Mary Shelley

Mary Shelley: tussen boeken en graven

Mary Shelley
Illustratie van Cheyenne Goudswaard
Mary Shelley: tussen boeken en graven

Mary Shelley (1797–1851) is een van de beroemdste auteurs aller tijden. Die faam heeft ze grotendeels te danken aan de verfilmingen van haar boek Frankenstein uit de jaren dertig, en de talloze spin-offs die daarop volgden. Maar die films doen eigenlijk geen recht aan de complexiteit van het boek. En wie denkt dat Shelley een schrijver van oppervlakkige horrorverhalen is, zit ernaast. Haar werken zijn doorleefd, en filosofisch en literair interessant.

Een belangrijk thema in Shelley’s romans Frankenstein en The Last Man, is de dood. In de victoriaanse tijd en het Romantische denken was de dood sowieso al een geliefd onderwerp, maar voor Shelley stond er meer op het spel. Wie haar levensverhaal kent, ontdekt een extra laag in Shelley’s verhalen.

 

Leven met de dood

Nog geen twee weken oud is Mary Wollstonecraft Godwin als haar leven voor het eerst wordt getekend door de dood. Op 30 augustus 1797, tegen middernacht wordt Mary geboren als dochter van de beroemde schrijvers-filosofen William Godwin en Mary Wollstonecraft. Maar de arts gaat onhygiënisch te werk bij de geboorte en bezorgt de moeder kraamvrouwenkoorts. Na elf zenuwslopende dagen waarin Wollstonecraft ziekelijk zweeft tussen leven en dood, noteert Godwin op 10 september tot zijn verdriet in zijn dagboek: ‘She expired at twenty minutes before eight.’ Ze wordt begraven op het kerkhof van Saint Pancras. Mary groeit op zonder moeder.

Voor de jonge Mary is het graf van haar moeder een soort schuilplaats waar ze hele dagen doorbrengt. Zeker als haar vader een aantal jaar na het overlijden van haar moeder trouwt met een buurvrouw, met wie Mary het niet kan vinden. Ze ontglipt het huis geregeld en verblijft bij het graf. Urenlang zit ze daar verscholen te lezen en probeert ze via boeken – zoals Wollstonecrafts beroemde Pleidooi voor de rechten van de vrouw – de moeder die ze nooit heeft ontmoet, toch te leren kennen.

In 1812, als Mary zestien is, dient de negentienjarige drieste dichter Percy Bysshe Shelley zich aan. Als groot bewonderaar van het werk van zowel Mary’s vader als moeder, zoekt Percy contact met Godwin. Percy is dan al getrouwd, maar als Romantische ziel gelooft hij ook in de vrije liefde. Zijn oog valt al snel op Mary, die op haar beurt smoorverliefd wordt op hem. Mary voert Percy vaak in het geheim mee naar het kerkhof waar haar moeder ligt. Ze wandelen en lezen er samen. Hun liefde bloeit op tussen de graven. Het verhaal gaat dat ze op het graf van Mary’s moeder zelfs voor het eerst de liefde bedrijven.

Nadat Percy – nog steeds een getrouwd man – in 1814 zijn liefde voor Mary ook bekend maakt aan haar vader, ontsteekt die begrijpelijkerwijs in woede. Samen met Mary’s stiefzusje Claire ontvluchten Percy en Mary Engeland en reizen door Frankrijk, Zwitserland en Duitsland.

Eenmaal terug van de reis is Mary zwanger. En dan, begin 1815, slaat de dood wederom toe. Op 22 februari bevalt Mary twee maanden te vroeg van een dochtertje, dat niet veel later overlijdt. Enkele dagen later schrijft Mary een veelzeggend en aangrijpend zinnetje in haar dagboek: ‘Dream that my little baby came to life again; that it had only been cold, and that we rubbed it before the fire, and it lived.’ Deze ervaringen, de dood van haar moeder en dochtertje, laten niet alleen diepe littekens achter in het leven van Mary, maar vinden ook hun weg in wat haar beroemdste roman zal worden.

Alsof dat nog niet genoeg is, wordt het stel nog drie keer geconfronteerd met het overlijden van een kind. Zoontje William wordt in 1816 geboren en zal nooit ouder worden dan drie en een half; dochtertje Clara wordt in 1817 geboren en overlijdt een jaar later al; en in 1822 krijgt Mary een miskraam waarbij ze bijna zelf het leven laat. Hun laatste zoon, Percy Florence Shelley, die in 1819 geboren wordt, overleeft zijn kindertijd en weet de zeventig te halen.

Dan verliest Mary in de zomer van 1822, niet lang na haar miskraam, haar geliefde. Percy en Mary verblijven in Lerici, aan de Italiaanse kust, in een huis aan zee. Het stel ruziet veel; Mary is er slecht aan toe en wordt geplaagd door nachtmerries en hallucinaties. Op een dag gaat Percy, ondanks slechte weersvoorspellingen, uit zeilen op zee. Hij wordt door een storm overvallen en weigert hulp van een ander schip.

Tien dagen later spoelt zijn levenloze lichaam aan op het strand. Mary schrijft: ‘I was never the Eve of any Paradise, but a human creature blessed by an elemental spirit’s company & love – an angel who imprisoned in flesh could not adapt himself to his clay shrine & so has flown and left it.’ In het bijzijn van zijn boezemvriend en collega dichter Lord Byron wordt Percy’s lichaam een maand later verbrand, waarna de as wordt begraven in Rome.

Voor de dood haar een aantal jaar met rust laat, heeft Mary nog één verlies te verwerken. Byron besluit in juli 1823 mee te strijden in de Griekse onafhankelijkheidsoorlog tegen Turkije. Op zoek naar avontuur en glorie verkoopt Byron een landgoed, stuurt hij geld richting een Griekse militie en reist hij vervolgens zelf af naar Griekenland om daar leiding te geven in het leger. Hoewel zijn steun de harten van de Grieken sneller en patriottischer doet kloppen en ook de Europese grootmachten de vrijheidsstrijd steunen, is het Byron niet gegund de uiteindelijke Griekse overwinning mee te maken. Op 19 april 1824 overlijdt hij aan koortsen, waarschijnlijk veroorzaakt door malaria.

Al die verliezen, die Mary al op zo jonge leeftijd krijgt te verduren, weet ze te verwerken in haar verhalen.

 

Frankenstein: de grens tussen leven en dood

Veruit het beroemdste werk van Shelley is natuurlijk Frankenstein. Het ontstaansverhaal van die roman is inmiddels haast even legendarisch als het boek zelf.

In de zomer van 1816 zijn Percy, Mary en Claire voor het tweede maal op het continent. Ze verblijven in Villa Diodati aan het meer van Genève, bij Lord Byron – met wie Claire een affaire heeft – en diens lijfarts John Polidori. Door de uitbarsting van een vulkaan in Indonesië is het weer die zomer zelfs tot in Europa ontregeld. Geen zon, dus het gezelschap blijft binnenshuis. Ter vermaak daagt Byron de aanwezigen uit om een spookverhaal te verzinnen. Uit deze uitdaging komen twee van de bekendste horrorfiguren aller tijden voort. Polidori werkt een verhaal uit over een vampier – met overigens verdacht veel trekjes van Byron – dat later een inspiratiebron zou worden voor Bram Stokers Dracula. Shelley bedenkt het monster van Frankenstein.

In 1818 verschijnt Frankenstein; or, The Modern Prometheus; in 1831 volgt een flink herziene versie. In haar voorwoord bij die tweede editie beschrijft Shelley het ontstaan van het verhaal in Villa Diodati:

Lord Byron en Shelley voerden vele en lange gesprekken, waarbij ik een devoot maar vrijwel zwijgend toehoorster was. Tijdens een van die gesprekken werden diverse filosofische doctrines bediscussieerd, onder andere de aard van het levensprincipe en de vraag of het ooit zou worden ontdekt en bekendgemaakt. (…) Misschien kon een lijk tot leven worden gebracht; het galvanisme had daar aanwijzingen voor gegeven; misschien konden de onderdelen van een schepsel worden vervaardigd, bijeengebracht, en begiftigd worden met levenswarmte.

In die tijd wordt er volop geëxperimenteerd met het tot leven wekken van dode materie. Het bekendste experiment is dat van Luigi Galvani, een natuurfilosoof uit Bologna, die met behulp van stroomstoten beweging krijgt in pootjes van dode kikkers. (Waarmee hij overigens geen kikkers tot leven wekt, maar wel het ‘galvanisme’ ontdekt: het samentrekken van spiertjes door elektrische geleiding.)

Die experimenten en het gesprek dat Percy en Byron erover hebben, brengen wat teweeg in de verbeelding van Mary. De nacht na het gesprek droomt ze onrustig en vraagt ze zich af: hoe moet het zijn om, tegen de regels van God in, zelf een wezen tot leven te wekken? Angstwekkend, waarschijnlijk. Dat wordt de insteek van haar spookverhaal.

In Frankenstein onderzoekt Shelley die vraag door de ogen van Victor Frankenstein, een jonge, Romantische medicus uit Genève die bezeten raakt van de (al)chemie en het geheim van leven. Koortsachtig doet Frankenstein zijn proeven met lichaamsdelen die hij uit een knekelhuis heeft ontvreemd. Zijn motief omschrijft hij zelf als volgt:

Leven en dood leken mij ideale grenzen, die ik moest doorbreken om een stortvloed van licht in onze donkere wereld te brengen. Een nieuwe soort zou mij zegenen als zijn schepper en bron; vele gelukkige, voortreffelijke wezens zouden hun bestaan aan mij te danken hebben. Geen vader zou zoveel aanspraak kunnen maken op de dankbaarheid van zijn kind als ik die van hen zou verdienen. Voortbordurend op deze overpeinzingen dacht ik dat ik, als ik leven kon schenken aan levenloze stof, mettertijd (het scheen me op dat moment onmogelijk) leven zou kunnen terugbrengen waar de dood het leven kennelijk al aan ontbinding had overgegeven.

En dan, ‘op een sombere avond in november’, lukt het Frankenstein een lichaam tot leven te wekken. Terwijl de regen troosteloos tegen de ramen klettert, opent het wezen zijn doffe gele ogen en begin hij met schokkend oor zijn hele lichaam te ademen. In de rest van de roman werkt Shelley de morele consequenties uit van deze schepping.

Vanaf de eerste moeizame ademtocht van het schepsel, is Frankenstein vol afschuw over zijn creatie en bestempelt hij het wezen als een gruwelijke mislukking. Hij laat zijn schepping aan zijn lot over. Het wezen weet zichzelf op wonderbaarlijke wijze op te voeden, door het observeren van de eenvoudige en vredelievende familie De Lacey en door boeken te lezen. Maar als hij door zijn afzichtelijke uiterlijk door het gezin wordt verstoten en als Frankestein weigert voor hem een vrouw te maken, neemt het wezen wraak op zijn schepper en slaat hij aan het moorden.

De vraag die het verhaal oproept is: was dit project, de poging de dood te overwinnen, van meet af aan gedoemd te mislukken of ligt de fout elders? En in het verlengde daarvan de tijdloze vragen: in hoeverre ligt de morele verantwoordelijkheid voor bepaalde keuzes en handelingen bij het individu, bij de opvoeding of bij de sociale omgeving?

Shelley geeft geen eenduidig antwoord op die vragen. Maar buiten kijf staat dat ze voortkomen uit haar eigen leven. In Frankensteins schepping zien we Shelley’s intellectuele interesse in de wetenschap versmelten met haar persoonlijke verlangens.

 

The Last Man: wat als geliefden sterven?

De verliezen die Shelley voor haar kiezen kreeg, spelen ook in haar minder bekende meesterwerk, The Last Man, een belangrijke rol.

In 1824, als Shelley werkt aan het boek, is ze naast haar moeder en eerste kind ook haar zoontje William, dochtertje Clara en man Percy verloren. Ze schrijft op 14 mei in haar dagboek: ‘The last man! Yes I may well describe that solitary being’s feelings, feeling myself as the last relic of a beloved race.’ De dag erna krijgt ze te horen dat ook Byron is overleden, wat haar gevoel van eenzaamheid alleen maar versterkt.

Rond de eeuwwisseling hebben andere auteurs al verhalen gepubliceerd over de laatste mens op aarde. Shelley is dus niet de werkelijke grondlegger van dit genre. Maar het mag duidelijk waarom juist die figuur haar persoonlijk aan het hart gaat en wat haar beweegt om The Last Man te schrijven.

De hoofdpersoon van de roman is Lionel Verney, een ruwe herdersjongen die zich ontwikkelt tot een gecultiveerd man die mee kan draaien in de hoogste elite van het land. Dat land is Engeland in de 21e eeuw; maar behalve dat Engeland dan een jonge republiek is, lijkt er weinig veranderd in de wereld.

Lionel groeit op met zijn zus Perdita – die lijkt op Shelley’s stiefzusje Claire – op het platteland. Hij wordt eerst op sleeptouw genomen door Adrian – gemodelleerd naar Percy – graaf van Windsor en bovendien de zoon van de voormalige koning, en later ook door Lord Raymond – gemodelleerd naar Byron – een avontuurlijke aristocraat die enorm rijk is geworden door zijn rol als legerleider in de Grieks-Turkse oorlog. Het eerste deel staat in het teken van de strijd tussen de sympathieke filantroop Adrian en de flamboyante politicus Raymond, tot beide heren uiteindelijk de beste vrienden worden en Perdita een romantische verhouding krijgt met Raymond. Dan komt er plots een verontrustend bericht. Er is een pestepidemie uitgebroken rond de Nijl. Het gevaar lijkt aanvankelijk ver weg, maar vanaf dat moment gaat alles langzaam maar zeker bergafwaarts.

Raymond vertrekt wederom naar het Griekse front. Ditmaal om Constantinopel te veroveren. Maar als blijkt dat de pest daar zijn intrede heeft gedaan, glippen Turkse soldaten stiekem de belegerde stad uit en durven Raymonds troepen de stad niet in te nemen. Raymond denkt dan zelf besmet te zijn, maar wuift het gevaar weg – ‘Does not the plague rage each year in Stamboul?’, tegenwoordig zou men zeggen ‘het is maar een griepje’. Koppig trekt hij in zijn eentje toch de stad binnen, om dan zelf maar de christelijke vlag te hijsen op de moskee.

In een bloedstollende en fantastisch geschreven scène, zoekt Lionel naar Raymond in de brandende en ineenstortende stad. Hij gaat af op het geblaf van Raymonds hond en dat leidt hem naar het levenloze, verminkte lichaam van zijn vriend. En zo vindt Raymond – net als Byron een Griekse legerheld en besmet met een dodelijke ziekte – toch de dood.

De pest houdt huis in de wereld en zaait overal dood en verderf. Adrian neemt de leiding over de overlevende Britten, die besluiten een desolaat en bevroren Engeland te ontvluchten richting het mildere klimaat van Italië. Overal om Lionel heen vallen steeds meer mensen ten prooi aan de pest. Na vele omzwervingen, met onder meer religieuze fanatici en een aangrijpende scène waarin een zieke dochter orgel speelt voor haar blinde vader, komt uiteindelijk ook Adrian aan zijn einde. Hij vergaat – net als Percy – in een storm voor de Italiaanse kust. Lionel blijft eenzaam achter op de wereld.

De autobiografische aspecten in The Last Man zijn, net als bij Frankenstein, slechts één laag in het verhaal. Maar wel een laag die voor Shelley diepte en betekenis geeft aan de filosofische vragen die ze onderzoekt: wat betekenen menselijkheid en kunst nog als samenlevingen uiteenvallen? Wat is het leven nog waard als je al je geliefden verliest? Waar vinden we hoop in extreme omstandigheden, te midden van onheil?

februari 2020
 
Ter ere van de 170e sterfdag van Mary Shelley schreef ik dit artikel. Karakters.nu publiceerde het.
 
Lees verder
Lees ook mijn bespreking van Prelude van William Wordsworth, en mijn stuk over Margaret Cavendish.