de overgebleven zieken in het kamp te overleven. Het weinige voedsel dat hij en zijn paar lotgenoten vinden, delen ze onderling: het Lager is dood, de menselijkheid keert langzaam terug. Op 27 januari 1945 arriveren de Russen in het kamp en daarmee eindigt Is dit een mens?

 

Als alle beschavingsvernis wordt afgepeld

Op de vraag waarom hij zijn verhaal schreef, heeft Levi zelf een aantal antwoorden geformuleerd. In het voorwoord dat hij schreef bij een uitgave uit 1958 stelt hij dat hij zijn boek heeft geschreven ‘in de eerste plaats als innerlijke bevrijding’. Het schrijven had voor hem een therapeutische werking.

Voor de lezer geeft hij twee redenen waarom zijn boek waardevol is. Ten eerste: ‘[Het kan] als materiaal dienen om enkele eigenschappen van de mens eens rustig te overdenken.’ In het boek zelf noemt hij het kamp een reusachtig biologisch en sociaal experiment. Een van de conclusies die Levi uit dit ‘experiment’ trekt is dat het geloof in de oorspronkelijke gelijkheid van alle mensen ongegrond is. Ook in het kamp geldt: aan wie heeft, zal gegeven worden. Maar daarnaast leert hij toch ook optimistischer lessen:

‘Ik geloof niet aan de meest voor de hand liggende conclusie: dat de mens in de grond een egoïstische, domme bruut is en zich als alle beschavingsvernis van hem wordt afgepeld als zodanig gedraagt (…) Ik denk eerder dat men, wat dit betreft, niet verder kan gaan dan de constatering dat dringende nood en lichamelijke ontbering veel sociale instincten en gewoonten tot zwijgen brengen.’

Levi stelt dat hij wél gelooft in een natuurlijke solidariteit van mensen. Dat hij tot die conclusie kan komen in de extreme en afgrijselijke omstandigheden die hij heeft meegemaakt, is veelzeggend.

De tweede reden die Levi zelf aanreikt voor het lezen van zijn verhaal, is de belangrijke waarschuwing die het bevat:

‘Veel mensen, en volken, zijn min of meer bewust de mening toegedaan dat “elke vreemdeling een vijand is”. Meestal ligt die overtuiging ergens diep weggestopt, als een sluimerend virus; ze komt alleen in losse, toevallige reacties tot uiting en leidt niet tot een samenhangend gedachtesysteem. Maar als dat wel gebeurt, als het onuitgesproken dogma het uitgangspunt van een sluitende redenering wordt, dan staat aan het eind van de keten het Lager. Het Lager is het product van een met uiterste consequentie in praktijk gebrachte wereldbeschouwing; zolang die wereldbeschouwing bestaat, dreigen ons de consequenties. De geschiedenis van de vernietigingskampen behoort door ieder mens begrepen te worden als een sinister alarmsignaal.’

Dit alarmsignaal ligt Levi nog wat toe in een voorwoord uit 1972. Eerst benadrukt hij daarin de centrale plek die de kampen hadden: de kampen waren geen akelig bijverschijnsel, maar de ‘ruggengraat van de Duitse oorlogsindustrie’ en een ‘fundamentele instelling van het fascistische Europa’. Vervolgens signaleert hij dat een element uit de Holocaust, de kampen, op verschillende plekken in de wereld nog steeds bestaat:

‘Nee, er bestaan op dit ogenblik geen gaskamers of verbrandingsovens, maar er bestaan wel concentratiekampen, in Griekenland, in de Sovjet-Unie, in Vietnam, in Brazilië. Er bestaan in bijna alle landen gevangenissen, opvoedingsgestichten, krankzinnigengestichten waar, net als in Auschwitz, een mens zijn gezicht verliest, zijn waardigheid en zijn hoop.’

In 1986 vat Levi ten slotte nog eens kernachtig samen waarom de getuigenissen van de Holocaust zo belangrijk blijven: ‘Het is gebeurd en het kan dus weer gebeuren; dat is de kern van wat we te zeggen hebben.’

Nu, in onze tijd, kost het nauwelijks moeite te ontdekken dat het dogma van ‘elke vreemdeling is een vijand’ bepaald niet is verdwenen. En ook al probeert men ze geheim te houden, nog steeds bestaan er werkkampen in Rusland en ‘heropvoedingskampen’ in China. Helaas hebben Levi’s oproepen na meer dan dertig jaar dus niets aan actualiteit ingeboet.

 

Vernedering en vernietiging

Politiek filosoof Avishai Margalit heeft een groot deel van zijn denken gewijd aan de Holocaust. Hij geeft een filosofische analyse van de Holocaust die aansluit bij de ervaringen en opmerkingen van Levi.

In het essay ‘Het unieke van de Holocaust constateert Margalit dat er een toenemende interesse is in de Holocaust. Zo probeert men het trauma te verwerken of te waarschuwen voor soortgelijke rampen in de toekomst. Daarnaast kunnen we de Holocaust volgens Margalit zien als ‘symbool voor de grenssituatie van het mens-zijn’. Met andere woorden: de uitzonderlijke omstandigheden leren ons iets over hoe de mens in elkaar steekt. Dat zijn motieven die precies overeenkomen met Levi’s intenties voor het opschrijven en delen van zijn ervaringen.

Wat maakt de Holocaust nu zo bijzonder? Volgens Margalit is het buitengewoon zeldzaam dat een groep mensen zowel systematisch vernietigd als vernederd is. Stalin vernietigde en Mao vernederde, maar de nazi’s combineerden beide.

Die combinatie kwam voort uit de ideologie van de nazi’s, die in de kern racistisch was. Eerst werden Joden gezien als een inferieur type mens, maar algauw werd hun hun menselijkheid algeheel ontzegd. Margalit laat zien dat hierin een paradox schuilt. Als het henzelf betrof, was er volgens de nazi’s geen universele mensheid of mensenras, maar bestonden er alleen verschillende mensenrassen – het Arische was superieur. Zodra het Joden betrof, gebruikten ze echter weldegelijk het idee van een universele mensheid, om aan te geven dat de Joden daar niet bijhoorden. Volgens Margalit verschoof de nazi-ideologie van de ene vorm van racisme naar een andere. Omdat rassen volgens de nazi’s hoe dan ook niet vaststonden, zouden Joden kunnen leiden tot degeneratie van het Arische dan wel mensenras. Dit giftige geheel werd de ideologische basis voor hun vernietiging.

De vernedering van Joden ontstond doordat de nazi’s probeerden de relatie die ze hadden met de Joden zoveel mogelijk door te snijden. Dat Joden qua uiterlijk sterk leken op de Duitsers – in ieder geval meer dan bijvoorbeeld Afrikanen of Aziaten – was dus problematisch. Om te voorkomen dat ze zichzelf in de Joden zouden herkennen, zagen de nazi’s zich volgens Margalit genoodzaakt de Joden te vernederen. Het kaalscheren en uithongeren leidde ertoe dat Joden ook fysiek minder op mensen begonnen te lijken.

De deportatie was volgens Margalit eveneens bedoeld om de band tussen de nazi’s en de Joden te doorbreken. Door Joden te verplaatsen uit een normale omgeving en hen weg te stoppen in kampen, werd er letterlijk, geografisch, afstand gecreëerd tussen dader en slachtoffer. En ook in de kampen werden nazi’s en Joden tot op zekere hoogte op afstand van elkaar gehouden door het aanstellen van Kapo’s – zij waren zelf immers ook gevangenen. ‘Allemaal bedoeld om de Duitser te ontsmetten, hen ervoor te behoeden dat ze met de gevolgen van hun eigen daden zouden worden bezoedeld’, schrijft Margalit.

De scène die Levi beschrijft waarin de opstandeling opgehangen wordt, is een goed voorbeeld van hoe het eigenlijk niet moest gaan volgens de nazi’s. De opstandeling sterft hier niet anoniem en ontmenselijkt in een verbrandingsoven, maar als een mens die zijn mens-zijn zelfs nog weet te bekrachtigen met zijn uitroep. Deze dood geeft hem een zekere waardigheid en zelfs eer, en daardoor kleeft er een misdaad aan de SS’ers die de nazi-ideologie nu juist moest verdoezelen.

Ten slotte beschouwt Margalit de Holocaust als een ‘negatieve ontstaansmythe’, een verhaal over waar wij vandaan komen en hoe onze huidige wereld is ontstaan. De Holocaust heeft, juist door wat hij vernietigde, laten zien wat we koesteren en hoe broos dat eigenlijk is. Het is ons pijnlijk duidelijk geworden dat bijvoorbeeld vooruitgang, een liberale wereld, de menselijke waardigheid en een universele mensheid geen vanzelfsprekendheden zijn.

April 2020
Karakters
Dit artikel schreef ik voor literair platform Karakters.nu.
 
Lees verder
Lees ook mijn stuk over het vertalen van De Toverberg van Thomas Mann, en mijn recensie van Wat de lezer leert.
Posted by Thomas in Artikel, Tekst
Verveling in tijden van corona

Verveling in tijden van corona

verveling
verveling in tijden van corona
iFilosofie, maart 2020

Nu het coronavirus rondwaart zitten we aan huis gekluisterd. Verveling ligt al gauw op de loer. Een mooi moment dus om eens een paar boeken uit de kast te pakken om te zien wat filosofen zoal over verveling hebben geschreven.

Wie dat doet, ontdekt dat er al eeuwen over verveling wordt nagedacht en dat dat nare, onbestemde gevoeletje in feite een enorm rijk filosofisch begrip is. Thomas van Aquino, Pascal, Kierkegaard, Nietzsche en Heidegger: de filosofie van de verveling omvat enkelen van de grootste denkers aller tijden.

Vrijwel al die denkers maken een onderscheid tussen twee soorten verveling. Er is gewone, alledaagse verveling, en er is een diepere, existentiële verveling.

De eerste soort komt voort uit iemands omgeving. Je weet dan in een bepaalde situatie even niet wat je moet – denk aan onze thuisquarantaine. De andere vorm van verveling is niet afhankelijk van specifieke situaties, maar van onze algehele toestand. Je twijfelt dan aan de zin van je leven en het bestaan. Ze zijn niet altijd strikt te scheiden en omgevingsverveling kan best leiden tot existentiële verveling.

Verder is er een onderscheid tussen premoderne en moderne verveling. In het premoderne, christelijke denken heette verveling acedia. Dat was aanvankelijk een Griekse term (a-keideia) die ‘zorgeloosheid’ betekende, maar werd moreel geladen door de kerkvaders als ‘roekeloosheid’, ‘luiheid’ of ‘onverschilligheid’. Acedia werd zelfs een hoofdzonde, omdat ze twijfel aan God en het geloof betekende.

In de vierde eeuw schreef Evagrius van Pontus over acedia. Over isolatie gesproken: hij leefde een ascetisch bestaan in een stenen monnikscel in de Egyptische woestijn. Volgens Evagrius was acedia een zonde die bestond uit uit twijfels en kwade gedachten. De oplossing was dus je gedachten weer op orde krijgen. Dat kon door je te richten op behapbare taken, handarbeid, bidden of door de ascese iets te minderen.

Bij moderne verveling ligt dat anders. Blaise Pascal schreef in zijn Pensées dat verveling, ennui, geen zonde is maar een natuurlijke toestand van de mens. Van hem komt de mooie spreuk ‘alle ellende van de mensen heeft maar één oorzaak, namelijk dat zij niet in staat zijn rustig in een kamer te blijven’. We willen gelukkig en onsterfelijk zijn, maar dat lukt ons niet en daar kunnen we ons maar moeilijk bij neerleggen.

De mens is volgens Pascal daarom naarstig op zoek naar verstrooiing, bijvoorbeeld door een potje biljart – wij zouden misschien eerder denken aan Netflixseries of games. Het probleem is echter dat die afleiding altijd maar tijdelijk is. Ze is niet meer dan de illusie van geluk. De echte oplossing voor verveling lag voor Pascal in een herwonnen geloof in God.

Maar wat moeten wij, ongelovigen na de dood van God, met onze verveling aanvangen?

Omgevingsverveling is relatief eenvoudig: verander je omstandigheden en die verveling zal verdwijnen. Wanneer we straks weer vrijuit de wereld in kunnen, zal de verveling van het thuiszitten natuurlijk weg zijn. Tot die tijd is het geduldig zijn of verstrooiing zoeken.

En die diepere, existentiële verveling? Ik denk dat we die verveling niet moeten verwerpen als zonde, maar moeten beseffen dat ze typisch menselijk is. Probeer deze verveling niet te verdrijven met amusement. Durf in plaats daarvan de ongemakkelijke maar waardevolle vragen die ze oproept te stellen en te onderzoeken.

Dit artikel schreef ik voor iFilosofie #49. Zie iFilosofie.nl.
Lees ook mijn profiel van Blaise Pascal voor Filosofie Magazine of mijn essay over verveling voor de Fusie.
Posted by Thomas in Artikel, Tekst
Avondverhaaltjes voor Cassius de kat

Avondverhaaltjes voor Cassius de kat

avondverhaaltjes voor cassius de kat
Bespreking van Bohumil Hrabal
Nexus Leestafel, februari 2020

Kattenverhaaltjes van de koning der Praagse letteren

Aan de rand van een bosrijk buurtschapje aan de Elbe, op iets meer dan een uur met de bus vanuit Praag, staat een klein houten bushokje met daarnaast een standbeeld van twee vrolijke katten. In het hokje hangt een plaquette met daarop wat tekst en een foto van de schrijver die door Milan Kundera de ‘koning der Praagse letteren’ werd genoemd: Bohumil Hrabal. Om de hoek had Hrabal zijn buitenhuisje. Tegen het eind van zijn leven ging hij geregeld met de bus naar dat huisje om te zorgen voor zijn lievelingen, een groeiende groep zwerfkatten, zijn poezekes.

Die katten duiken zo nu en dan op in de werken van Hrabal. Bijvoorbeeld in het verhaal Autootje, onlangs in het Engels verschenen als All My Cats, en in Avondverhaaltjes voor Cassius de kat, een nieuw bundeltje met vier door Kees Mercks naar het Nederlands vertaalde verhaaltjes.

Autootje staat vooral in het teken van de spanning die ontstaat als de groep poesjes te groot wordt. Wanneer een van de poezen weer een worp kleintjes krijgt, staat Hrabal voor de vreselijke taak die lieve jonge katjes in het bos een kopje kleiner te maken. Nachtenlang gekweld door nachtmerries, gevolgd door dagen van wroeging, koppelt hij zijn kattenmoord aan verschillende politieke misdaden uit de twintigste eeuw. Hij vraagt zich af: als hij al zo van streek is van het doden van een stel katjes, ‘hoe heftig zou ik dan wel niet instorten als ik een mens zou hebben gedood?’

Als lezer snap je – ik vermoed zelfs als je niet van katten houdt – goed wat Hrabal bedoelt en voelt doordat hij eerst zo mooi beschrijft hoeveel hij wel niet van de poezen houdt:

Telkens wanneer ik haar aankeek, werd ze helemaal slap en mak en moest ik haar op mijn arm nemen, waarna zij even bezwijmde door de overdaad aan gevoelens die er uit mij in haar overstroomden en weer terug uit haar in mij, dan stamelde ik van geluk (…) die jonge poesjes, dat waren onze kinderen

Zit hij in de put en wil het schrijven niet lukken, dan stapt Hrabal snel in de bus van Praag naar Kersko. Wat er dan gebeurt, schetst hij in in Avondverhaaltjes voor Cassius de kat. Een van de verhaaltjes begint zo:

En ik dacht nog wel gelukzalig dat als ik met de bus uit Praag in Kersko aankom en bij halte Het Bankje uitstap, dat die lieve poesjes mij, uitsluitend mij, onder aanvoering van Inktlap en Sinaasappel tegemoet zouden komen rennen … Maar ik ben nu al voor de derde dag in Kersko en wat zie ik? De bus uit Praag komt eraan en mijn poesjes vliegen me tegemoet naar het bankje, maar zodra ze vaststellen dat het gezicht dat uitstapt, niet het mijne is, laten ze hun enthousiaste welkom varen, keren teleurgesteld terug en kruipen onder de tafel voor mijn raam. Toen de bus er vandaag aankwam en de poesjes er allerminst als dolle minoesjes heen spurtten, opende ik het raam en schreeuwde: Domme gabbertjes van me, ik ben al drie dagen thuis! En dan keren ze terug, ik moet ze melk geven, want ik wil ze niet hun welkomstceremonieel ontnemen …

Hrabal vertelt Cassius allerlei alledaagse wederwaardigheden, en zo krijgen we een mooi inkijkje in wat Hrabal zoal bezighield begin jaren ’90. Zo luistert Hrabal naar de symfonieën van Mahler op de radio als Alexander Dubček overlijdt; herinnert hij zich een geestige anekdote over zijn tijd als perronchef en een anekdote over een vrouw die tijdens het communistische regime niet wilde stemmen maar wel een prachtige kont had; en waant hij zich in de hemel als hij geknipt wordt door de prachtige meisjes van een kappersschool.

Het grappigste verhaaltje gaat over hoe hij als reclame werd ingezet voor een bepaald merk overhemden:

In café De Zigeunerin in Nymburk-Drahelice was een vechtpartij onder zigeuners aan de gang en ik was daar ook, als eregast, en hoewel ik met een mes gestoken werd, overkwam me niets, want ‘ik droeg een overhemd van firma Milan Hendrych, Palackystraat Nymburk’ …

Een dorsmachine, op hol geslagen paarden, een omgevallen kerstboom: niets krijgt Hrabal klein, en dat allemaal dankzij dit bijzondere overhemd. Kortom, er valt veel te lachen en genieten als Hrabal associeert, wegdroomt en het ene na het andere verhaaltje vertelt aan zijn lievelingskat.

De zwaardere onderwerpen uit zijn bekende romans – zoals het verzet tegen de SS in Zwaarbewaakte treinen of de communistische censuur in Al te luide eenzaamheid – vinden we niet in deze verhaaltjes. Wel spreekt uit deze verhaaltjes die vriendelijke, tedere en liefdevolle blik waarmee Hrabal alles en iedereen beschouwt. Die blik zouden we allemaal wel een beetje mogen oefenen.

Jammer genoeg is Hrabal de afgelopen jaren in het Nederlands alleen verschenen in kleine schriftjes. Bij Prometheus verschenen eerder een paar prachtige bundels, waarvan alleen Verpletterde schoonheid uit 2013 nog leverbaar is. Lieve Dubenka (2015), Beste Karel (2018) en Avondverhaaltjes voor Cassius de kat (2020) verschenen bij Pegasus in gelimiteerde oplage. Dat is prijzenswaardig, maar het is te hopen dat er een Nederlandse uitgever is die weer een volwaardig boek van Hrabal laat vertalen. Met Kees Mercks is er in ieder geval een fantastische vertaler beschikbaar en het verzameld werk van Hrabal beslaat in het Tsjechisch maar liefst negentien delen, er liggen dus nog genoeg verhalen en verhaaltjes te wachten.

Deze bespreking schreef ik voor de Nexus Leestafel.
Lees ook mijn eerdere bespreking van Lieve Dubenka van Hrabal.
Posted by Thomas in Recensie, Tekst
Een lekkere kop thee – George Orwell

Een lekkere kop thee – George Orwell

Wat de lezer leert
een lekkere kop thee
Vertaling van ‘A Nice Cup of Tea’
George Orwell

Wie ‘thee’ opzoekt in het eerste het beste kookboek, vindt waarschijnlijk niets vermeld, of hooguit een paar zinnetjes met onduidelijke aanwijzingen die geen uitsluitsel geven over een aantal heikele kwesties. Dit is merkwaardig, niet alleen omdat thee een van de steunpilaren der beschaving in dit land en in Éire, Australië en Nieuw-Zeeland is, maar omdat er felle debatten worden gevoerd over hoe je hem het beste zet.

Als ik mijn eigen recept voor het perfecte kopje thee bekijk, dan zie ik maar liefst elf punten van belang. Over twee daarvan zal men het over het algemeen waarschijnlijk wel eens zijn, maar ten minste vier van de andere punten zijn uiterst controversieel. Hieronder mijn elf regels, die ik stuk voor stuk beschouw als gulden:

  • Ten eerste moet men thee uit India of Ceylon gebruiken. Chinese thee heeft zo zijn voordelen die vandaag de dag niet miskend moeten worden – hij is niet duur en men kan het drinken zonder melk – maar hij is weinig verkwikkend. Na het drinken ervan voelt men zich niet wijzer, moediger of optimistischer. Wie de troostrijke uitdrukking ‘een lekkere kop thee’ gebruikt, doelt steevast op Indiase thee.
  • Ten tweede moet de thee in kleine hoeveelheden worden gezet, dus in een theepot. Thee uit een thee-urn heeft geen smaak en thee zoals die in het leger wordt gezet, met een grote ketel, smaakt naar vet en witkalk. De theepot moet gemaakt zijn van porselein of aardewerk. Een theepot van zilver of Britannia-metaal levert inferieure thee op, en emaille potten zijn nog erger – maar een tinnen theepot (tegenwoordig zeldzaam) is vreemd genoeg zo slecht nog niet.
  • Ten derde moet de theepot worden voorverwarmd. Dat gaat beter door hem op het fornuis te zetten dan door hem om te spoelen met heet water, zoals de meeste mensen doen.
  • Ten vierde moet het sterke thee worden. Voor een pot van ongeveer een liter die je tot de rand vult met water zou ongeveer zes onafgestreken theelepels moeten volstaan. Als thee op de bon gaat is dit waarschijnlijk niet iedere dag van de week haalbaar, maar ik blijf erbij dat één sterke kop thee beter is dan twintig slappe kopjes. De echte theeliefhebber drinkt zijn thee niet alleen sterk, maar met het jaar zelfs steeds iets sterker – dat blijkt wel uit het feit dat er extra rantsoen is voor oude gepensioneerden.
  • Ten vijfde moet de thee los in de pot worden gedaan. Geen zeefjes, netelzakjes of andere dingen die de thee gevangen houden. In sommige landen zijn de theepotten voorzien van kleine bungelende mandjes onder de tuit, om de zogenaamd ongezonde losse blaadjes op te vangen. Men kan echter grote hoeveelheden theeblaadjes doorslikken zonder nadelige effecten op de gezondheid, en als de thee niet los in de pot zit, kan hij ook niet goed trekken.
  • Ten zesde moet men de theepot naar de fluitketel brengen en niet andersom. Het water moet eigenlijk koken op het moment dat het de thee raakt, dus moet hij op het vuur blijven terwijl men giet. Sommige mensen staan er zelfs op dat men alleen water moet gebruiken dat voor het eerst aan de kook is gebracht, maar ik heb daar zelf nooit verschil in gemerkt.
  • Ten zevende moet men na het zetten van de thee goed roeren, of beter nog, de pot een stevige draaibeurt geven, en daarna de blaadjes laten bezinken.
  • Ten achtste moet men drinken uit een flinke ontbijtkop, dus een cilindrische kop en geen vlak, ondiep kopje. Er kan meer in een ontbijtkop en bij het andere soort is de thee altijd lauw voordat men goed en wel is begonnen met drinken.
  • Ten negende moet de room eerst van de melk worden gegoten voordat hij in de thee kan. Melk die te romig is geeft de thee altijd een misselijkmakende smaak.
  • Ten tiende moet de thee als eerst worden ingeschonken. Dit is een van de meest controversiële punten – waarschijnlijk zijn alle Britse gezinnen te verdelen in twee denkrichtingen wat betreft dit onderwerp. Het ‘melk eerst’-kamp kan een aantal sterke argumenten aandragen, maar ik meen dat mijn eigen redenering niet te weerleggen is. Door de thee eerst in te schenken en te roeren terwijl men de melk erin giet, kan men namelijk de hoeveelheid melk goed in de hand houden; doet men het andersom, dan bestaat het risico dat men te veel melk inschenkt.
  • Tot slot moet thee – tenzij men het op zijn Russisch drinkt – worden gedronken zónder suiker. Ik besef terdege dat ik hier tot de minderheid behoor. Maar hoe kun je jezelf een echte theeliefhebber noemen als je de smaak van je thee verpest door er suiker in te doen? Je zou er net zo goed peper of zout in kunnen gooien. Thee hoort bitter te smaken, net als bier bitter hoort te smaken. Maak je hem zoet, dan proef je geen thee meer, maar alleen nog de suiker; je zou een vergelijkbaar drankje kunnen maken door alleen wat suiker op te lossen in heet water.

Sommigen zullen misschien zeggen dat ze niet van thee op zich houden, dat ze alleen thee drinken ter verwarming en verkwikking en dat ze de suiker nodig hebben om de smaak weg te nemen. Tegen deze verwarde figuren zou ik willen zeggen: probeer eens twee weken lang thee te drinken zonder suiker, dan zul je daarna waarschijnlijk nooit meer je thee verpesten door hem weer te zoeten.

Er zijn nog meer controversiële kwesties met betrekking tot het drinken van thee, maar de bovenstaande punten tonen al wel hoe nauw dit hele gebeuren is gaan luisteren.

Dan zijn er ook nog de geheimzinnige sociale omgangsvormen rond de theepot (waarom is het bijvoorbeeld onbeschaafd om uit het schoteltje te drinken?) en er zouden veel woorden vuil gemaakt kunnen worden over het bijkomende nut van theeblaadjes, zoals het voorspellen van de toekomst van gasten, het voeren van konijnen, het genezen van brandwonden en het vegen van het tapijt. Het is de moeite waard om te letten op details als het verwarmen van de pot en het gebruiken van echt kokendheet water, om er zeker van te zijn dat een portie van het rantsoen ook daadwerkelijk twintig goede, sterken koppen oplevert die dat aantal grammen, mits juist gebruikt, zouden moeten opleveren.

 

Vertaling: Thomas Heij
Oorspronkelijk verschenen als ‘A Nice Cup of Tea’, George Orwell, Evening Standard, 12 januari 1946.

 

Lees ook mijn andere vertalingen en teksten.

 

Posted by Thomas in Tekst, Vertaling
Duizelingen

Duizelingen

Wat de lezer leert
duizelingen
Bespreking ‘Duizelingen’
Nexus Leestafel, december 2019

In het uiterste zuiden van Duitsland slingert langs een klaterend, koel bergbeekje tussen de hoge naaldbomen en frisgroene heuvels een wandelpad. Dat pad is de ‘Sebald-Weg’. Het voert naar Wertach im Allgaü, het geboortedorp van de schrijver W.G. Sebald. De route is gebaseerd op Sebalds debuutroman Duizelingen, die onlangs opnieuw is uitgegeven. Afgelopen zomer was ik in de Allgaü en liep ik de Sebald-Weg. Welke inzichten levert dat op?

Sebald was, meer nog dan menig schrijver, een auteur die zijn lezer uitdaagde hem na te lopen. Zijn verhalen zijn een intrigerende mengeling van autobiografische herinneringen, historische en literaire verhalen, en contemplatieve reisverslagen. Om die unieke stijl werd hij bewonderd en geprezen door bijvoorbeeld Susan Sontag, A.S. Byatt, Patti Smith en Robert Macfarlane.

Van V naar W

In Duizelingen is dat nalopen zowel figuurlijk als letterlijk op te vatten. Figuurlijk vanwege de vele verwijzingen die Sebald erin gestopt heeft. Zo heet het slotdeel ‘Il ritorno in Patria’: een verwijzing naar de opera Il ritorno d’Ulisse in patria (‘De terugkeer van Odysseus in zijn thuisland’) die Monteverdi voor de Venetiaanse opera componeerde. De verteller, die zo’n beetje samenvalt met Sebald, reist ook vanuit Venetië naar zijn geboortegrond. Daar is hij letterlijk na te lopen, dankzij de precieze beschrijving van zijn wandeling naar Wertach. Of eigenlijk naar ‘W.’, zoals hij het noemt – en dat lijkt weer een verwijzing naar ‘provinciestadje N.’ zoals we ze bij Gogol en Tsjechov aantreffen.

De Sebald-Weg begint naast het oude, inmiddels verlaten, douanekantoor op de staatsgrens met Oostenrijk. Pas nu ik ter plekke ben, valt me op hoe vreemd deze onderneming van de verteller in Duizelingen is. Nu is het zomer en is de route bewegwijzerd, maar in het boek is het november, begint de schemering te vallen en dreigt het te sneeuwen. Wat bezielde Sebald deze tocht te maken?

Het eerste stuk van de wandeling is idyllisch. Je loopt er langs de beek het dal in. Langs de route staan een aantal palen met tekstfragmenten uit Duizelingen. In het eerste fragment schetst Sebald dat de bergkloof is vervuld van doodstille duisternis en dat er boven hem een sneeuwjacht losbarst. Hoe anders is het nu: in de zon liggen drie kalfjes op een helling te herkauwen en hun bellen klingelen vredig.

Duizelingen

Iets voorbij de bosrand ligt een simpel maar keurig witgepleisterd kapelletje. Sebald schuilt er even voor de sneeuw en ervaart er een ‘duizeling’:

Ik zat een poosje in dat gemetselde gebouwtje. Achter het kleine raampje dreven de sneeuwvlokken voorbij, en weldra had ik het gevoel dat ik op reis was in een bootje en een groot water overstak (…) Ik kon en kan mij niet herinneren of ik als kind met mijn grootvader, die mij overal mee naar toe nam, ooit in de kapel van Krummenbach ben geweest. Maar kapellen zoals die van Krummenbach waren er in groten getale in de buurt van W. (…) En ik zag Tiepolo, die [in 1750] waarschijnlijk tegen de zestig liep en al ernstig aan jicht leed, in de kou van de wintermaanden boven op de steiger liggen (…) Met dergelijke fantasieën in mijn hoofd en ook indachtig de Krummenbacher schilder, die misschien in de wintertijd van hetzelfde jaar niet minder zijn best had gedaan op zijn veertien kleine kruiswegstaties dan Tiepolo op zijn grote plafondschildering, wandelde ik vervolgens, het was waarschijnlijk al tegen drieën, door de weiden (…)

Zo vermengt hij, in een alinea die maar liefst vier pagina’s beslaat, een dagdroom met een jeugdherinnering en speculatie over een beroemdheid die hem is voorgegaan: een typische Sebaldscène.

De feiten die ik op locatie kan natrekken kloppen grotendeels: het kapelletje is open, er past inderdaad maar een handjevol mensen in en de schilderijtjes met kruiswegstaties zijn dan misschien niet meer beschimmeld, maar wel aandoenlijk slecht geschilderd. Als ik uit het raam kijk, kost het me door de golvende heuvels weinig moeite te zien waar Sebalds dagdroom vandaan komt.

Vernietiging, verval en vergankelijkheid

De weg voert verder langs de groene glooiingen van verlaten skipistes, via het dorpje Unterjoch richting een bos. Daar introduceert Sebald zijn bekende thema’s: vernietiging, verval en vergankelijkheid – niet zelden gekoppeld aan de Tweede Wereldoorlog.

Bij een drukke kruising waar nu de BMW’s voorbijrazen weet Sebald te vermelden dat daar in april 1945 een viertal jongens omkwam in een laatste gevecht. Volgens Sebald staat er op het kerkhof van Wertach een gedenkkruis met de tekst dat zij stierven voor het vaderland. Op de plek zelf is daar niets van te zien, dus ik vermoed dat Sebald het kruis eerst heeft ontdekt en pas daarna de bijbehorende geschiedenis heeft opgezocht om het in zijn verhaal in te passen.

Weer iets verder op de weg – Sebald kan na tien kilometer lopen in de kou zijn voeten nauwelijks meer optillen van vermoeidheid – staat de zagerij die volgens Sebald ‘in de jaren vijftig, toen ik net op school zat, compleet met de hele houtopslagplaats in vlammen was opgegaan bij een grote brand die het hele dal verlichtte’.

Aan de rand van Wertach staat de laatste markeringspaal met tekst: ‘Op een braakliggend terrein naast de brug, waar waterwilg, wolfskers, klissen, koningskaarsen, ijzerhard en bijvoet groeiden, was in de zomermaanden van de jaren na de oorlog altijd een zigeunerkamp geweest.’ Volgens Sebald had geen dorpsbewoner een woord tot hen gericht en het is hem een raadsel hoe de zigeuners de oorlog hebben doorstaan. Nu is er geen spoor meer van te vinden.

Wertach

Andere Sebald-fans schrijven wel eens dat hij geboren is in een idyllisch dorp. Wertach is niet idyllisch. Wel is er een VVV, een kerkje en een bakkerij die in het boek Mayrbeck heet maar in het echt (of inmiddels) ‘Bäckerei Mayr’. Middenin het dorp staat, verscholen achter pizzeria Colloseum, het geboortehuis van Sebald. Voorheen was dit een herberg, nu is er een armoedige taxicentrale en een simpel plaket met de tekst ‘In diesem Haus wurde der Schrifsteller W.G. Sebald geboren.’ Ergens past dit wel bij een op verval gespitste auteur.

In Duizelingen zoekt Sebald hier een oude bekende op die hem de voor de hand liggende vraag stelt: ‘Wat heeft je na zoveel jaren weer naar W. gevoerd, en dat uitgerekend in november?’ Een echt antwoord geeft Sebald niet in de tekst: ‘Tot mijn verbazing begreep hij mijn omslachtige en gedeeltelijk tegenstrijdige uitleg zonder meer. Met name knikte hij instemmend toen ik zei dat ik in mijn hoofd allerlei reconstructies had gemaakt, dat de dingen daardoor echter niet duidelijker, maar juist raadselachtiger waren geworden.’

Terugkeren naar het dorp van zijn jeugd om te zien wat er nog hetzelfde is, wat er is veranderd en welke herinneringen kloppen: dat is waarschijnlijk Sebalds motief geweest om deze reis te maken. Was dit niet de Sebald-Weg geweest, dan was het alsnog best een aardige wandeling door een mooi landschap, maar het zijn Sebalds duizelingen – zijn herinneringen en associaties, en de betekenisverbanden die hij legt – die de route interessant maken.

Nareizen

Had het ook een andere route kunnen zijn? In bepaalde opzichten wel. Het procédé van Duizelingen vinden we ook terug in Sebalds latere verhalen. En was Sebald niet vanuit Venetië en Oostenrijk gekomen, maar vanaf de Duitse kant – zoals ik – dan was hij over een pas gekomen met misselijkmakende bochten en voorheen een dito naam: de Adolf-Hitler-Paß. Vlakbij in Oberjoch was een politieskischool waar SS’ers leerden skiën. Trotse Ariërs suisden er als kleine, nietige stipjes langs de bergwand naar beneden. Het zijn details die Sebald onmogelijk ontschoten zouden zijn: zijn werk zit er vol mee.

Nareizen gebeurt bij andere boeken en schrijvers natuurlijk ook. Je leert dan wat echt is en wat fictie, hoe de schrijver het werk in elkaar heeft gezet, welke indrukken hij of zij wel en niet selecteert en om welke reden. Maar wie Sebald naloopt volgt niet alleen een auteur, maar spiegelt ook wat er in Duizelingen gebeurt: je treedt in de voetsporen van een beroemde gids, brengt de omgeving in verband met literatuur en ontdekt welke geschiedenis er in het landschap sluimert.

Deze bespreking schreef ik voor de Nexus Leestafel.
Lees ook mijn stuk over de gedichten van Sebald.
Posted by Thomas in Recensie, Tekst

Patti Smith over Jean Genet

Jean Genet
heilige ongehoorzaamheid
Patti Smith over Jean Genet
vertaling: Thomas Heij, 2019

In de eerste aangrijpende regels van Dagboek van een dief  toont Jean Genet zijn jeugdige verlangens, zijn uitgangspunten als dichter en zijn leefregels als man. Hij begint met een enkel zinnetje – ‘De kleding van dwangarbeiders is roze met wit gestreept’ – en zet zich vervolgens tot een paragraaf van proustiaanse proporties, waarin de lezer gelijk wordt meegesleurd naar het innerlijke heiligdom van de veroordeelde en vertrouwd raakt met zijn gebaren, geluiden en geuren, zijn onuitgesproken codes. We zien de bravoure van gespierde goden, gekleed in de gekleurde strepen van een pak voor een kinderfeestje of van een verkleurde suikerstok – kleuren die waarschijnlijk gekozen zijn om de dragers, de meest hardvochtige criminelen van Frankrijk, te bespotten.

Toch heeft Genet deze spot voorzien van een zekere grandeur. Dit zijn de kleuren van de leerschool van zijn keuze, waarvan hij overtuigd is dat hij ze op een dag zelf zal dragen, wanneer hij promoveert van vondeling tot crimineel tot veroordeelde. Als dat eenmaal achter de rug is, zal hij het voorrecht verkrijgen om zijn zelfgekozen kameraden te vergezellen op hun scheepstransport vanuit de Bretonse haven van Brest naar de Îles du Salut, vlak voor de kust van het nauwelijks gekoloniseerde Frans-Guyana. Hij verbeeldt zich als een van hen, geketend aan de enkels, op het modderige pad naar de gevangenis van Saint-Laurent-du-Maroni, waar de meest gevreesden op een veer over de van piranha’s vergeven Maroni rivier worden gevaren om vervolgens weg te rotten in de hel van Duivelseiland.

In zijn jonge geest ziet hij zichzelf als een stralende volgeling, gekroond met een doornige lauwerkrans, getooid in de kleuren van een heilige omkering. Toen hij zeven maanden oud was, werd hij in een mandje achtergelaten bij het Bureau d’abandon, de vondelingenkamer. Op zijn vijftiende belandde hij in de strafkolonie voor lichte vergrijpen en overtredingen in Mettray. Op zijn negentiende werd hij oneervol ontslagen uit het Franse vreemdelingenlegioen wegens zijn al te intieme omgang met een andere soldaat. Op amper twintigjarige leeftijd werd hij een vagebond die door de vreselijkste omstandigheden laveerde. Dit is het pad dat hij kiest in zijn jacht op de roze en witte strepen van de dwangarbeiders.

Zonder een duit op zak baant hij zich een weg door het Europa van 1932, dat krioelt van een netwerk vol bedelaars, door ongedierte geplaagd, verkleumd en hongerig, op zoek naar een beetje brood, een slappe kool, de miniemste schuilplaats. Vlaanderen. Polen. Nazi-Duitsland. Tsjechoslowakije. Andalusië, de Spaanse kunst, parallel in pas met pelgrims op de St. Jacobsroute. De jonge Jean, de zelfbewuste luis, de vagebond-dief, die pooiers en drugsdealers van dienst is. Stelen betekent eten, haast als een baan, maar misdaden plegen waarop een gevangenisstraf staat is een drang van geheel andere orde. Hij voert alle benodigde inwijdingsrituelen uit en verandert op zijn beurt de sfeer, hij verheft deze mannen en kroont ze met zijn zelfontworpen lauweren. Salvador, Lucien, Guy en Stilitano, blond als een schip, Billy Budd blond. Dit is een mannenwereld, waarin alle vrouwelijkheid verborgen blijft in een ruwe bolster. Hij houdt van hen op zijn meest miserabele momenten, of het nu is om hun kracht, elegantie, lelijkheid of een geweldig geschapen geslacht. En waarom houden zij van hem? Misschien omdat ze al voorzien dat ze ooit herinnerd zullen worden dankzij hem, ieder als een viooltje, een vergeet-me-nietje platgedrukt in het boek van zijn nog niet opgetekende levensverhaal.

Veertien jaar later schrijft Genet Dagboek van een dief, zijn allermooiste autobiografische fictietekst…
Lees hier het hele verhaal.

November 2019
Patti Smith
Dit persoonlijke verhaal van Patti Smith over Dagboek van een dief van Jean Genet mocht ik met haar toestemming vertalen en publiceren bij Nexus.
 
Lees verder
Lees ook mijn bespreking van de Cahiers van Paul Valéry en Een spoor van mezelf van Fernando Pessoa.
Posted by Thomas in Tekst, Vertaling
Ágnes Heller: een voorbeeld

Ágnes Heller: een voorbeeld

ágnes heller: een voorbeeld
Mitchell Cohen over Ágnes Heller Dissent / Nexus
vertaling: Thomas Heij, oktober 2019

Het eerste gesprek dat we voerden ging over het marxistisch humanisme. Dat was in 1986. Filosoof Ágnes Heller, afgelopen juli overleden in haar geboorteland Hongarije, was de belangrijkste student van Georg Lukács (1885–1971), de meest invloedrijke marxistische filosoof na Marx, ondanks zijn moeizame verhouding met de Hongaarse Communistische Partij.

Heller was naar New York gekomen om de Hannah Arendt-leerstoel in politieke filosofie aan de New School for Social Research te bekleden. Ik belde haar gewoon op en vertelde haar dat ik aan het schrijven was over Lucien Goldmann (1913–70), de Roemeens-Franse marxistisch humanist die zich in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in Frankrijk sterk had gemaakt voor het werk van Lukács. Zij had Goldmann nog gekend en ik wilde het met haar hebben over een debat dat ze met hem had gevoerd. ‘Kom morgen naar ons toe in de lobby’, zei ze. Daar trof ik haar met haar man en collega, Ferenc Fehér.

Zij was klein van postuur, maar barstte van de ideeën; hij, langer, met grijs haar en een terugwijkende haargrens, zat vol bedachtzame observaties. Ik liep over van vragen en was een tikje van mijn à propos toe zij juist eerst aan mij, een onbekende academicus, allerlei vragen stelden. Hoe en waarom was ik geïnteresseerd geraakt in het socialistisch humanisme? Wat vond ik van de interpretatie van tragedie van de jongere Lukács en van die van Goldmann in diens boek over Pascal en Racine? En wat dacht ik over onze tijd? Zijn humanistische waarden nog houdbaar, zelfs als een groot deel van Marx’ denken onhoudbaar is?

Uiteindelijk vroeg ik, ietwat aarzelend, naar het symposium dat Goldmann in 1968 had georganiseerd in Royaumont, een plek in Frankrijk beroemd als locatie voor gedachtenuitwisselingen – in dit geval was ook Theodor Adorno aanwezig. Heller en Goldmann raakten daar in een discussie verwikkeld over de esthetica van Lukács. Lukács had een relatief beperkte kijk op het realisme in de literatuur, hoewel zijn essays over Balzac, Zola en Mann vaak scherpzinnig waren en kwalitatief (meestal) van een totaal andere orde dan het socialistisch realisme dat de ‘partijlijn’ voorschreef. Heller verdedigde haar mentors pleidooi voor de roman die de aard van een samenleving onthulde via overtuigende personages en hun omstandigheden. Goldmann distantieerde zich van de minachting die de oudere Lukács koesterde jegens het surrealisme, Brecht, de ‘nouveau roman’ en andere avant-gardistische initiatieven.

‘Goldmann had gelijk, ik had ongelijk’, zei Heller tegen me. Deze simpele en eerlijke opmerking was veelzeggend over haar karakter: ze doordacht en heroverwoog de dingen voortdurend; als dat leidde tot een ander oordeel en een andere opvatting, dan was dat maar zo. Al snel werden we vrienden en werd ik uitgenodigd voor de feestjes die Heller en Fehér hielden bij hen thuis, toen nog in Chelsea, waar een keur aan academici en intellectuelen bijeenkwam. Mijn gesprekken met haar gingen door, zij het sporadisch, ook na haar terugkeer naar Boedapest in 1989.

Ik zag Ágnes voor het laatst in de herfst van 2018 in Manhattan, tijdens een feest voorafgaand aan haar negentigste verjaardag…

Lees het hele verhaal hier.

Dit verhaal, dat oorspronkelijk in het Engels verscheen in het legendarische tijdschrift Dissent, vertaalde ik voor het Nexus Instituut.
 
Lees ook mijn interview met Sean Wilentz en mijn bespreking van de politieke filosofie van Vaclav Havel.
Posted by Thomas in Tekst, Vertaling
De filosofische wraak van Margaret Cavendish

De filosofische wraak van Margaret Cavendish

de filosofische wraak van margaret cavendish
Profiel van Margaret Cavendish
iFilosofie, november 2019

Wat doe je als leergierige en ambitieuze jonkvrouw als de wetenschap, politiek en filosofie worden gedomineerd door mannen? Dan trek je onverschrokken ten strijde en schep je je eigen wereld. Althans, dat is wat Margaret Cavendish deed met haar feministische utopie De stralende wereld. Weinig utopieën zijn zo fantasierijk, grensverleggend en persoonlijk als dit boek, dat onlangs voor het eerst in Nederlandse vertaling verscheen. Wie was Cavendish? Wat bewoog haar? Hoe nam zij wraak op haar tijd?

Het scheelde weinig of het oeuvre van Margaret Cavendish was nooit tot stand gekomen. Half juli 1644 was de Engelse Burgeroorlog tussen de koningsgezinden en de parlementsgezinden in volle gang. Margaret bevond zich op een Nederlands schip, dat maar net wist te ontsnappen uit een haven in het uiterste puntje van Cornwall. Opgegroeid in de rijke, koningsgezinde familie Lucas, vluchtte ze nu als hofdame met de Engelse koningin naar het continent.

Margaret was een verlegen, introverte jonge vrouw, en daardoor slecht op haar plek aan het hof. Maar in Parijs ontmoette ze een edelman in ballingschap, William Cavendish. Deze markies van Newcastle was vóór de burgeroorlog een steenrijke aristocraat en leidde het koninklijke leger in Noord-Engeland. William keek door de verlegenheid van Margaret heen en zag de intelligente, fantasierijke denkster die – totaal tegen de tijdgeest in – als vrouw zou uitgroeien tot een van de beroemdste geleerden van haar tijd. Ze trouwden en verlieten Parijs.

 

Een vrouw in de wetenschap

Samen betrokken ze in 1648 het Rubenshuis in Antwerpen. Een levendige stad en iets goedkoper dan het luxueuze hofleven. Daar vonden ze de tijd voor hun hobby’s. William richtte zijn eigen rijschool op in de achtertuin, terwijl Margaret zich stortte op het schrijven en de filosofie. Daarbij werd ze geïnspireerd door de voorname gasten van William en zijn broer Charles: René Descartes, Pierre Gassendi, Marin Mersenne en Thomas Hobbes.

Cavendish had geen formeel onderwijs genoten. Haar broers hadden gestudeerd aan Cambridge, maar dat zat er voor Margaret – als vrouw – niet in. Ze las graag, maar alleen Engels. Voor haar studie was ze verder afhankelijk van William en Charles en wat ze via hen meekreeg van de filosofische discussies. Ze trok zich er niets van aan dat de filosofie en wetenschap gedomineerd werden door mannen.

Net als haar mannelijke tijdgenoten boog ze zich over de vraag hoe de wereld in elkaar zat: waren er vier elementen, bestond alles uit atomen of was er slechts één soort substantie? Hoe zag de verhouding tussen geest en materie of ziel en lichaam eruit? Wie hadden er gelijk: de materialisten die stelden dat er niets dan materie was, of de idealisten en platonisten die stelden dat alles juist bestond uit geest?

In eerste instantie ging Cavendish uit van de vier elementen, maar daar kwam ze al snel op terug. Ze koos voor een soort materialisme: alles moest bestaan uit één materie, maar wel een ‘denkende’ materie. Zo goed en kwaad als het ging, zette ze haar eigen overwegingen op papier. Toen ze in 1653 in Engeland probeerde geld los te krijgen, wist ze een vooraanstaande uitgever in London te bewegen tot de publicatie van haar Poems and Fancies en Philosophicall Fancies. Zo werd ze de eerste vrouw die een wetenschappelijke verhandeling onder haar eigen naam publiceerde.

Cavendish bleef schrijven in Antwerpen. Ze kwam in contact met Constantijn Huygens, de voorname diplomaat, dichter, geleerde en kunstliefhebber uit Den Haag. Huygens was het Engels machtig en zo kon Cavendish dus met hem corresponderen. Ze schreven elkaar over Rupert’s Drops, kleine druppels van gehard glas die heel bleven als er met een hamer op de kop geslagen werd, maar uiteenspatten zodra er een stukje van de staart werd afgebroken. Destijds cutting-edge wetenschap. Huygens bewonderde Cavendish, maar ook samen kwamen ze niet tot een sluitende verklaring voor de werking van de druppels.

Enkele jaren later, in 1660, keerde het tij voor de royalisten in de burgeroorlog. De Britse prins, een oud leerling van William Cavendish, werd gekroond tot koning Karel II, en de Cavendishes keerden terug naar Engeland. William werd hertog van Newcastle en bracht hun financiën en bezittingen op orde.

 

De stralende wereld

Haar beroemdste werk publiceerde Cavendish in 1666: De stralende wereld. Een van de bijzonderste literair-filosofische teksten. In feite was het een aanhangsel bij een filosofische traktaat, maar tegelijk de allereerste feministische utopie en een van de eerste sciencefictionromans.

De stralende wereld vertelt het verhaal van een jonkvrouw die wordt ontvoerd en via de noordpool in een andere wereld belandt. De steden zijn er gemaakt van de mooiste edelstenen en de mensen lijken er op dieren. In een mum van tijd schopt de jonkvrouw het tot keizerin en zet ze de wetenschap, politiek en religie naar haar hand.

De keizerin ondervraagt haar verschillende soorten onderdanen, die allen een specifieke functie hebben. Zo zijn de vogelmensen astronomen, vismensen natuurfilosofen, vosmensen politici en papegaaimensen haar redenaars, enzovoorts. Met hen filosofeert ze over de methodes van hun specifieke discipline en over hoe de wereld in elkaar steekt.

Via die gesprekken maken we kennis met Cavendish’ eigen ideeën. De beermensen bijvoorbeeld, de experimentele filosofen van de keizerin, zijn hoogstwaarschijnlijk een parodie op de leden van de Royal Society. Dit instituut was opgericht in de geest van Nieuw-Atlantis, de utopie van de wetenschapsvernieuwer Francis Bacon, en stelde het experiment centraal. Cavendish vond daarentegen dat je niet zomaar in het wilde weg kon experimenteren om te kijken wat er gebeurde, maar eerst goed en redelijk moest nadenken over hoe het experiment werd opgezet.

Ook komt de keizerin over het geloof te spreken. Volgens de priesters is het beter dat er geen vrouwen in de gemeentes komen, anders zou de man zijn aandacht niet richten op God maar op zijn minnares. Dat laat de keizerin niet over haar kant gaan: geloof is niet alleen voor mannen. Ze besluit een congregatie voor vrouwen op te richten, zodat ook zij hun geloof kunnen belijden.

Om de stralende wereld gelovig te houden, richt de keizerin twee kapellen in, waarin ze strenge preken houdt voor misdadigers en geruststellende preken voor hen die berouw tonen. Zo weet ze de wereld gelovig te houden, zónder bloed te vergieten:

‘Want ze wist heel goed dat het geloof de mens niet met dwang of druk opgelegd kan worden, maar moet worden aangewakkerd in de geest door vriendelijke aansporing. (…) Angst zorgt er weliswaar voor dat men gehoorzaamt, maar slechts voor korte duur, en is lang niet zo betrouwbaar om toewijding in stand te houden als liefde.’

Hier horen we Cavendish zelf spreken. Maar even verderop wordt Cavendish’ stem nog duidelijker.

De keizerin raakt in gesprek met immateriële geesten, wezens die al lang in de stralende wereld verkeren en haar helpen bij het vinden van een secretaris voor het maken van een kabbala. Ze vraagt om de geest van iemand als Descartes of Hobbes, maar de immateriële geesten antwoorden haar:

‘Dat zijn inderdaad heel vernuftige, maar tegelijk ook zo verwaande schrijvers dat ze nooit secretaris zouden willen zijn van een vrouw. Maar er is een dame, de hertogin van Newcastle, die, ook al is ze misschien niet de meest geleerde, welbespraakte en gevatte denker, toch een heldere en redelijke schrijver is. Want dat zijn haar schrijfprincipes: verstandigheid en redelijkheid.’

Dan neemt het verhaal een wonderlijke wending, want vervolgens verschijnt de ziel van de hertogin van Newcastle ten tonele, oftewel Margaret Cavendish zelf. De ziel van de hertogin praat de keizerin het plan van de kabbala uit het hoofd en de twee raken innig bevriend, ‘platonische geliefden’ zelfs.

Op een dag bekent de hertogin aan de keizerin haar diepste wens: net zo machtig en beroemd te zijn als de keizerin, en een eigen wereld te besturen. Als alle werelden al voorzien blijken van een regering, komen de immateriële geesten met een gouden tip: zelf een wereld scheppen met behulp van fantasie. Een grappige, creatieve vondst die getuigt van reflectievermogen. Cavendish hunkerde in het echte leven ook naar roem en macht, en met het verzinnen van De stralende wereld deed ze precies wat ze de hertogin in het verhaal laat doen.

De keizerin en de hertogin gaan vervolgens enthousiast aan de slag met het verzinnen van fantasiewerelden en testen verschillende filosofieën als grondbeginsel. De demonen van Thales, ideeën van Plato, atomen van Epicurus, Aristoteles, Descartes en Hobbes: allemaal schieten ze tekort in de ogen van de hertogin. Ze besluit uiteindelijk een wereld te scheppen op basis van voelende en denkende zelfbewegende materie. Hiermee giet Cavendish haar kritieken op de genoemde filosofen en haar eigen oplossing in fictievorm.

 

Zoete wraak in fictie

Verderop in het verhaal verweeft Cavendish nog meer feiten in haar fictie. Op een gegeven moment bezoeken de keizerin en hertogin de wereld van de hertogin. Ze nemen een kijkje bij de landgoederen Welbeck en Bolsover, die Cavendish in werkelijkheid ook bezat. Daar zien ze de hertog van Newcastle bezig met zijn paarden, en de hertogin verzoekt de keizerin om de hertog te verzoenen met Fortuna, de godin van het lot.

Er volgt een korte fabel met Waarheid als rechter, Fortuna als de beklaagde, met Dwaasheid en Onbesuisdheid als secondanten, en de hertog als aanklager, bijgestaan door zijn vrienden Eerlijkheid en Inzicht. De verschillende personages doen hun zegje en de hertogin verdedigt haar man, met toespelingen op het werkelijke leven van Cavendish. Nog voor het vonnis wordt uitgesproken, gaat Fortuna er echter woedend vandoor. Het punt mag duidelijk zijn.

Ook in deel twee van De stralende wereld vinden we toespelingen op het leven van Cavendish. Daar treffen we een stukje onvervalste wraakfictie. Cavendish laat de hertogin een plan uitdokteren om de vijanden van haar thuisland te overwinnen. De keizerin vaart daarop met haar indrukwekkende vloot naar de wereld van de hertogin. Met veel machtsvertoon, geweld en slimme trucs onderwerpt ze de gehele wereld aan de koning van ‘Esfi’, oftewel Engeland Schotland, Frankrijk en Ierland.

Die koning was Karel II. Zo neemt Cavendish in haar roman dus wraak op de tegenstanders van de Engelse kroon en het onrecht dat haar in werkelijkheid was aangedaan. Ze laat zichzelf glorieus zegevieren. En wie dacht dat de fantasie van Cavendish alleen maar over liefdesverhalen en fantasiewezens zou gaan, komt bedrogen uit. In De stralende wereld kan een vrouw zich zelfs met oorlog bezighouden.

 

Gestoord, verwaand en belachelijk

Toen De stralende wereld verscheen was de Engelse monarchie weer in ere hersteld en waren de royalisten uit hun ballingschap teruggekeerd naar hun thuisland. Cavendish was nu niet alleen een vooraanstaande aristocrate, maar ook een beroemd auteur. Hoewel ze in De stralende wereld en ander werk kritiek had geleverd op twee van de bekendste leden van de Royal Society, sprak ze in 1667 de wens uit om het instituut te bezoeken. Haar verzoek werd ingewilligd en met veel grandeur arriveerde ze in een gouden koets. Als allereerste vrouw werd Cavendish daar ontvangen en ze nam er kennis van de aanwezige instrumenten en experimenten. Het zou honderden jaren duren voor die eer weer aan een vrouw ten beurt zou vallen.

De beroemde dagboekenschrijver Samuel Pepys, zelf in 1665 lid geworden van de Royal Society, vermeldde dat Cavendish experimenten bekeek en prees, waarna ze door de heren weer naar buiten werd geleid. Zijn kijk op Cavendish is typerend voor de tijd:

‘Ze heeft inderdaad donker haar en mooie, donkere oogjes, maar verder is ze in mijn ogen een doodgewone vrouw, hoewel ze goed kan zingen. De hertogin was een knappe, bevallige vrouw, maar haar jurk zó ouderwets en haar houding zó gewoontjes, dat ze me desalniettemin helemaal niet aanstaat. Ze had evenmin iets waardevols te zeggen, behalve dat ze vol bewondering was, alleen maar bewondering.’

Een jaar later schreef Pepys dat hij The Life of William Cavendish gelezen heeft: ‘[dit belachelijke werk], geschreven door zijn echtgenote, toont dat zij een gestoorde, verwaande en belachelijke vrouw is, en dat hij een gek is dat hij haar toestaat zo aan en over hem te schrijven.’ Daarmee stond zijn oordeel over Cavendish en haar werk vast.

Deze reactie van Pepys laat precies zien waarom De stralende wereld zo’n belangrijke tekst is. Vrouwen werden niet door iedereen serieus genomen. En dit thema dat Cavendish met haar utopie aansneed, is ook vandaag de dag in Nederland nog relevant. Meer dan drie-en-een-halve eeuw later zijn vrouwen onder politici, bestuurders en wetenschappers nog steeds ondervertegenwoordigd.

Lezen en nadenken over een fantasiewereld kan volgens Cavendish helpen dat te veranderen. Niet alleen omdat het vermakelijk is, maar vooral omdat onze verbeelding ons een leven voorschotelt dat we nog niet hebben bereikt. Een wereld waarin we onszelf wel kunnen zijn als de echte wereld dat niet toestaat. Een wereld die volgende generaties laat zien waarom dat gewenste leven van ons geen werkelijke mogelijkheid was, zodat zij die mogelijk wél kunnen realiseren en de samenleving in de toekomst iets mooier en beter wordt.

Lees meer over De stralende wereld.

 

 

Dit profiel van Margaret Cavendish schreef ik voor het novembernummer van iFilosofie.
Lees ook mijn stuk over het vertalen van De stralende wereld.
Posted by Thomas in Artikel, Tekst
Wat de lezer leert

Wat de lezer leert

Wat de lezer leert
wat de lezer leert
Bespreking ‘Wat de lezer leert’
Nexus Leestafel, oktober 2019

Word je van lezen een beter mens? Heeft literatuur lezen nut? En wat is literatuur eigenlijk? Er komt een moment dat iedere serieuze lezer zich die vragen stelt. Het zijn nogal grote, veelomvattende vragen waar je een heel leven over kunt nadenken en schrijven. Bovendien hebben al vele grote filosofen en critici dat door de eeuwen ook daadwerkelijk gedaan. Het getuigt dus van lef dat de Vlaamse filosoof Leen Verheyen deze vragen onbezorgd oppakt en adresseert in niet meer dan zestig pagina’s.

Het resultaat, Wat de lezer leert. Filosofen over het nut van literatuur, is gezien de omvang natuurlijk geen alomvattend exposé of een diepgravende studie. Wel is het een heel helder, toegankelijk essay dat de lezer op weg helpt bij het nadenken over literatuur.

Als we iets literatuur noemen, spreekt daar een waardeoordeel uit: we vinden het kunst. Onder literatuur schaart Verheyen teksten die je niet leest om er alleen informatie uit te halen, maar die je leest met aandacht voor de vorm. Bovendien bepaalt die vorm, bijvoorbeeld het vertelperspectief, vaak welke informatie we te lezen krijgen. Bij literatuur is er dus sprake van een zekere ondoorzichtigheid, van opaciteit – een term die Verheyen ontleent aan filosoof Peter Lamarque.

Het nut van literatuur

Bij non-fictie is er duidelijk wat te leren, maar hoe zit dat met fictie en literatuur? Verheyen schetst de opties: ofwel literatuur heeft een bepaald nut, zoals Aristoteles en christelijke denkers dachten; ofwel literatuur heeft geen nut, zoals Gerard Reve en Oscar Wilde dachten. Van de laatste citeert Verheyen deze mooie spreuk uit het voorwoord van The Picture of Dorian Gray: ‘Er bestaat niet zoiets als een moreel of een immoreel boek. Boeken zijn goed geschreven of slecht geschreven. Dat is alles.’

Als literatuur geen nut heeft, is het lezen van literatuur volgens Verheyen niet meer dan ontspanning, plezier of een esthetische ervaring. De lezer leert dan verder niets. Toch hebben we het gevoel dat er bij literatuur meer aan de hand is.

Bekend is het idee dat literatuur ons empathisch zou maken. Dat gebeurt dan doordat we tijdens het lezen afstand nemen van onszelf en ons inleven in anderen via verschillende personages. Dat betoogt filosoof Martha Nussbaum bijvoorbeeld. Het is ook de vooronderstelling van de rechters die veroordeelden verplichtten om bepaalde literaire werken te lezen.

Inleven in een insect

Verheyen wijst op enkele problemen die bij deze benadering komen kijken. Inleven in een ander zouden we evengoed kunnen leren uit non-fictie, een biografie bijvoorbeeld. En leren we uit romans wel echt iets over de werkelijkheid?

In Kafka’s De gedaanteverwisseling verandert de hoofdpersoon in een insect, maar, vraagt Verheyen retorisch, ‘kun je zeggen dat je door het lezen van die roman relevante kennis hebt opgedaan over hoe het is om op een ochtend te ontwaken in de huid van een reusachtige kever?’

Bij realistische romans zijn we geneigd te denken dat je wel degelijk iets leert over de werkelijkheid. Bij modernistische romans als die van Kafka, die welbewust het realisme in de roman ondergraven, is dat echter problematisch. In die werken lijkt het te draaien om de vorm, die voorrang krijgt boven een eventuele morele boodschap.

De kracht van literaire fictie

Maar juist hier toont zich de kracht van literaire fictie, stelt Verheyen in navolging van Paul Ricoeur. Literaire fictie zegt ons namelijk iets over de werkelijkheid op een indirecte, metaforische manier. Aangezien een eenduidige boodschap en een duidelijke relatie tot de werkelijkheid in fictie op losse schroeven staat, zal de lezer van literatuur altijd moeten interpreteren en aanvullen.

Omgekeerd zwengelt dit interpreteren en reflecteren ook zelfreflectie aan en kan literatuur lezen je eigen referentiekader verbreden en woordenschat vergroten.

Dit hele proces is waar literatuur lezen volgens Verheyen om draait: het zet je op een specifieke manier aan het denken. Zo laat ze, aan de hand van Ricoeur en Hannah Arendt, overtuigend zien wat de filosofische waarde van het lezen van literatuur is.

Verheyen vergeet alleen de laatste stap te zetten en haar eerste vraag te beantwoorden. Het zet ons aan het denken, maar maakt literatuur lezen ons nou betere mensen?

Niet per se. Literatuurcriticus George Steiner wijst er bijvoorbeeld voortdurend op dat in Weimar de achtertuin van Goethe grensde aan Buchenwald. Met andere woorden: als literatuur lezen ons betere mensen maakt, hoe konden nazi’s met een grote liefde voor literatuur dan tegelijk de grootste beulen en misdadigers zijn? Kennelijk hielp lezen bij hen niet. Ook op deze vraag hebben verschillende filosofen en critici antwoorden geformuleerd. Misschien voert dat te ver voor dit boek, maar zo is de cirkel nog niet helemaal rond.

 Wat de lezer leert geeft evengoed een beknopt en duidelijk overzicht van het denken over literatuur. Daarmee is het zelf een leerzaam boek dat beslist aanzet tot lezen, interpreteren en nadenken en dat smaakt naar meer.

Deze bespreking schreef ik voor de Nexus Leestafel.
Lees ook mijn stuk over Het nut van het nutteloze.
Posted by Thomas in Recensie, Tekst
Het verhaal van twee Toverbergen

Het verhaal van twee Toverbergen

het verhaal van twee toverbergen
Artikel over twee vertalingen van De Toverberg
Karakters.nu, september 2019

‘Pé is dood & dat is kut’, schreef Herman Brood nadat Petrus Hermandus Hubertus (Pé) Hawinkels in 1977 was bezweken aan een hartaanval. In de jaren ervoor had Hawinkels liedteksten voor Brood geschreven, maar hij was ook bekend om zijn gedichten, columns en vertalingen van literaire en filosofische werken. Sophocles, Shakespeare, Sontag en Duitsers als Nietzsche, Herman Hesse en Thomas Mann. Hij werd slechts 34 jaar, maar groeide uit van een ‘schrijfnozem’ tot een cultheld die nog steeds wordt bewonderd, ook door vakgenoten.

Toch waren de meningen over Hawinkels’ vertaalkunsten behoorlijk verdeeld toen in 1975 zijn vertaling van De Toverberg van Thomas Mann verscheen. Er ontstond zelfs een heuse rel rond de meest prestigieuze vertaalprijs van Nederland. Deze anekdote is nu meer dan veertig jaar oud en al vaker opgetekend; er is zelfs al een nieuwe vertaling van Manns meesterwerk. Toch loont het de moeite dit verhaal nogmaals op te rakelen, omdat het raakt aan een fundamentele vertaalkwestie die nog steeds actueel is.

 

Kuren in Davos

Eerst kort iets over Thomas Mann en Der Zauberberg. In 1912 reist Mann af naar Davos, omdat zijn vrouw daar kuurt tegen een longontsteking. In het kuuroord doet Mann inspiratie op voor Der Zauberberg. De plot is simpel: Hans Castorp, een eenvoudige jongeman, reist af naar een kuurhotel in Davos voor een kort bezoek aan zijn neef, maar blijft er vervolgens zeven jaar. Dat klinkt misschien wat mager voor een pil van bijna duizend pagina’s, toch zien velen het werk als een van de hoogtepunten uit de wereldliteratuur.

Dat heeft onder meer te maken met de ideeënrijkdom van het boek. Castorp wordt door die ideeën gevormd in zijn ontmoetingen met andere gasten in het kuuroord. Zo wordt hij verliefd op madame Chauchat en leert hij van de discussies tussen de Italiaanse humanist Lodovico Settembrini en de jezuïet Leo Naphta. Tegelijk krijgt de lezer een sfeervolle indruk van de toestand in Europa aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog – Mann noemde de roman zelf ‘een document van de Europese zielstoestand en geestelijke problematiek uit het eerste derde deel van de twintigste eeuw’.

Daarnaast behoedt ook Manns schrijfstijl dat het boek al te zwaar wordt. Zijn toon is ironisch en speels. Mann wisselt lange, complexe volzinnen en de geëxalteerde manier van spreken van zijn personages af met korte, komische zinnetjes. Precies die stijl en toon maken Der Zauberberg zo’n grote uitdaging voor vertalers.

 

Hawinkels’ Toverberg

Nu de rel. Begin 1974 krijgt Pé Hawinkels de opdracht een nieuwe Nederlandse vertaling van Der Zauberberg te maken. De oude, vooroorlogse vertaling is dan bijna vijftig jaar oud en aan een opvolger toe. Een droomklus voor Hawinkels. Na negen maanden is hij klaar en begin 1975 ligt het boek in de winkel.

Lovende woorden vallen Hawinkels ten deel, onder meer van criticus en vertaler Paul Beers. Ook G.A. von Winter, de bibliothecaris van het Goethe-Institut, die naar verluidt hele passages uit het origineel uit zijn hoofd kan opdreunen, is complimenteus: ‘[Hawinkels heeft] er naar mijn mening als vertaalprestatie ook meteen maar een magnum opus van gemaakt.’ Maar Von Winter is misschien niet geheel objectief, aangezien hij degene was die vóór publicatie met de stofkam door Hawinkels manuscript was gegaan.

In het Leidsch Dagblad uit ook criticus Jaap Goedegebuure zich positief: ‘[E]en vertaling die grote bewondering afdwingt door de grote precisie, en die het hele boek door zonder noemenswaardige inzinkingen de toon van Thomas Mann weet vast te houden.’ Maar Goedegebuure maakt aan de hand van een paar kleine voorbeelden deze kanttekening: ‘Hier en daar treft in zijn vertaling wel iets tweeslachtigs, vooral waar hij de gedragen zinnen lardeert met een naar mijn smaak al te moderne of populaire uitdrukking.’ En precies die kritiek zou vaker klinken.

Aangezien zowat alle belangrijke kranten in Nederland gewag maken van Hawinkels’ vertaling en De Toverberg als omvangrijke en moeilijk te vertalen roman een ideale meesterproef is, verwacht de literaire wereld dat Hawinkels de volgende winnaar zal zijn van de Martinus Nijhoff Vertaalprijs, de belangrijkste vertaalprijs van ons land.

Toch loopt het anders. De jury van de Nijhoffprijs besluit de prijs merkwaardig genoeg niet aan Hawinkels toe te kennen. De uitgever reageert verontwaardigd, er wordt gespeculeerd over de achterliggende redenen en er komen zelfs roddels naar buiten over onenigheid binnen de jury.

 

De slechtste vertaling van het jaar

In januari 1976 publiceert Jan Brokken een gedetailleerd stuk in Haagse Post, onder de veelzeggende titel ‘De rel rond de Nijhoffprijs. Hoe goed is De Toverberg vertaald?’ De jury zou verdeeld geweest zijn in vertalers, die pro-Hawinkels waren, en germanisten, die Hawinkels’ vertaling volledig afkraakten en aan het langste eind trokken.

Volgens een anoniem citaat zou Hawinkels’ De Toverberg ‘de slechtste vertaling van het jaar’ zijn, barsten van de germanismen en honderden fouten bevatten – ‘zelfs de titel is verkeerd vertaald, het boek heet niet De Toverberg maar De Magische Berg.’ En: ‘als de argumenten van de jury ooit nog eens in de openbaarheid zouden komen, dan zou de carrière van Hawinkels definitief gebroken zijn.’ Die laatste opmerking zou nog een staartje krijgen.

Ook Hawinkels zelf komt in het stuk aan het woord. Brokken tekent op: ‘Wij treffen hem goedgemutst in Nijmegen aan, waar hij, in een klein kamertje, tussen bed, wasbak en duizenden boeken, waarvan een niet onbelangrijk deel midden in de kamer op een gigantische belt bijeengeharkt, bezig is aan een Shakespeare-vertaling. (…) Hawinkels (33) ziet deze affaire “in de traditie van een groot aantal kritische opmerkingen die ik in de loop van mijn vertaalactiviteiten tegengekomen ben. Men vindt dat ik te vrij vertaal.”’

Wat nu precies de inhoudelijk kritiek is van de jury en waar die ‘honderden fouten’ staan, blijft evenwel onduidelijk. Brokken sluit af: ‘na al die geruchten en verdachtmakingen wil de simpele lezer van De Toverberg misschien ook wel eens weten of die vertaling deugt of niet. Het boek leest als een trein, en het zou voor die lezer een vervelend gevoel zijn als hij naderhand moet merken dat hij in de verkeerde trein is gestapt.’

Een antwoord op die vraag komt al iets dichterbij in november van dat jaar. In De Revisor verschijnt het verslag van een gesprek tussen de eerdergenoemde Paul Beers, criticus André Matthijsse, vertaler Hans Hom, schrijver Dirk Ayelt Kooiman en – last but not least – Pé Hawinkels zelf. Een paar voorbeeldjes geven een beeld van het gesprek.

Matthijsse is het meest kritisch op Hawinkels’ vertaling. Bij de eerste zin gaat het volgens hem al mis: ‘Die Geschichte Hans Castorps, die wir erzählen wollen (…)’ is bij Hawinkels ‘Nu gaan wij het verhaal vertellen van Hans Castorp (…)’. In het Duits ligt de nadruk heel anders, en deze aanpassing is exemplarisch voor de verkeerde insteek van de vertaler. De vertaling ‘loopt als een trein’, maar staat te ver af van het Duits van Mann en gaat voorbij aan karakteristieken van de brontekst, concludeert Matthijsse. Kortom, te vrij vertaald.

Ook klinkt er wederom kritiek op Hawinkels’ al te modieuze uitdrukkingen: ‘sorry, hoor’, ‘sodemerakels’, ‘kluns’, ‘jofel’ en ‘dat is stug’. Hawinkels ligt toe dat hij zijn Hans Castorp gemodelleerd heeft naar een jongen die hij persoonlijk kende: ‘[H]ij praat als een Nijmeegse corpsstudent.’

De kwaliteit van Hawinkels’ Nederlands staat voor alle gesprekspartners buiten kijf. De vraag is alleen of je als vertaler in woordkeuze en zinsbouw dienstbaar moet zijn aan de brontekst – dat wil zeggen, dienstbaarder dan Hawinkels is geweest – of dat de vertaler, zoals Hawinkels stelt, een ‘nieuw boek aan het maken is’ als hij vertaalt.

 

Het geheim van de jury

Of de jury van de Nijhoffprijs ook zo’n inhoudelijke discussie met specifieke, concrete voorbeelden heeft gevoerd voor het vellen van haar oordeel over Hawinkels is maar helemaal de vraag. Dat wordt bevestigd als Cees Koster, biograaf van Hawinkels, in 2014 een stuk publiceert in Filter en niets heel laat van de eerdere roddels rondom de Nijhoffprijs. Aangezien de prijs uitgereikt wordt namens het Prins Bernhard Fonds, zijn de notulen van de jury inmiddels openbaar geworden en in te zien in het Nationaal Archief. Op basis daarvan beschrijft Koster hoe de hele affaire daadwerkelijk verliep.

Kort samengevat: twee juryleden treden pas ná de discussie over Hawinkels toe tot de jury, de voorzitter is het eerste half jaar afwezig wegens ziekte, en de andere leden van de jury zijn geregeld afwezig zonder reden. Uit de vergadering van 8 september citeert Koster:

‘Dolf Verspoor [de juryvoorzitter, TFH] is ontsteld over Hawinkels’ slechte vertaling van een artikel in Maatstaf van de hand van G.A. von Winter. Henk Mulder [germanist] vindt de vertaling van Der Zauberberg een ramp. Hij heeft op iedere bladzijde veel fouten gesignaleerd en noemt hiervan enkele sprekende voorbeelden. Mevrouw Du Perron [schrijver/vertaler Elisabeth du Perron-de Roos] merkt op na verloop van tijd het noteren van misslagen te hebben gestaakt. Besloten wordt deze vertaler van de lijst te schrappen.’

Het genoemde artikel van Von Winter blijkt echter niet vertaald door Hawinkels, maar door Martin Ros. Het lijkt erop dat Hawinkels de prijs misloopt op basis van het mondelinge oordeel over De Toverberg van twee juryleden, concludeert Koster. Het heeft er alle schijn van dat een echt inhoudelijke discussie over de vertaalkwaliteiten en aanpak van Hawinkels niet heeft plaatsgevonden binnen de jury. In ieder geval is de anonieme uitspraak dat ‘de carrière van Hawinkels definitief gebroken zou zijn’ door Koster ontmaskerd als blufpoker.

 

Driessens Toverberg

Eind 2011, na ruim 35 jaar en 15 drukken, meldt De Volkskrant: er komt een nieuwe vertaling van Der Zauberberg. Namens de uitgever wordt opgetekend dat deze nieuwe vertaling ‘iets eigentijdser’ zal worden en dat Hans Driessen degene is die de taak moet volbrengen.

Net als Hawinkels werd Driessen geboren in Limburg en studeerde hij in Nijmegen. Beiden vertaalden Nietzsche, beiden hielden van Schopenhauer, maar Driessen studeerde filosofie, Hawinkels niet. Als hij aan zijn Der Zauberberg-vertaling begint, heeft Driessen een indrukwekkend aantal vertalingen op zijn naam, niet alleen van Nietzsche en Schopenhauer, maar ook van Sloterdijk. De Letterenfonds Vertaalprijs voor non-fictie heeft hij dan al veroverd.

Driessen wil zich ook eens wagen aan een groot fictiewerk en meldt zich bij De Arbeiderspers voor de vervaardiging van een opvolger van Hawinkels’ succesvolle vertaling.

In het nawoord bij zijn vertaling is Driessen lovend over zijn voorganger: ‘Ik heb Hawinkels’ vertaling voortdurend geraadpleegd. Ik ben er niet voor teruggedeinsd in de gevallen dat hij een, naar mijn smaak, betere oplossing had verzonnen, deze over te nemen – dat is mijn manier om hem eer te bewijzen.’ Maar hij verklaart ook waarom de nieuwe vertaling volgens hem wenselijk was:

‘Hawinkels permitteert zich veel vrijheid, hij vertaalt “creatief” […] Ook schroomt hij niet veelvuldig eigentijdse uitdrukkingen in te lassen, wat de tekst in onze tijd een gedateerd karakter verleent. […] [Hawinkels vertaling] is verre van nauwkeurig en bevat de nodige fouten.’

Verzachtende omstandigheden die Driessen noemt: Hawinkels had geen Google, geen digitale tekstverwerker en geen beurzen tot zijn beschikking.

Waarin verschillen de twee vertalingen dan zoal? De titel bleef – in weerwil van het jurylid van de Nijhoffprijs – onveranderd. Maar de eerste zin, waarop Matthijsse kritiek had, is aangepast: ‘Het verhaal van Hans Castorp dat we gaan vertellen (…)’. Ook heeft Driessen gesnoeid in Hawinkels ‘hippe’ woorden.

Maar hier en daar lijkt Driessen helemaal niet dichter bij het origineel te komen dan Hawinkels. Wat te denken van het korte, maar veelzeggende zinnetje aan het begin van De Toverberg: ‘Man ändert hier seine Begriffe’? Is Driessens ‘We hebben hier heel andere begrippen’ werkelijk nauwkeuriger of beter dan Hawinkels’ vertaling ‘Je krijgt hier andere ideeën’?

 

De ideale vertaler

Het oordeel van de recensenten over Driessens vertaling is aanvankelijk positief. Maarten ’t Hart is in De Volkskrant bijzonder lovend en haalt een paar voorbeeldjes aan. Zo is ‘schwer keuchende Lokomotive’ volgens hem terecht veranderd in ‘de zwaar puffende locomotief’, in plaats van Hawinkels’ ‘de door rokershoest geplaagde locomotief’. ’t Hart:

‘Dat is natuurlijk tamelijk bizar, en ver verwijderd van datgene wat er staat, maar Hawinkels vergaloppeert zich toch zelden op vergelijkbare wijze. Zeker, de vertaling is erg vrij, maar sloot destijds naadloos aan bij de gangbare vertaalopvattingen. Je moest toen, zoals dat heette, creatief vertalen.’

Zijn conclusie over Driessen: ‘[de] vertaling [wekt] op geen enkele manier een ouderwetse indruk. Het is prachtig, levendig Nederlands. Voor Thomas Mann is de ideale vertaler thans opgestaan.’

Wil Rouleaux heeft in De Groene Amsterdammer iets meer ruimte en benoemt een aantal specifieke tekortkomingen van Hawinkels’ vertaling:

‘Onmiskenbaar maakte Hawinkels fouten, hij vertaalde bijvoorbeeld ‘gönnerhaft’ (= ‘uit de hoogte’) met ‘mecenatisch’, ‘redensartlich’ (= ‘vol frasen’) met ‘kernachtig’, ‘Unwetter’ (= ‘noodweer’) met ‘onweer’. Ook had hij problemen met de Duitse modale werkwoorden. Maar de fouten waren ook weer niet zo talrijk dat ze veel afbreuk deden aan het geheel, en bovendien was Hawinkels vaak heel vindingrijk en beschikte hij over een fenomenale kennis van het Nederlands.’

Volgens Rouleaux bevat Driessens vertaling minder archaïsmen en is ze bovendien accurater:

‘Waar Hawinkels de neiging had om af en toe kleine toevoegingen in te lassen, of juist iets weg te laten, vertaalt Driessen precies wat er in het origineel staat. […] Een van de patiënten heeft een ‘Nacken (…) der etwas zu sehr heraustrat’. Bij Driessen: ‘een nek (…) die enigszins te ver vooruitstak’. Hawinkels maakte er meteen ‘een gierehals’ van.’

Rouleaux concludeert dat Driessen Hawinkels heeft overtroffen, maar dat ook Hawinkels’ vertaling in de handel moet blijven, aangezien het in zijn ogen toch een ‘taalkunstwerk van de allerhoogste orde’ is.

Nog uitgebreider en kritischer is de bespreking van vertaalwetenschapper en hoogleraar Duitse Letterkunde Ton Naaijkens in Filter in 2014. Hij schrijft dat zijn studenten enkele pagina’s en specifieke woorden van beide vertalingen vergeleken. De ‘Brust’ van madame Chauchat bijvoorbeeld, is dat ‘borst’, ‘boezem’ of ‘borsten’? Driessen kiest het laatste en de studenten concluderen dat hij, hier en elders, ‘neutraliserend’ vertaalt.

Zelf betoogt Naaijkens dat Hawinkels’ vertaling een meesterwerk is; niet gedateerd en superieur aan Driessens vertaling. Bovendien vraagt hij zich af of de ‘opvallende tendens tot versimpeling’ van Driessen wel te rijmen is met de aanpak die de vertaler in zijn nawoord zei te hanteren:

‘[H]et is een volstrekt andere vertaling geworden en, naar ik mag hopen, een betere. Dat het een andere is geworden, komt doordat mijn vertaalopvatting lijnrecht tegenover die van mijn voorganger staat. Anders dan deze ben ik geen voorstander van creatief vertalen. Creativiteit is iets voor de zelfstandige kunstenaar; een vertaler hoort in de allereerste plaats dienstbaar te zijn. Hij moet de brontekst strikt volgen en tot elke prijs weerstand bieden aan de verleiding deze beter, mooier of bloemrijker te maken, en vooral tegen dit laatste is Hawinkels niet bestand. Letterlijkheid, tenzij die letterlijkheid krom, of wetenschappelijker gezegd: idiomatisch incorrect Nederlands oplevert – dat is mijn vertaalopvatting in een notendop!’

Vrij vertalen

Waarom hebben we het na Driessens vertaling dan nog steeds over Hawinkels? Niet alleen om de vergelijking te maken, ook niet alleen om de romantiek of het pionierswerk van Hawinkels, maar omdat zijn vertaalaanpak helemaal niet zo achterhaald is als zijn tegenstanders het doen voorkomen.

De aanpak van Driessen past bij de insteek waarvan Karel van het Reve in Nederland de bekendste voorstander was. Arthur Langeveld, een leerling van Van het Reve, schreef een standaardwerk waarvan de titel geldt als credo voor menig vertaler: Vertalen wat er staat (2008).

Inmiddels lijkt het tij weer een beetje te keren ten gunste van de vrije, creatieve vertaling (om die voor het gemak maar even samen te nemen). Op dit moment is de meest zichtbare verdediger van deze aanpak waarschijnlijk vertaler Hans Boland – een verklaard bewonderaar van Hawinkels die in 2015 wél de Nijhoffprijs wist te winnen (en met wie een van onze redacteuren in gesprek ging over zijn laatste vertaling van Misdaad en straf.)
In 2017 publiceerde Boland, als toelichting bij zijn vertaling van Anna Karenina, het boek Hij kan me de bout hachelen met zijn vorstendommetje. Hij verzet zich daarin tegen de veelgehoorde kritiek ‘“Een mooie vertaling, maar wel erg vrij,” of: “Briljant vertaald, maar de vertaler heeft zich dan ook erg veel vrijheid veroorloofd.”’ Zo’n beetje dezelfde kritiek als Hawinkels ten deel viel.

Volgens Boland komt het erop neer dat de vertaler kan proberen qua vocabulaire of zinsbouw zo weinig mogelijk van de brontekst af te wijken, maar hij kan ook ‘kiezen voor een zo authentiek mogelijk Nederlands’ – als dat elkaar bijt. In plaats van ‘trouw aan de brontekst’ benadrukt Boland ‘gevoeligheid voor de context’.

Dat neemt overigens niet weg dat de vertaler ook volgens Boland dienstbaar en secuur moet zijn:

‘Vrij vertalen is niet je vrij voelen om de betekenis – de tekst – van het origineel naar eigen inzicht aan te passen of om te vormen, maar om je eigen taal in volledige vrijheid, met onverminderd respect voor de wetten die het canvas vormen van die vrijheid, los te laten op het origineel en net zo lang te kneden tot origineel en vertaling elkaar zo volledig mogelijk dekken.’

‘Grote literatuur verdient een vrije vertaling’, stelt Boland. En dat geldt zonder meer ook voor De Toverberg.

Al met al staat dus niet vast dat De Toverberg van Driessen in alle opzichten een verbetering is ten opzichte van De Toverberg van Hawinkels. Driessen heeft de foutjes van Hawinkels kunnen verbeteren, maar over de vertaalaanpak valt te twisten en daarom houden beide vertalingen stand. Voor de Nederlandse lezer lijkt er niets anders op te zitten dan het advies ter harte te nemen dat Mann (zij het om een iets andere reden) zelf ooit gaf: De Toverberg, twee maal lezen dat boek.

Dit artikel schreef ik voor literair platform Karakters.nu. Het verscheen later ook op VertaalVerhaal.nl.
 
Lees ook mijn stuk over het vertalen van De stralende wereld
Posted by Thomas in Artikel, Tekst