Ágnes Heller: een voorbeeld

ágnes heller: een voorbeeld
Mitchell Cohen over Ágnes Heller Dissent / Nexus
vertaling: Thomas Heij, oktober 2019

Het eerste gesprek dat we voerden ging over het marxistisch humanisme. Dat was in 1986. Filosoof Ágnes Heller, afgelopen juli overleden in haar geboorteland Hongarije, was de belangrijkste student van Georg Lukács (1885–1971), de meest invloedrijke marxistische filosoof na Marx, ondanks zijn moeizame verhouding met de Hongaarse Communistische Partij.

Heller was naar New York gekomen om de Hannah Arendt-leerstoel in politieke filosofie aan de New School for Social Research te bekleden. Ik belde haar gewoon op en vertelde haar dat ik aan het schrijven was over Lucien Goldmann (1913–70), de Roemeens-Franse marxistisch humanist die zich in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw in Frankrijk sterk had gemaakt voor het werk van Lukács. Zij had Goldmann nog gekend en ik wilde het met haar hebben over een debat dat ze met hem had gevoerd. ‘Kom morgen naar ons toe in de lobby’, zei ze. Daar trof ik haar met haar man en collega, Ferenc Fehér.

Zij was klein van postuur, maar barstte van de ideeën; hij, langer, met grijs haar en een terugwijkende haargrens, zat vol bedachtzame observaties. Ik liep over van vragen en was een tikje van mijn à propos toe zij juist eerst aan mij, een onbekende academicus, allerlei vragen stelden. Hoe en waarom was ik geïnteresseerd geraakt in het socialistisch humanisme? Wat vond ik van de interpretatie van tragedie van de jongere Lukács en van die van Goldmann in diens boek over Pascal en Racine? En wat dacht ik over onze tijd? Zijn humanistische waarden nog houdbaar, zelfs als een groot deel van Marx’ denken onhoudbaar is?

Uiteindelijk vroeg ik, ietwat aarzelend, naar het symposium dat Goldmann in 1968 had georganiseerd in Royaumont, een plek in Frankrijk beroemd als locatie voor gedachtenuitwisselingen – in dit geval was ook Theodor Adorno aanwezig. Heller en Goldmann raakten daar in een discussie verwikkeld over de esthetica van Lukács. Lukács had een relatief beperkte kijk op het realisme in de literatuur, hoewel zijn essays over Balzac, Zola en Mann vaak scherpzinnig waren en kwalitatief (meestal) van een totaal andere orde dan het socialistisch realisme dat de ‘partijlijn’ voorschreef. Heller verdedigde haar mentors pleidooi voor de roman die de aard van een samenleving onthulde via overtuigende personages en hun omstandigheden. Goldmann distantieerde zich van de minachting die de oudere Lukács koesterde jegens het surrealisme, Brecht, de ‘nouveau roman’ en andere avant-gardistische initiatieven.

‘Goldmann had gelijk, ik had ongelijk’, zei Heller tegen me. Deze simpele en eerlijke opmerking was veelzeggend over haar karakter: ze doordacht en heroverwoog de dingen voortdurend; als dat leidde tot een ander oordeel en een andere opvatting, dan was dat maar zo. Al snel werden we vrienden en werd ik uitgenodigd voor de feestjes die Heller en Fehér hielden bij hen thuis, toen nog in Chelsea, waar een keur aan academici en intellectuelen bijeenkwam. Mijn gesprekken met haar gingen door, zij het sporadisch, ook na haar terugkeer naar Boedapest in 1989.

Ik zag Ágnes voor het laatst in de herfst van 2018 in Manhattan, tijdens een feest voorafgaand aan haar negentigste verjaardag…

Lees het hele verhaal hier.

Dit verhaal, dat oorspronkelijk in het Engels verscheen in het legendarische tijdschrift Dissent, vertaalde ik voor het Nexus Instituut.